Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 19

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

2/5 Senecio jacobaea.
Zie figuur B 2773 van de bijlage.

Tekst:
De rupsen van de St. Jacobsvlinder (Tyria jacobaeae), de zogenoemde zebrarupsen, zijn niet gevoelig voor de alkaloïden in Jacobskruiskruid. In een gebied waren op een bepaald moment bijna alle jacobskruiskruidplanten door zebrarupsen kaal gevreten. Er waren geen bloeiende planten meer aanwezig. Hier en daar stonden kleine groepjes planten die aan de vraat door zebrarupsen waren ontkomen. Deze planten zaten allemaal vol met bladluizen van de soort Aphis jacobaeae. Deze bladluizen leven van plantensappen. Ze staan onder bescherming van mieren die de badhuizen verdedigen tegen allerlei belagers. Ook zebrarupsen die door onderzoekers op de plant geplaatst werden, werden heftig aangevallen door de mieren als ze probeerden in de plant te klimmen. Planten zonder bladluizen worden niet of nauwelijks door mieren bezocht. De mieren leven van de suikers die de bladluizen afscheiden.
bewerkt naar: Meijendel mededelingen afl. 27, mei 1994

Hoe noemen we de relatie tussen bladluizen en mieren?
En de relatie tussen bladluizen en zebrarupsen?
afbeeldingafbeelding




-

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

3/5 Senecio jacobaea.

Behoren Tyria jacobaeae en Aphis jacobaeae tot hetzelfde genus (geslacht)?
En tot dezelfde soort? Leg de beide antwoorden uit.

Plantenfysiologie

4/5 Senecio jacobaea.

Om de relatie tussen het alkaloïdgehalte van Jacobskruiskruid en de aanwezigheid van bladluizen en mieren na te gaan, werden in een ander gebied dertien bloeiende jacobskruiskruidplanten onderzocht met zeer veel bladluizen en mieren. De hoogte van iedere plant werd gemeten en er werden bladeren geoogst voor een bepaling van het alkaloïdgehalte. Ter vergelijking werd bij elk van deze dertien planten de dichtstbijzijnde plant zonder bladluizen en mieren gezocht. Ook van deze buurplanten werd de hoogte gemeten en werden bladeren geoogst. Er mag van worden uitgegaan dat mieren en bladluizen tussen de planten konden kiezen en dat zij op grond van voor hen aantrekkelijke factoren op een bepaalde plant zijn gaan zitten. De resultaten van de metingen van het alkaloïdgehalte en de hoogte van de planten staan in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding

Welke conclusie over de relatie tussen het alkaloïdgehalte van Jacobskruiskruid en de aanwezigheid van bladluizen en mieren kun je uit de gegevens in de tabel trekken?




-

Plantenfysiologie

5/5 Senecio jacobaea.

Bij een tweede experiment werden tien paren planten gezocht. Elk paar bestond uit een plant met bladluizen en mieren én een plant zonder bladluizen en mieren. Op elke plant werd één zebrarups geplaatst. Na 15 minuten werd gecontroleerd of de rupsen nog aanwezig waren. De resultaten van dit experiment staan in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding

Op grond van deze gegevens werd de conclusie getrokken dat de mieren zebrarupsen van de planten verdrijven. Deze conclusie werd te snel getrokken. Er was geen controle-experiment gedaan.

Beschrijf dit controle-experiment.

Plantenfysiologie

1/3 Reservestoffen.

De mens maakt gebruik van het feit dat veel planten in bepaalde delen reservestoffen opslaan. Voor de winning van olie worden onder andere de kokospalm Cocos nucifera en de oliepalm Elaeis guineensis gebruikt.
Plantensoorten die nauw verwant zijn, worden tot hetzelfde genus (ofwel geslacht) gerekend.

Behoren de genoemde palmsoorten tot hetzelfde genus? Geef een verklaring voor je antwoord op basis van de gegevens uit de tekst.

Plantenfysiologie

2/3 Reservestoffen.
Zie figuur B 2121 van de bijlage.

De afbeelding is een foto van de top van een oliepalm.

