Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | VWO 5/VWO 6 | variant 13

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenanatomie en -fysiologie

3/6 Ronde zonnedauw.
Zie figuur C 153 van de bijlage.

In de afbeelding zijn plaatsen aangegeven met de cijfers 1 en 2.

Is het waarschijnlijk dat zich op de plaatsen aangegeven met 1 enzymen bevinden die bij de fotosynthese zijn betrokken?
En op plaats 2?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

4/6 Ronde zonnedauw.
Zie figuur B 2236 van de bijlage.

In de afbeelding zijn in een diagram de tolerantiegebieden voor kalk weergegeven van Ronde zonnedauw en van twee tuinplanten.
Uit de tekst is af te leiden, welke grafiek geldt voor Ronde zonnedauw.

Welke grafiek is dit?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

5/6 Ronde zonnedauw.
Zie figuur B 2534 van de bijlage.

In Nederland komt Ronde zonnedauw voor (zie de afbeelding). Dit is een plantje met een bladrozet. De bladeren zijn groen en zijn aan de bovenkant bedekt met rode uitsteeksels die aan de top druppels kleverig vocht afscheiden. Deze druppels lokken insecten aan die vast komen te zitten in het kleverige vocht. De rode uitsteeksels vormen vervolgens enzymen die de eiwitten van het insect verteren zoals ook in het verteringskanaal van de mens gebeurt. De producten die ontstaan bij deze eiwitvertering, worden door cellen van de uitsteeksels opgenomen. Ronde zonnedauw groeit vaak tussen veenmos op een zeer voedselarme bodem.
De plantjes kunnen slecht tegen kalk en mest. In het najaar vergaan de bladeren van de Ronde zonnedauw, terwijl het veenmos verder groeit. In het centrum van het bladrozet van de Ronde zonnedauw blijft een winterknop over. Deze groeit in het volgend voorjaar uit tot een nieuwe bladrozet die weer iets boven het veenmos uitsteekt.

In natuurgebieden die grenzen aan gebieden met intensieve veeteelt draagt zure regen bij aan de achteruitgang van Ronde zonnedauw.

Leg uitgaande van de tekst en met behulp van de figuur uit waardoor dat zo is.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

6/6 Ronde zonnedauw.

Ronde zonnedauw is één van de weinige plantensoorten die zich in de volgende omstandigheden kan handhaven:

- in een voedselarme omgeving,
- tussen steeds doorgroeiend veenmos.

Noem de twee eigenschappen waardoor Ronde zonnedauw zich in deze omstandigheden kan handhaven.

Plantenanatomie en -fysiologie

2/6 Verdamping.
Zie figuur B 409 van de bijlage.

In de tabel hieronder zijn waarden van TT en HT en de waterstanden in de buis weergegeven, zoals de studente die heeft afgelezen. De bijbehorende relatieve luchtvochtigheid heeft ze in een tabel opgezocht.
afbeeldingafbeelding

Het verband tussen de waterstand en de tijd is weergegeven in het diagram van de afbeelding B 409.
Drie tijdstippen zijn aangegeven met de letters P, Q en R.

Op welk van de tijdstippen P, Q en R is het verschil tussen TT en HT het kleinst? Verklaar waardoor het verschil op dat moment het kleinst is.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/6 Verdamping.
Zie figuur A 1013 van de bijlage.

De studente heeft nog geen antwoord gekregen op haar onderzoeksvraag naar de relatie tussen de relatieve luchtvochtigheid en de verdamping. Deze relatie is echter weer te geven door de gemiddelde verdampingssnelheid van het water uit deze ligustertak uit te zetten tegen de gemiddelde relatieve luchtvochtigheid in de buis.
afbeeldingafbeelding

Geef de relatie tussen de gemiddelde verdampingssnelheid en de gemiddelde relatieve luchtvochtigheid weer op het millimeterpapier van de bijlage.
De gemiddelde verdampingssnelheid bij een gemiddelde relatieve luchtvochtigheid van 66% is al in de bijlage getekend.
Gebruik in je diagram de overige waarden van de relatieve luchtvochtigheid uit de tabel hierboven.
Benoem de assen.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

4/6 Verdamping.
Zie figuur B 2794 van de bijlage.

Twee leerlingen hebben een meningsverschil over de plaats waar verdamping in bladeren plaatsvindt. Zij zijn het er wel over eens dat bij verdamping water overgaat van de vloeibare fase naar de gasfase.

Leerling 1 beweert dat water in de gasfase overgaat wanneer water vanuit de wand van de cellen van het sponsparenchym en van het palissadeparenchym naar de intercellulaire ruimten gaat.
Leerling 2 beweert dat water in de gasfase overgaat bij het transport vanuit de intercellulaire ruimten in het blad via de huidmondjes naar buiten.

