Oefentoets Biologie: Mens-milieu | HAVO 4/HAVO 5 | variant 2

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Mens en Milieu

1/5 Landbouw.

In een interview in het tijdschrift De Boerderij zegt een boer onder andere het volgende:

"De prijsdaling van tarwe wordt niet langer gecompenseerd door een stijging van de opbrengsten. Ik strooi op tarwe per jaar in drie keer 180 kg stikstofhoudende kunstmest per hectare en spuit als regel drie keer tegen schimmelziekten. De opbrengst stijgt niet meer, de grond en het klimaat zijn de beperkende factoren geworden.
Ik blijf trouwens wel zoeken naar productievere rassen."

Stikstof wordt door tarwe vooral gebruikt om daarmee een bepaald type organische stoffen op te bouwen.

Welke organische stoffen zijn dit?

Mens en Milieu

2/5 Landbouw.

Wanneer alle stikstofhoudende kunstmest in één keer zou worden uitgestrooid, kan het gewas worden beschadigd of zelfs doodgaan. Maar ook afgezien hiervan is het voor de opbrengst en het milieu beter de stikstofhoudende kunstmest in drie keer te strooien dan in één keer.

Leg uit waardoor, afgezien van een mogelijke beschadiging van het gewas, drie keer strooien beter is voor de
planten en voor het milieu dan één keer strooien.

Mens en Milieu

3/5 Landbouw.

Wanneer de boer het spuiten tegen schimmels achterwege laat, kunnen de tarweplanten worden aangetast door schimmels. De opbrengst aan tarwekorrels vermindert daardoor.

Leg aan de hand van processen in de plant uit waardoor de opbrengst aan tarwekorrels dan vermindert, ook al gaan de planten niet dood en worden de korrels zelf niet aangetast.

Mens en Milieu

4/5 Landbouw.

In een bepaald jaar (Q) was de tarweoogst van deze boer groter dan in het jaar daarvoor (P). In beide jaren heeft hij hetzelfde ras gebruikt en dezelfde teeltmaatregelen genomen.
De grotere opbrengst was een gevolg van het weer in jaar Q.

Noem drie factoren die worden bepaald door het weer en die in jaar Q een sterkere groei en grotere opbrengst mogelijk kunnen hebben gemaakt dan in jaar P Leg bij elke factor uit waardoor deze factor voor de planten van belang is.

Mens en Milieu

5/5 Landbouw.

Als biologisch insectenbestrijdingsmiddel worden tegenwoordig wel feromonen gebruikt. Feromonen zijn seksuele lokstoffen die onder andere door vrouwelijke individuen van bepaalde insectensoorten worden geproduceerd. Door deze feromonen kunnen de mannetjes de vrouwtjes al op grote afstand vinden. Vrouwtjes die eenmaal hebben gepaard, verliezen hun belangstelling voor mannetjes. Een mannetje kan met zeer veel vrouwtjes paren.
Met behulp van feromonen worden in de paringstijd mannetjes van een schadelijke insectensoort gelokt en gevangen. Vervolgens kunnen de volgende maatregelen worden getroffen:

1. Deze mannetjes worden onvruchtbaar gemaakt en daarna weer in hetzelfde gebied losgelaten. Zij kunnen daarna nog wel paren.
2. Deze mannetjes worden gedood.

Zal het aantal insecten waaruit de volgende generatie zal bestaan het sterkst worden beperkt door maatregel 1 of door maatregel 2 of maakt het hiervoor niet uit welke maatregel wordt getroffen?

Mens en Milieu

1/3 Productiviteit.
Zie figuur B 2900 van de bijlage.

De productiviteit van twee landbouwgewassen, maïs en suikerriet, wordt vergeleken. In tabel hieronder zijn de resultaten daarvan weergegeven. De getallen voor suikerriet zijn afkomstig van het tropische eiland Hawaï, die voor maïs uit Nederland.
afbeeldingafbeelding
De gemiddelde productiviteit per dag, berekend over het groeiseizoen, van suikerriet is hoger dan die van maïs, onder andere doordat de abiotische factoren op Hawaï verschillen van die in Nederland.

Neem het schema van de afbeelding B 2900 over op je antwoordblad. Noteer daarin twee abiotische factoren waardoor de gemiddelde productiviteit per dag over het groeiseizoen van suikerriet hoger is dan van maïs. Noteer ook het verschil in deze abiotische factoren.

afbeeldingafbeelding

Mens en Milieu

2/3 Productiviteit.

afbeeldingafbeelding
In de tabel zijn de gegevens met de letters p tot en met u aangegeven. Op Hawaï kan het hele jaar door geproduceerd worden, in Nederland slechts gedurende een deel van het jaar.

Uit de vergelijking van welke gegevens kun je hiervoor een bevestiging vinden?


-

Mens en Milieu

3/3 Productiviteit.

Van suikerriet worden de stengels gebruikt om sacharose (rietsuiker) te winnen. Uit zaden van maïs worden zetmeel en vet (maïskiemolie) verkregen. Voor de productie van sacharose, vetten en zetmeel heeft de plant in ieder geval de elementen C, H en O nodig.

Zijn in sacharose, vetten en zetmeel ook elementen als N, P of S ingebouwd?

afbeeldingafbeelding

Mens en Milieu

Landbouwproductie.

Op welke manieren kan de landbouwproductie verhoogd worden?
Er zijn 3 goede antwoorden. Kies de goede antwoorden uit onderstaande reeks.

Mens en Milieu

1/4 Veeteelt.