In afbeelding B 2122 zijn vier delen van een oliepalm aangeduid: een blad, een tros vruchten, de stam en een wortel.

Uit welk deel van een oliepalm wordt de palmolie gewonnen?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

3/3 Reservestoffen.

Planten houden in het algemeen de osmotische waarde van hun cellen, ook van de cellen waarin reservestoffen worden opgeslagen, vrijwel constant.

Welke van de stoffen suiker (= sacharose), zetmeel en vetten kan of welke kunnen, rekening houdend met de osmotische waarde, als reservestof worden opgeslagen?

Plantenanatomie en plantenfysiologie

1/6 Bromelia's.
Zie figuur B 4677 van de bijlage.

Van haar oma werd gezegd, dat ze groene vingers had. Ook haar moeder is dagelijks in de weer om planten te verzorgen. De nieuwste rage bij haar thuis zijn Bromelia's (zie de afbeelding).
Dit verklaart waarom Paula hierover een profielwerkstuk heeft gemaakt.

Voor het theoretische deel van haar werkstuk kwam de bouw en de levenswijze in algemene zin van deze planten aan de orde. Voor het praktische deel heeft zij zich bezig gehouden met de wijze waarop Bromelia's hun waterhuishouding regelen.

Bromelia's zijn tropische planten. Ze groeien in boomkruinen. Ze hebben wel normaal ontwikkelde bladeren maar slecht ontwikkelde wortels zonder wortelharen. De wortels dienen alleen voor vasthechten aan de gastheerplant.
Net als bij andere groene planten vindt in de bladeren van Bromelia's fotosynthese plaats. De bladeren zijn zo geplaatst, dat er een koker ontstaat, waar water in blijft staan (zie de rechter afbeelding). Deze kokers worden fytotelmata genoemd. Hierin ontwikkelt zich vaak een heel bijzondere dierenwereld.
Bepaalde kikkersoorten leggen zelfs eieren in de met water gevulde holten.
Maar er komen ook plantenresten of dode dieren in het water terecht. In fytotelmata worden dode restanten door bacteriën afgebroken.

In elk ecosysteem onderscheidt men producenten, consumenten en reducenten.

Welke ecologische functie of welke ecologische functies heeft de Bromelia?
En welke functie of welke functies de bacteriën?

afbeeldingafbeelding




-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en plantenfysiologie

2/6 Bromelia's.

De Bromelia's bij Paula thuis staan op de vensterbank. Hun oorspronkelijke habitat is hoog in de boomkruinen. Maar ook in de huiskamer doen de Bromelia's het goed.
Paula vraagt zich af waarom veel Bromelia's in boomkruinen voorkomen. Zij gaat er van uit dat op grote hoogte een bepaalde abiotische factor gunstiger voor hen is dan op de grond.

Welke abiotische factor is hoog in de bomen gunstiger voor het overleven van de Bromelia's, dan op de grond?

Plantenanatomie en plantenfysiologie

3/6 Bromelia's.
Zie figuur B 4678 van de bijlage.
Zie figuur B 4679 van de bijlage.
Zie figuur A 1036 van de bijlage.

De bovenkant van het blad van Bromelia's bevat meercellige organen, trichomen, waarmee de bladeren water met daarin opgeloste mineralen opnemen. Bij het zoeken naar informatie over trichomen vindt Paula op internet elektronenmicroscopische opnamen van deze organen (zie de afbeelding B 4678).
Paula maakte een aantal microscopische preparaten.
Van deze preparaten maakte ze tekeningen (zie de afbeeldingen B 4679 en A 1036).
Van celtypen aangegeven met de nummers 1 tot en met 4 uit de afbeeldingen B 4679 en A 1036, zijn alleen de celwanden over.
De vleugel staat in droge toestand omhoog (A 1036A), in vochtige toestand ligt hij horizontaal (A 1036B).

In afbeelding A 1036A zijn zeven celtypen aangegeven.

In welk celtype of in welke celtypen is fotosynthese mogelijk?
In welke celtypen vindt dissimilatie plaats?

afbeeldingafbeelding






-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en plantenfysiologie

4/6 Bromelia's.
Zie figuur A 1036 van de bijlage.