Welke van deze leerlingen heeft of welke hebben gelijk?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

5/6 Verdamping.
Zie figuur B 2795 van de bijlage.

In de afbeelding zijn twee diagrammen gegeven: diagram 1 toont de relatie tussen de lichtintensiteit en de verdamping uit een blad; diagram 2 toont de relatie tussen de lichtintensiteit en de spleetbreedte van de huidmondjes van dit blad.
De spleetbreedte van de huidmondjes kan een beperkende factor zijn voor de verdamping van water uit een blad.

Vanaf welke breedte is de spleetbreedte van de huidmondjes niet meer beperkend voor de verdamping van water uit dit blad?
Geef een verklaring voor je antwoord met gebruikmaking van de gegevens in de beide diagrammen van de afbeelding.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

6/6 Verdamping.

De beide leerlingen hebben ook een meningsverschil over de directe oorzaak waardoor de spleetbreedte van de huidmondjes groter wordt bij toenemende lichtintensiteit.

Leerling 1 beweert dat dit komt doordat de turgor in de sluitcellen bij toenemende lichtintensiteit hoger wordt.
Leerling 2 beweert dat dit komt doordat de CO2 -concentratie in de intercellulaire ruimten bij toenemende lichtintensiteit lager wordt.

Welke van deze leerlingen heeft of welke hebben gelijk?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Watertransport.
Zie figuur C 77 van de bijlage.

In een experiment wordt onder gelijke proefomstandigheden het watertransport in twee takken gemeten. De takken zijn van dezelfde struik afkomstig, ze zijn even dik en hebben oorspronkelijk evenveel bladeren met een gelijk oppervlak. Tak 2 wordt gedeeltelijk ontbladerd.
De mate van verdamping wordt afgemeten aan de waterverplaatsing in een buis waarlangs een schaalverdeling is gelegd. In de afbeelding zijn de proefopstellingen aan het begin van elk experiment weergegeven. Met behulp van een föhn kan een krachtige luchtstroom langs elk van de takken worden geblazen. De luchtstroom heeft dezelfde temperatuur als de omringende lucht.
De proefopstellingen staan in het licht.
Gedurende 20 minuten wordt de waterverplaatsing per tak gemeten. Eerst zonder föhn, daarna met de föhn aan. De gemeten waterverplaatsingen zijn weergegeven in de tabel.
De luchtstroom is steeds even sterk en heeft steeds dezelfde temperatuur.

afbeeldingafbeelding

De zuigkracht op het snijvlak van tak 1 wordt in beide situaties na 20 minuten vergeleken met die op het snijvlak van tak 2.

Bij welke tak in welke situatie is de zuigkracht op het snijvlak gedurende dit experiment het kleinst?




-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Watertransport.
Zie figuur C 77 van de bijlage.

Vervolgens wordt op dezelfde wijze als in de vorige opgave een experiment uitgevoerd, met dit verschil dat nu met de föhn lucht die 5°C warmer is, langs de takken wordt geblazen.

Neemt de snelheid van de waterverplaatsing dan toe in buis 1?
En in buis 2?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Uitdroging van planten.

De volgende stoffen worden beschouwd in verband met hun functie voor het organisme: chitine, kurk, was.

Welke stoffen kunnen organismen tegen uitdroging beschermen?

Plantenanatomie

Huidmondjes.
Zie figuur B 5754 van de bijlage.

Hoe is de verdeling van huidmondjes bij rechtopstaande bladeren zoals die van de gele lis, een waterplant?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Dendrochronologie.

Dendrochronologie is een methode om met behulp van reeksen jaarringen de ouderdom van een stuk hout te bepalen. Deze methode berust op het principe dat de groeiomstandigheden van bomen elk jaar anders zijn.

Daardoor

Plantenfysiologie

Aardappelen.

Welke van de volgende aardappelen zal het grootste percentage gewichtsverlies ondergaan gedurende drie dagen in droge omstandigheden?

Plantenfysiologie

Compensatiepunt.

Bij het compensatiepunt in de fotosynthese geldt dat

Plantenfysiologie

Sluitcellen.

In tegenstelling tot de andere cellen van de bladopperhuid, bevatten de sluitcellen van een huidmondje wel chloroplasten.

Wat gebeurt er ten gevolge van de fotosynthese in deze sluitcellen?

Plantenfysiologie

Driptips.
Zie figuur B 5757 van de bijlage.

Er zijn planten waarvan de bladeren uitlopen in een duidelijke punt. Sommige planten hebben bladeren met punten van vele centimeters. Wetenschappers vermoeden dat deze punten te maken hebben met het afvoeren van water, vandaar de naam: driptips (zie afbeelding hiernaast).
Een hypothese over de functie van driptips is dat bladeren die ze hebben, weer sneller kunnen beginnen met fotosynthese na een regenbui.

Leg uit waarom dit een plausibele hypothese is.

afbeeldingafbeelding