Spijsvertering
Eiwitvertering.
Bij de vertering van eiwitten worden peptidebindingen verbroken.
Welke stoffen kunnen na het verbreken van dergelijke bindingen ontstaan?
Deze oefentoets bevat 7 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
7
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 4, VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
Eiwitvertering.
Bij de vertering van eiwitten worden peptidebindingen verbroken.
Welke stoffen kunnen na het verbreken van dergelijke bindingen ontstaan?
Eiwitvertering.
In vier reageerbuizen wordt een gelijke hoeveelheid van een eiwitoplossing gedaan. Aan deze buizen worden verteringssappen van de mens toegevoegd.
Het totale aantal toegevoegde enzymmoleculen van elk sap is in alle gevallen gelijk.
Aan de buizen worden respectievelijk toegevoegd:
buis 1: alvleessap en darmsap,
buis 2: maagsap en darmsap,
buis 3: speeksel en alvleessap,
buis 4: speeksel en darmsap.
In welke buis neemt de aminozuurconcentratie het snelst toe?
Eiwitvertering.
Zie figuur C 39 van de bijlage.
Een enzym uit maagsap van de mens verbreekt alleen de peptidenbindingen tussen de zuurgroep van aminozuurmoleculen met restgroep Z en de aminogroep van andere aminozuurmoleculen.
De tekening geeft schematisch een bepaald eiwitmolecuul weer.
De aminogroep en de zuurgroep die zich aan de uiteinden van dit eiwitmolecuul bevinden, zijn apart weergegeven. Dit eiwitmolecuul bezit één aminozuur met restgroep Z. Alleen de plaats waar deze restgroep zich bevindt, is aangegeven.
In welke delen kan het genoemde enzym dit eiwitmolecuul splitsen?
afbeelding
Peptidasen.
Zie figuur B 134 van de bijlage.
Peptidasen zijn enzymen die eiwitten verteren. Het hangt van het type peptidase af welke peptidebindingen precies verbroken worden. Peptidase P is in staat peptidebindingen te verbreken tussen een aminozuur met restgroep R4 en de NH-groep van een ander aminozuur. De tekening geeft een peptide-keten weer.
Op welke van de aangegeven plaatsen kan peptidase P de getekende peptide-keten splitsen?
afbeelding
Eiwitten.
Het voedsel van een volwassen proefpersoon bevat per etmaal 60 gram eiwitten. In zijn darmkanaal wordt echter per etmaal 110 gram eiwitten verteerd. Enkele processen in het darmkanaal en bij de vertering zijn:
1. de afgifte van verteringssappen met enzymen,
2. het voortdurend afsterven van dekweefselcellen in het darmkanaal.
Zijn deze processen oorzaak van het verschil tussen de hoeveelheid gegeten en de hoeveelheid verteerde eiwitten?
Zo ja, welk van deze processen is of welke zijn daarvan de oorzaak?
Maagzweren.
Mensen met een maagzweer volgen een bepaald dieet, waarbij het eiwitgehalte van de voeding beperkt wordt.
Daarbij dient een voldoende grote variatie aan eiwitbronnen gebruikt te worden.
Leg uit waarom het nodig is om een voldoende grote variatie aan eiwitbronnen te gebruiken.