1/2 Indicatoren voor milieuverontreiniging.
Organismen kunnen uitsluitend in leven blijven wanneer de omgeving waarin ze leven voor hen geschikt is. Soorten die alleen aangetroffen worden onder zeer bepaalde omstandigheden en/of in een bepaalde omgeving, kunnen als indicatorsoorten worden gebruikt. Met behulp van deze soorten kan een indruk worden verkregen van de kwaliteit van het milieu.
Twee soorten die kunnen worden gebruikt als indicatoren, zijn:
- een soort kiezelwier die kan leven bij temperaturen tussen -20°C en +36°C en een zoutgehalte tussen 0,00% en 0,03%,
- een garnaalsoort die zich kan handhaven bij temperaturen tussen +20°C en +36°C en een zoutgehalte tussen 0,0% en 0,3%.
De aanwezigheid van deze organismen in oppervlaktewater in Nederland kan bijvoorbeeld worden gebruikt als indicator voor thermische verontreiniging.
De genoemde soort garnaal kan in leven blijven bij zoutgehaltes tussen 0,00% en 0,3%.
Anders gezegd: alle zoutgehaltes tussen 0,00% en 0,3% vormen de/het [invulveld] van deze garnaalsoort voor het zoutgehalte.
Welke term dient op de open plaats in de voorgaande zin te worden ingevuld?