Oefentoets Biologie: Mens-milieu | HAVO 4/HAVO 5 | variant 6

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Mens en Milieu

2/4 Niet langer gezond.

Toename van het aantal algen heeft tot gevolg dat zich minder andere waterplanten kunnen ontwikkelen (regel 5). Dit geldt het eerst voor ondergedoken waterplanten, tengevolge van een verandering van een abiotische milieufactor.

Leg uit waardoor dit het eerst voor ondergedoken waterplanten geldt.

Mens en Milieu

3/4 Niet langer gezond.

In de tekst staat dat door de sterkere omwoeling van het bodemslib, het aantal algen nog verder toeneemt.

Leg uit hoe dit komt.

Mens en Milieu

4/4 Niet langer gezond.

Een grote overmaat aan algen in het water kan tot gevolg hebben dat er vissen doodgaan. Dit gebeurt dan vooral aan het eind van de nacht.

Leg uit hoe het komt dat vissen vooral aan het eind van de nacht doodgaan.

Mens en Milieu

1/3 Verspreidbladig goudveil in de Biesbosch.
Zie figuur B 2572 en figuur B 2576 van de bijlage.

Onlangs is een groeiplaats ontdekt van Verspreidbladig goudveil (Chrysosplenium alternifolium) (zie afbeelding B 2572) in een griendbos in het Brabantse deel van de Biesbosch.

Verspreidbladig goudveil is een onopvallende, overblijvende bosplant met kleine, geel gekleurde helmknoppen en een geelgroene kelk. De plant groeit en bloeit in het voorjaar. In Nederland is Verspreidbladig goudveil een bedreigde soort. Deze soort kwam tot voor kort alleen voor langs heldere bosbeken in Drenthe, Twente en Zuid-Limburg.

Verspreidbladig goudveil plant zich voort door middel van zaden en door middel van uitlopers. De zaadverspreiding vindt plaats met behulp van vallende waterdruppels, waardoor zaden slechts over een geringe afstand worden weggespetterd. De zaailingen concurreren dus met de uitlopers van de eigen 'ouderplant'.

Leg uit dat het produceren van zaden, ook al draagt dit nauwelijks bij aan de verspreiding en aan het aantal nakomelingen, toch van betekenis is voor het voortbestaan van deze plantensoort.



-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Mens en Milieu

2/3 Verspreidbladig goudveil in de Biesbosch.

De bodem van de Biesbosch bevat een grote hoeveelheid zware metalen, afkomstig van het slib van de grote rivieren die door de Biesbosch naar zee stromen. Deze zware metalen komen ook terecht in de organismen. Ze hebben effect bij planten en dieren, zoals wilgen en bevers, maar het effect is verschillend.

Welke van de volgende beweringen over zware metalen is of zijn juist?

1. Zware metalen accumuleren in bevers.
2. Wilgen verliezen jaarlijks een deel van de opgenomen zware metalen als gevolg van de bladval.
3. Zware metalen hechten zich alleen aan dierlijke eiwitten.

Mens en Milieu

3/3 Verspreidbladig goudveil in de Biesbosch.

Overblijvende bosplantensoorten, zoals Verspreidbladig goudveil, hebben hun groei- en bloeiperiode voornamelijk in het vroege voorjaar.
Door één eigenschap van loofbomen gecombineerd met een abiotische factor is het voor sommige bosplanten alleen mogelijk vroeg in het voorjaar te groeien.

Noem deze eigenschap van loofbomen en de betreffende abiotische factor. En vermeld ook de samenhang.

Mens en Milieu

1/2 Indicatoren voor milieuverontreiniging.

Organismen kunnen uitsluitend in leven blijven wanneer de omgeving waarin ze leven voor hen geschikt is. Soorten die alleen aangetroffen worden onder zeer bepaalde omstandigheden en/of in een bepaalde omgeving, kunnen als indicatorsoorten worden gebruikt. Met behulp van deze soorten kan een indruk worden verkregen van de kwaliteit van het milieu.

Twee soorten die kunnen worden gebruikt als indicatoren, zijn:

- een soort kiezelwier die kan leven bij temperaturen tussen -20°C en +36°C en een zoutgehalte tussen 0,00% en 0,03%,
- een garnaalsoort die zich kan handhaven bij temperaturen tussen +20°C en +36°C en een zoutgehalte tussen 0,0% en 0,3%.

