Oefentoets Biologie: Ecologie - relaties | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 2

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

Competitie.
Zie figuur C 280 en C 281 van de bijlage.

In een ecosysteem kunnen verschillende vormen van competitie voorkomen. Een vorm van competitie is interspecifieke competitie, dit is competitie tussen organismen van verschillende soorten.
Een voorbeeld van interspecifieke competitie bij soorten vinken is te vinden op de Galápagos-eilanden. Vier Galápagos-eilanden zijn: Charles, Chatam, Daphne en Crossmann.
De tabel hieronder geeft de aan- of afwezigheid van twee vinkensoorten, Geospiza fortis en Geospiza fuliginosa, op deze eilanden.
afbeeldingafbeelding
Zie figuur C 280 van de bijlage.

Een verschil tussen G. fortis en G. fuliginosa is de snavelhoogte (zie de afbeelding). De snavelhoogte hangt samen met de aard van het voedsel dat de vinken eten.
In de afbeelding zijn twee diagrammen getekend waarin de snavelhoogten van de genoemde vinkensoorten op de eilanden Daphne en Crossmann zijn weergegeven.

De verdelingen van snavelhoogten van de vinken G. fortis en G. fuliginosa op de eilanden Charles en Chatam zijn al vele jaren lang dezelfde.

Zie figuur C 281 van de bijlage.

Vier leerlingen tekenen ieder een diagram waarin zij de snavelhoogten van de vinken G. fortis en G. fuliginosa op de eilanden Charles en Chatam volgens hun verwachting hebben uitgezet tegen het aantal vinken (zie de afbeelding).

Welke van deze leerlingen heeft een juist diagram getekend?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

Reductie.

De organische stoffen van de bladeren die in de herfst van de bomen vallen, zijn in de volgende zomer voor een groot deel verdwenen door de werking van micro-organismen.

Zijn deze stoffen omgezet in anorganische en/of organische stoffen?
Komen deze stoffen binnen of buiten de micro-organismen voor?

Ecologie

1/5 Witte klaver.
Zie figuur E 42 van de bijlage.

Turkington onderzocht de bladvorming van witte klaver (Trifolium repens) onder verschillende omstandigheden: hij kweekte genetisch identieke witte klaverplanten afzonderlijk op (experiment P), of gemengd met andere planten zoals Agrostis tenuis (experiment Q), Phleum pratense (experiment R) of gewone soortgenoten Trifolium repens (experiment S). In alle vier experimenten was het aantal genetisch identieke klaverplanten per oppervlak gelijk. Op achtereenvolgens zes verschillende tijdstippen werden de leeftijden van de blaadjes aan deze genetisch identieke klaverplanten bepaald. De metingen vonden om de 1 tot 3 maanden plaats. De resultaten zijn weergegeven in de afbeelding.

Formuleer, gelet op de resultaten in de afbeelding, een mogelijke onderzoeksvraag van Turkington.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/5 Witte klaver.

Een leerling kijkt naar de opzet van het onderzoek van Turkington en zegt: "Experiment S kun je een controle-experiment noemen."

Leg uit waarom experiment S als controle-experiment beschouwd kan worden.

Ecologie

3/5 Witte klaver.

Een ecosysteem wordt gekenmerkt door de aanwezige abiotische en biotische factoren en de onderlinge samenhang hiertussen.
Het onderzoek van Turkington heeft in eerste instantie betrekking op biotische factoren.

Wat is de biologische term voor de samenhang tussen de biotische factoren die Turkington heeft onderzocht?

Ecologie

4/5 Witte klaver.
Zie figuur E 42 van de bijlage.

De verschillende diagrammen van experiment R worden met elkaar vergeleken.

Leerling 1 beweert dat in experiment R er minimaal zes weken zitten tussen de metingen II en III.
Leerling 2 beweert dat in experiment R de klaverplanten bij meting I meer bladeren hebben dan bij meting IV.

Welke leerling heeft of welke leerlingen hebben gelijk op grond van de gepresenteerde resultaten?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

5/5 Witte klaver.
Zie figuur E 42 van de bijlage.

Het resultaat van de vijfde meting (V) van experiment P wordt vergeleken met het resultaat van de vijfde meting (V) van experiment S. Deze metingen zijn in het begin van het voorjaar uitgevoerd.
Een leerling beweert dat het verschil in resultaat bij experiment P en S het gevolg is van een verschil in microklimaat.

Beschrijf het verschil in resultaat van experiment P en experiment S bij meting V.
Leg uit dat een verschil in microklimaat een verklaring kan zijn voor deze resultaten.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/5 Eutrofiëring.

