Oefentoets Biologie: Uitscheiding - algemeen | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 1

Ontdek de digitale toets over de regulatie van watergehalte en uitscheidingssystemen bij mensen en dieren, gericht op studenten biologie en gezondheidswetenschappen. Test je kennis over nieren, zweetklieren en de processen van uitscheiding met uitdagende vragen en illustraties. - 13 vragen

Aantal vragen

13

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Regulatie van het watergehalte in het bloed

Regulatie.

Actieve regulatie van het watergehalte van het bloed vindt bij de mens plaats door uitscheiding via

Regulatie van zweetklieren tijdens zware arbeid

Regulatie.

Tijdens zware arbeid is de activiteit van de zweetklieren verhoogd.

Deze verhoogde activiteit gaat veelal samen met

Processen van uitscheiding bij de mens

Uitscheiding.

Uit een organisme worden op verschillende wijzen stoffen naar het uitwendig milieu gevoerd. Dit is niet altijd op te vatten als uitscheiding. Vier processen die bij de mens voorkomen, zijn:

1. afvoer van galkleurstoffen met de gal;
2. afgifte van koolstofdioxide uit het bloed via de longen;
3. afvoer van ureum met de urine;
4. afgifte van alvleeskliersap door de alvleesklier.

Welke van deze processen kunnen als uitscheiding worden opgevat?

Regeling van opgeloste deeltjes in het bloed

Water en zouten.

De concentratie van opgeloste deeltjes in het bloed van de mens wordt onder andere door de nieren binnen bepaalde grenzen geregeld. Over de betekenis van enkele andere organen ten aanzien van de concentratie van opgeloste deeltjes in het bloed worden drie beweringen gedaan.

1. Vanuit de dunne darm worden alleen zouten en geen water in het bloed opgenomen.
2. In de luchtwegen vindt afgifte van water uit het bloed plaats.
3. In de zweetklieren vindt afgifte van water en zouten uit het bloed plaats.

Welke van deze beweringen zijn juist?

Structuur van nieren bij zoogdieren

Nieren.
Zie figuur B 216 van de bijlage.

De afbeeldingen geven schematisch de nierkapsels en nierkanaaltjes weer bij twee zoogdiersoorten (1 en 2).

De afgebeelde vormen kunnen kenmerkend zijn voor verwante zoogdieren die leven in

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Zoutklierfunctie bij vogels en prooidieren

Uitscheiding.
Zie figuur A 239 van de bijlage.

Bij een bepaalde vogelsoort bevindt zich in de kop een zoutklier (zie tekening 1 in de afbeelding). Bij een vogel van deze soort worden door de nieren vrijwel geen ionen uitgescheiden. Als de concentratie van opgeloste stoffen in het bloed van de vogel stijgt, scheidt deze zoutklier ionen uit via de neusgaten.
De vogel krijgt via het voedsel veel ionen binnen. In onderstaande tabel zijn de concentraties van een aantal ionen in de weefsels van de vogel en van zijn prooidieren weergegeven.
afbeeldingafbeelding
Aangenomen wordt dat de vogel van elke prooidiersoort een even grote gewichtshoeveelheid eet.

Bij het nuttigen van welke van de genoemde prooidieren zal de zoutklier de kleinste hoeveelheid ionen gaan uitscheiden?

afbeeldingafbeelding

Zoutklierfunctie bij vogels

1/2 Een zoutklier.
Zie figuur A 239 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
Bij een bepaalde vogelsoort bevindt zich in de kop een zoutklier (zie tekening 1 in de afbeelding). Bij een vogel van deze soort worden door de nieren vrijwel geen ionen uitgscheiden. Als de concentratie van opgeloste stoffen in het bloed van de vogel stijgt, scheidt deze zoutklier ionen uit via de neusgaten.
De vogel krijgt via het voedsel veel ionen binnen. In onderstaande tabel zijn de concentraties van een aantal ionen in de weefsels van de vogel en van zijn prooidieren weergegeven.
afbeeldingafbeelding
De zoutklier bestaat uit blind eindigende huisjes die in nauw contact staan met bloedvaten (zie tekening 2 in de afbeelding A 239). De kliercellen nemen actief ionen uit het bloed op en geven die af aan de buisjes. Het concentratieverschil tussen het bloed en de vloeistof in de buisjes is vrijwel constant en klein, waardoor het terugdiffunderen van ionen naar het bloed zoveel mogelijk wordt tegengegaan.