Een doel van de veeteelt is onder andere het produceren van vlees tegen zo laag mogelijke kosten, zodat er optimaal winst gemaakt kan worden.
Er is nogal wat prijsverschil tussen vlees dat afkomstig is van verschillende diersoorten. Een van de redenen hiervoor is dat de productiekosten per kg vlees per diersoort verschillen.

In de tabel hieronder staat een aantal gegevens over runderen en konijnen.
afbeeldingafbeelding

Zie volgende scherm

Mens en Milieu

2/4 Veeteelt.

Stel dat een rund uitsluitend hooi krijgt als voedsel.

Bereken dan in 1 decimaal nauwkeurig hoeveel ton hooi nodig is voor het ontstaan van de vermelde 600 kg biomassa.

Mens en Milieu

3/4 Veeteelt.

Het warmteverlies per kilogram lichaamsgewicht per dag is bij konijnen veel hoger dan bij een rund.

Wat is hiervan de oorzaak?

Mens en Milieu

4/4 Veeteelt.

afbeeldingafbeelding

De productiekosten van een gelijke hoeveelheid biomassa van konijnen en runderen per dag worden onderling vergeleken. Uit deze vergelijking blijkt dat de productiekosten voor konijnen lager zijn.

Leg dit uit met behulp van de gegevens over voedselverbruik, de tijd waarin het voedsel wordt verbruikt en de toename van de biomassa van de tabel.

Mens en Milieu

1/3 Mestoverschotten.
Zie figuur B 1354 van de bijlage.

In bepaalde delen van Nederland komen mestoverschotten voor. Als dit teveel aan mest zonder meer op het land wordt gestort, komt er ammoniak vrij die eerst wordt omgezet in ammonium en uiteindelijk in nitraat.
Door dit proces daalt de pH van de bodem. Bovendien komt er veel nitraat in het grondwater terecht.

Ammonium wordt in de bodem omgezet in nitraat.

Door welke van de volgende typen organismen gebeurt dit vooral?

afbeeldingafbeelding

Mens en Milieu

2/3 Mestoverschotten.

Het milieuprobleem door mestoverschotten hangt samen met een stikstofhoudende afvalstof die bij de eiwitstofwisseling wordt gevormd en die door de nieren van zoogdieren wordt uitgescheiden.

Geef de naam van deze afvalstof. Dit is [invulveld]

Mens en Milieu

3/3 Mestoverschotten..
Door toedoen van de mens neemt de hoeveelheid stikstofverbindingen in Nederland steeds toe.

Noem twee oorzaken van de toename van de hoeveelheid stikstofverbindingen in Nederland. Geef bij elke oorzaak aan in welke verbinding de stikstof voorkomt.

Mens en Milieu

1/2 Bacteriën in varkensvoer.

Het mestoverschot in Nederland is een groot probleem. Door overbemesting ontstaat in een bepaald gebied een overschot aan mineralen, zoals nitraten, hetgeen schadelijk is voor de kwaliteit van grondwater en oppervlaktewater. De ammoniak die in de mest voorkomt, heeft verzuring tot gevolg. Bacteriën van de soort Thiosphaera panthotropha zijn in staat ammoniak om te zetten in nitraat. Wanneer de omstandigheden voor deze bacteriën ongunstig zijn, kunnen deze bacteriën zich tijdelijk inkapselen. Hierbij wordt een vrijwel ondoordringbare wand om elke bacterie gevormd. Er is een voorstel om bacteriën van deze soort toe te voegen aan varkensvoer.

Stel dat men besluit om bacteriën van deze soort toe te voegen aan het varkensvoer.

Zal men er dan voor zorgen dat ze in ingekapselde of in niet-ingekapselde vorm door de varkens worden gegeten?
Geef de reden voor deze keus, waarbij je ervan uit mag gaan dat de werking van de verteringsorganen van varkens overeenkomt met die van de mens.

Mens en Milieu

2/2 Bacteriën in varkensvoer.
Zie figuur B 1354 van de bijlage.

Een varkensfokker roept na het lezen van het verhaal over bacteriën in varkensvoer enthousiast: "Dat is de oplossing voor het mestoverschot. Als ik voor mijn varkens voer met deze bacteriën gebruik, kan ik net zoveel mest van deze dieren op mijn land brengen als vroeger, zonder dat dit zoals vroeger tot overbemesting leidt".

Heeft de boer hierin wel of geen gelijk? Leg uit waarom.

afbeeldingafbeelding

Mens en Milieu

1/2 Mestprobleem.
Zie figuur B 1633 van de bijlage.

Met het veevoer begint het mestprobleem. Zolang vee in de wei graast en daar de mest achterlaat, is de kringloop voor een groot deel gesloten. Maar als het veevoer van elders komt, bijvoorbeeld als het in Nederland geïmporteerd wordt, ontstaat in Nederland een overschot aan stikstof terwijl de voerproducent elders tekort komt.

De afbeelding geeft een deel van de stikstofkringloop weer.

Eén van de anorganische stoffen die in de mest voorkomt, is ammoniak (NH3 ). Deze stof komt vooral vrij bij de afbraak van bepaalde stoffen waaruit organismen zijn opgebouwd.

Geef de naam van deze groep stoffen. [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Mens en Milieu

2/2 Mestprobleem.

In de tekst staat dat bij import van veevoer in Nederland een overschot aan stikstof op het land ontstaat, terwijl de voerproducent elders stikstof tekort komt.

Leg het ontstaan van dit overschot en tekort uit aan de hand van de afbeelding.

afbeeldingafbeelding