Oefentoets Biologie: Ademhaling | VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 10

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ademhaling

Diffusie van zuurstof.

De snelheid waarmee een organisme zuurstof in het bloed opneemt, is onder meer afhankelijk van de grootte van het oppervlak waar de zuurstof doorheen diffundeert.

Bij gewervelde dieren is dit oppervlak groot door de aanwezigheid van

Ademhaling

Onderzoek naar de hartslag.

Tijdens een practicumles onderzoeken leerlingen de invloed van inspanning op de frequentie van de hartslag. De volgende onderzoeken worden gedaan:

1. Direct nadat een proefpersoon tien diepe kniebuigingen heeft gemaakt wordt bij hem het aantal hartslagen per minuut geteld.
2. Twee minuten nadat een proefpersoon tien diepe kniebuigingen heeft gemaakt wordt bij hem het aantal hartslagen per minuut geteld.
3. Bij een proefpersoon wordt het aantal hartslagen per minuut geteld vlak vóór en direct nadat hij tien diepe kniebuigingen heeft gemaakt.
4. Bij alle leerlingen van de groep wordt direct nadat zij elk tien diepe kniebuigingen hebben gemaakt, het aantal hartslagen per minuut geteld. Hieruit wordt het gemiddelde berekend.

Bij welk van deze vier onderzoeken is de invloed van inspanning op de frequentie van de hartslag het beste te bepalen?

Ademhaling

Onderzoek naar de hartslag en ademhaling.

Een aantal proefpersonen maakt twintig diepe kniebuigingen. Vóór en direct na die kniebuigingen wordt gedurende een minuut het aantal hartslagen en ademhalingsbewegingen bij deze proefpersonen geteld.
Twee minuten later wordt er weer geteld.
Van de tellingen wordt het gemiddelde uitgerekend.

Achter welke letter kunnen alle resultaten juist zijn?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

In- en uitademing.

De hoeveelheid waterdamp in ingeademde lucht wordt vergeleken met de hoeveelheid waterdamp in uitgeademde lucht.

Welke van de volgende beweringen hierover is juist?

Ademhaling

Het strottenklepje.

Waarvoor dient het strottenklepje?

Dit voorkomt, dat er

Ademhaling

Het hoofd.
Zie figuur B 742 van de bijlage.

De tekening stelt een lengtedoorsnede voor van het hoofd en de hals van de mens.
De pijl geeft de richting aan waarin transport plaatsvindt.

Welke van onderstaande gebeurtenissen veroorzaakt dit transport ?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Huig en strotklepje.

Bevindt de huig van de mens zich tussen keelholte en neusholte?
Bevindt het strotklepje zich tussen keelholte en luchtpijp?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

De luchtpijp.

Twee beweringen over de bouw van de luchtpijp van de mens zijn:

I. De luchtpijp bevat kraakbeenstukken die voorkomen dat de luchtpijp bij inademing dichtklapt.
II. De luchtpijp bevat trilharen die slijm met stofdeeltjes naar de keelholte transporteren.

Ademhaling

Kraakbeenringen.

Welk van onderstaande organen van de mens is verstevigd door middel van kraakbeenringen?

Ademhaling

Trilharen.

De binnenzijde van de luchtpijp is o.a. bekleed met cellen. die zeer kleine trilhaartjes dragen.

Deze trilhaartjes zorgen voor

Ademhaling

Een weefsel.
Zie figuur B 1940 van de bijlage.

In de afbeelding geeft tekening P schematisch enkele cellen van een weefsel in het lichaam van de mens weer. Tekening Q geeft een doorsnede van een deel van het hoofd van de mens weer.

Op welke van de aangegeven plaatsen in tekening Q komt het weefsel van tekening P voor?

op plaats

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

De neusholte.

In de wand van de neusholte bevinden zich veel kleine bloedvaten.

De ingeademde lucht die langs deze wand stroomt, wordt door de aanwezigheid van die bloedvaten

Ademhaling

De luchtpijp.

Hier volgen twee beweringen over de luchtpijp.

I. Kraakbeen in de wand van de luchtpijp zorgt er voor, dat bij inademing de luchtpijp niet dichtgedrukt wordt.
II. In de luchtpijp wordt de binnenstromende lucht gezuiverd.

Ademhaling

Luchtpijp en slokdarm.

Ligt de luchtpijp of de slokdarm het dichtst bij de wervelkolom?
Welk van deze organen bezit een wand met kraakbeen?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Het strottenklepje.

Twee beweringen over het strottenklepje zijn:

I. Het strottenklepje bevindt zich bij het begin van de luchtpijp.
II. Het strottenklepje voorkomt dat er lucht in de slokdarm komt.

Ademhaling

Kraakbeen.

Enkele organen van de mens zijn:

1. bronchiën;
2. luchtpijp;
3. slokdarm.

Welk(e) van deze organen is (zijn) verstevigd door kraakbeen?

Ademhaling

Bronchiën.

Wat zijn bronchiën?

Ademhaling

Het strottenklepje.

Hieronder volgen twee beweringen over het strottenklepje:

I. Het strottenklepje sluit de luchtpijp af bij het slikken.
II. Het strottenklepje sluit de slokdarm af bij de ademhaling.

Ademhaling

Trilharen.

In de luchtpijp van de mens bevinden zich trilharen.

Wat is de belangrijkste functie van deze trilharen?

Ademhaling

De huig.

Waarvoor dient de huig?