Transport van het water gebeurt door capillaire werking en osmose.
Het watertransport wordt in afbeelding A 1036B aangegeven met de pijlen P en Q.

Geef de definitie van osmose.
Leg aan de hand van deze definitie uit dat het watertransport tot aan de steelcellen niet door osmose plaatsvindt.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en plantenfysiologie

5/6 Bromelia's.

In de fytotelmata leven bacteriën van planten- en dierenresten die in de fytotelmata terecht komen. De bacteriën zetten de organische stoffen om.
Hierdoor ontstaan anorganische verbindingen met de elementen C (koolstof), N (stikstof), H (waterstof) en O (zuurstof).
Gezien de bouw van de wortels moeten Bromelia's die in de boomkruinen leven, stoffen via de fytotelmata opnemen in plaats van via de wortels.

Welk of welke van de elementen C, H, N en O moeten die stoffen in elk geval bevatten?

Plantenanatomie en plantenfysiologie

6/6 Bromelia's.

In fytotelmata leven behalve de bacteriën ook andere organismen. De pH van het water in de fytotelmata is laag. Paula gaat er van uit, dat deze lage pH veroorzaakt wordt door dissimilatieprocessen, maar zij vraagt zich af of dit door dissimilatie van de Bromelia, door dissimilatie van de organismen in de fytotelmata of door beide veroorzaakt wordt. Zij wil met behulp van een experiment hier antwoord op krijgen.
Haar hypothese is: De lage pH wordt vooral veroorzaakt door de organismen in de fytotelmata.

Hoe ziet haar proefopzet er uit?
Welk resultaat zou haar hypothese ondersteunen?

Ecologie

2/3 De iep.

De abiotische factoren in de stad en aan de kust zijn zodanig, dat iepen op die plekken wel goed kunnen groeien en veel andere boomsoorten niet.

Noem twee van zulke in de tekst genoemde abiotische factoren.

Ecologie

3/3 De iep.

De schimmel die de iepenziekte veroorzaakt, verspreidt zich via de houtvaten steeds verder in de boom. De houtvaten raken verstopt en binnen een jaar sterft de boom.

Wordt door het verstoppen van de houtvaten het transport van water geremd?
En wordt het transport van mineralen geremd?

Plantenfysiologie

1/7 Fytotelmata.

Bij allerlei planten, vooral in de tropen, blijft in onderdelen zoals bladoksels, bloemschutbladeren, kannen, bekers en holletjes regenwater staan. In deze kleine 'aquaria' ontwikkelt zich vaak een heel bijzondere dierenwereld. De Hongaar Varga introduceerde hiervoor de term fytotelmata.
Bromeliaceae zijn vleesetende planten met fytotelmata. Zij groeien op een gastplant. Zij hebben normaal ontwikkelde bladeren, maar slecht ontwikkelde wortels.
Deze planten verteren gevangen insecten in de fytotelmata.

Welk of welke van de elementen C, H, O en N zal een Bromelia in elk geval uit de insecten in de fytotelmata opnemen? Leg je antwoord uit.

Plantenfysiologie

3/7 Fytotelmata.

Uit welke stikstofhoudende verbindingen in het insect ontstaan de door de plant opgezogen verteringsproducten?

De stikstofhoudende verbindingen in het insect heten

[invulveld]

Plantenfysiologie

4/7 Fytotelmata.
Zie figuur B 5755 van de bijlage.

In de gematigde streken is de kaardenbol een plant met fytotelmata. De kaardenbol heeft, anders dan de bromelia, een normaal ontwikkeld wortelstelsel. De plant wortelt in voedselarme grond.
Bij de kaardenbol zit er in de fytotelmata een aantal geurende en zoet smakende stoffen. Allerlei lopende insecten worden daardoor aangetrokken. Via enzymen worden die verdoofd. Bacteriën zorgen voor de vertering, waarna de kaardbol de verteringsproducten opzuigt.

Welke rol speelt de geurstof bij het aanloopgedrag van de insecten?

afbeeldingafbeelding