Sinds kort test men een nieuwe methode in de strijd tegen eutrofiëring. Over deze methode werd het volgende stukje in een krant geschreven:

"Het idee is simpel en eigenlijk ook niet nieuw: kweek in zuiveringsbassins algen om het fosfaat en nitraat weg te vangen en oogst ze. Met de geoogste biomassa kun je nuttige dingen doen. Je kunt die biomassa gebruiken als veevoer en zelfs omzetten in brandstof voor auto's.
Een soortgelijk plan werd al in de jaren vijftig en zestig door een Wageningse hoogleraar geopperd, maar al weer snel verworpen omdat het proces in het lichtarme Nederland niet efficiënt genoeg zou zijn. In ons land is een verlichtingssterkte van 75 kilolux (klx) echter heel gewoon - zelfs op sombere dagen duikt hij niet snel onder de 50 klx. Terwijl een verlichtingssterkte van 15 klx voor veel algensoorten al verzadigend is voor de groei."

Noem een abiotische factor, die niet in deze tekst is genoemd, en die in de beschreven situatie beperkend kan zijn voor de groei van algen.

Ecologie

2/5 Eutrofiëring.
Zie figuur B 1314 van de bijlage.

In de afbeelding is een cel van een draadwier getekend. Een aantal delen is met cijfers aangegeven.

In welk of in welke van de aangegeven delen kan ATP worden omgezet?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/5 Eutrofiëring.

Een deel van het opgenomen fosfaat wordt in het draadwier gebruikt hij de synthese van organische verbindingen zoals ATP.

Noem drie andere organische verbindingen in het draadwier waarin het fosfor uit het fosfaat door chemische omzettingen is ingebouwd.

Ecologie

4/5 Eutrofiëring.

Uit onderzoek blijkt dat algen die een uur voor zonsopgang zijn geoogst, per volume-eenheid een kleinere hoeveelheid koolhydraten bevatten dan algen die 's avonds een uur voor zonsondergang zijn geoogst.

Leg uit waardoor dit verschil in hoeveelheid koolhydraten ontstaat.

Ecologie

5/5 Eutrofiëring.

Onder gunstige omstandigheden verdubbelt de biomassa van eencellige algen zich dagelijks. Bij zaadplanten verloopt een celdeling onder gunstige omstandigheden met gelijke of vaak nog hogere snelheid dan bij eencellige algen. Toch is bij zaadplanten de procentuele toename van de biomassa tijdens de groei ook onder gunstige omstandigheden veel geringer.

Geef een verklaring voor het verschil in procentuele toename van biomassa.

Ecologie

Coniferen.

Als men op een heide jonge coniferen plant, sterft de heidevegetatie langzaam als de coniferen gaan groeien.

Wat is hiervoor de beste verklaring?

Ecologie

1/2 Rijn-Donaukanaal.

Door het graven van het Rijn-Donaukanaal is een verbinding ontstaan tussen twee grote riviersystemen. In De Donau komen andere vissoorten voor dan in de Rijn. Door het kanaal konden bepaalde soorten de andere rivier bereiken. Zo kwam de snoekbaars terecht in het leefgebied van de snoek.
De niche van beide vissoorten komt sterk overeen: het zijn beide grote roofvissen. Maar er zijn ook verschillen.
De snoekbaars is goed in staat om in troebel water zijn prooi te vangen. Hij achtervolgt die prooi en maakt daarbij gebruik van zijn zijlijnorgaan, waarmee hij d.m.v. de registratie van waterstromingen de prooi lokaliseert.
De snoek maakt vooral gebruik van zijn ogen. Hij staat stil in hinderlaag tussen de waterplanten en slaat toe als de prooi langs zwemt.

Wat gebeurde er toen snoekbaars en snoek in elkaars 'vaarwater' kwamen?

Ecologie

Swift vos.
Zie figuur B 5159 van de bijlage.

De Swift vos (Vulpes velox) is een klein zoogdier dat vroeger voorkwam op de prairie in Centraal Canada. Onder andere door de jacht verdween het dier rond 1980 geheel. In een poging tot herstel werden vossen uit de Verenigde Staten geïntroduceerd. Maar het aantal vossen in Canada is nog steeds laag.
Twee leerlingen doen een bewering om dat te verklaren.
Jette: "Er is voedselconcurrentie met coyotes, die intussen in aantal zijn toegenomen."
Lene: "De geïntroduceerde vossen zijn niet aangepast aan de lange en koude Canadese winters."

Wie doet of wie doen een waarschijnlijk juiste bewering?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Kelderslakken.

In Nederland komen twee soorten kelderslakken voor.
Soort I leeft in hetzelfde habitat en bezit dezelfde niche als soort II, als zij gescheiden voorkomen. Waar zij samen voorkomen, zal soort II soort I op den duur verdrijven, doordat soort II de eieren van soort I opeet.

Wat is de juiste omschrijving van hun relatie?