De aanwezigheid van deze organismen in oppervlaktewater in Nederland kan bijvoorbeeld worden gebruikt als indicator voor thermische verontreiniging.
De genoemde soort garnaal kan in leven blijven bij zoutgehaltes tussen 0,00% en 0,3%.

Anders gezegd: alle zoutgehaltes tussen 0,00% en 0,3% vormen de/het [invulveld] van deze garnaalsoort voor het zoutgehalte.

Welke term dient op de open plaats in de voorgaande zin te worden ingevuld?

Mens en Milieu

2/2 Indicatoren voor milieuverontreiniging.

Twee meertjes in Nederland worden gedurende enige jaren onderzocht op thermische verontreiniging. Er is sprake van thermische verontreiniging als de temperatuur van het oppervlaktewater voortdurend hoger is dan in natuurlijke omstandigheden.
In meertje 1 wordt steeds alleen de kiezelwiersoort aangetroffen, in meertje 2 steeds de kiezelwiersoort samen met de garnaalsoort. Beide meertjes hebben hetzelfde zoutgehalte.
Op grond van de gegevens kan worden geconcludeerd dat in één van de meertjes sprake is van thermische verontreiniging.

Welk meertje is thermisch verontreinigd? Leg je antwoord uit. Betrek in je uitleg:
- welke soort de indicatorsoort is,
- de normale temperatuur van het oppervlaktewater in Nederland.

Mens en Milieu

1/2 Watervervuiling.

Er is een methode voor het bepalen van de mate van vervuiling van het oppervlaktewater door organische afvalstoffen. Daarbij wordt de hoeveelheid zuurstof gemeten die door organismen in dat water wordt verbruikt.
Deze bepaling wordt als volgt door een onderzoekster uitgevoerd. Zij vult 10 flesjes met het te onderzoeken water. Direct na het vullen meet zij het zuurstofgehalte in 5 flesjes. De andere 5 flesjes zet zij gedurende 5 dagen in het donker bij een temperatuur van 20°C. Na deze 5 dagen meet zij het zuurstofgehalte in deze 5 flesjes.
Wanneer het zuurstofgehalte gedurende deze 5 dagen is afgenomen met meer dan 5 ml/l, zegt men dat het water sterk met organische afvalstoffen is vervuild.

Kan de zuurstof in de flesjes worden verbruikt door autotrofe organismen, door heterotrofe organismen of door beide typen organismen?

Mens en Milieu

2/2 Watervervuiling.

De flesjes worden in het donker bewaard.

Wordt daardoor voorkomen dat er in de flesjes koolstofdioxide wordt geproduceerd, dat er zuurstof wordt geproduceerd of dat er zuurstof wordt verbruikt?

Mens en Milieu

1/3 Accumulatie.
Zie figuur B 5533 van de bijlage.

In de afbeelding hiernaast is een voedselweb te zien met aan de top een steenuil.
In de cirkels staan de accumulatiefactoren van de verschillende schakels van het giftige zware metaal cadmium (in µg/dag). Het cadmium komt uit de bodem van verontreinigde uiterwaarden.

Wordt cadmium door gras uit de bodem opgenomen in de vorm van organische of anorganische verbindingen?

afbeeldingafbeelding

Mens en Milieu

2/3 Accumulatie.
Zie figuur B 5533 van de bijlage.

Welke organismen kunnen het meest effectief worden ingezet om een bodem die sterk vervuild is met cadmium, schoon te maken?

afbeeldingafbeelding

Mens en Milieu

Luchtverontreiniging

Een veel voorkomende vorm van luchtverontreiniging die ernstige irritatie aan de luchtwegen veroorzaakt is de uitstoot van

Mens en Milieu

1/3 Luchtverontreiniging.

Hieronder staat een tabel met de resultaten van luchtverontreinigingsmetingen (jaargemidddelden) in drie verschillende gebieden X, Y en Z.

afbeeldingafbeelding

Gebied Z is waarschijnlijk

Mens en Milieu

3/3 Luchtverontreiniging.

Men gebruikt soms bepaalde soorten als indicator voor milieuverontreiniging.

Bij voorkeur gebruikt men hiervoor soorten die

Mens en Milieu

Luchtvervuiling.

De aanwezigheid van stof, rook en zwaveldioxide in de lucht is vooral een gevolg van

Mens en Milieu

2/2 Rioolwaterlozing.
Zie figuur B 5538 van de bijlage.

Bij punt X in de rivier komt een bepaald soort insect veel meer voor dan verderop in die rivier.

Wat is daarvan de waarschijnlijke oorzaak?

afbeeldingafbeelding