Zie volgende scherm

Bloedstroomrichting rond de zoutklier

2/2 Een zoutklier.
Zie figuur A 239 van de bijlage.

Is uit deze gegevens te concluderen in welke richting het bloed in de bloedvaten langs de klierbuisjes stroomt?
Zo ja, stroomt het in richting P of in richting Q?

afbeeldingafbeelding

De functie van de nier bij vissen

De nier van een vis.
Zie figuur B 139 van de bijlage.

De tekening geeft een nierkapseltje met een haarvatennet van een vis weer. Bij vissen komt een hormoon H voor, dat alleen op plaats P de samentrekking stimuleert van spiercellen in de wand van het bloedvaatje.
Trekken deze spiercellen zich samen, dan neemt de bloeddruk in de haarvaten van het kapseltje toe. Op een bepaald moment wordt de concentratie van hormoon H in het bloed hoger.

Neemt de hoeveelheid voorurine die per minuut wordt gevormd, hierdoor toe of af?
Neemt de concentratie van glucose in het bloedplasma op plaats P hierdoor toe of blijft deze gelijk?
afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Afhankelijkheid van waterafgifte in het lichaam

Water.

Water verdwijnt uit het lichaam van de mens onder andere via de luchtwegen, de nieren en de zweetklieren.
Bij een mens in rust wordt bekeken bij welke van deze organen de hoeveelheid afgegeven water rechtstreeks afhankelijk is van de hoeveelheid water die met eten en drinken is opgenomen.

Bij welke van de genoemde organen is dat het geval?

Waterverlies bij de mens

Waterverlies.
Zie figuur A 725 van de bijlage.

Het lichaam van een mens bestaat voor ongeveer 60% uit water. In de afbeelding is de waterbalans bij de mens schematisch weergegeven.
Waterverlies vindt plaats door diffusie via de huid, met ontlasting, met urine, door verdamping in luchtwegen en door zweten. In de tabel hieronder is het waterverlies inmlper dag onder verschillende omstandigheden weergegeven. In de tabel ontbreken gegevens over de aard van het waterverlies.
afbeeldingafbeelding
Met welke nummers worden waterverlies met ontlasting en waterverlies met urine aangegeven?
afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Glucoseconcentratie en urine-excretie bij honden

Glucose en urine.
Zie figuur B 5738 van de bijlage.

Nevenstaande grafiek geeft bij een hond het verband aan tussen de excretie van glucose in de urine en de glucoseconcentratie van het bloedplasma.

Hoe hoog is de glucoseconcentratie in het filtraat bij een bloedglucoseconcentratie van 10 mg/mL bloed? Die is mg/mL filtraat.
En hoe sterk is de terugresorptie van glucose bij een bloedglucoseconcentratie van 12 mg/mL bloed, in vergelijking met de terugresorptie van glucose bij een bloedglucoseconcentratie van 10 mg/mL bloed?

De terugresorptie bij 12 mg/mL is .

afbeeldingafbeelding

Uitscheidingssystemen bij verschillende organismen

Uitscheidingssystemen.
Zie figuur B 5749 van de bijlage.

De figuren I tot III in de afbeelding hiernaast tonen de uitscheidingssystemen van respectievelijk platwormen, ringwormen en sprinkhanen. Figuur IV laat de verschillende habitats in de levenscyclus van de zalm zien.

Welk van de volgende beweringen over de uitscheidingssystemen is correct?

afbeeldingafbeelding