Plantenanatomie
Boomtak.
In een tak van een boom komen onder andere cambium en bastvaten voor.
Waardoor onderscheiden de cellen van het cambium zich van de cellen waaruit de bastvaten bestaan?
Deze oefentoets bevat 46 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
46
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 1, VWO 2, VWO 3
NVON
cc-by-sa-40
Boomtak.
In een tak van een boom komen onder andere cambium en bastvaten voor.
Waardoor onderscheiden de cellen van het cambium zich van de cellen waaruit de bastvaten bestaan?
Specialisatie in een stengel.
Zie figuur B 2506 van de bijlage.
De tekening geeft schematisch een doorsnede weer van een plantenstengel. Over de specialisatie van cellen tijdens de diktegroei van deze stengel worden de volgende beweringen gedaan:
1. Nadat een cambiumcel zich gedeeld heeft, gaan beide dochtercellen zich specialiseren.
2. Specialisatie van cellen treedt op, zowel in richting P als in richting Q (zie tekening).
Is bewering 1 juist?
En bewering 2?
afbeelding
afbeelding
Gespecialiseerde cellen.
In groeiende zaadplanten zijn veel cellen in meer of mindere mate gespecialiseerd. Bij zaadplanten die een bepaalde vorm van diktegroei vertonen, gaan bepaalde gespecialiseerde cellen zich weer delen.
Welke van de volgende cellen in een zaadplant zijn het minst gespecialiseerd en kunnen zich weer gaan delen?
Jaarringen.
Zie figuur A 167 van de bijlage.
De afbeelding geeft een dwarsdoorsnede van een stuk hout weer. Houtvat P is in 1986 gevormd.
In welk jaargetijde en in welk jaar zijn de houtvaten op plaats Q gevormd?
afbeelding
Dwarsdoorsnede van stukje hout.
De tekening stelt een dwarsdoorsnede van een stukje hout voor, gezien door een microscoop.
In de winter 1972-1973 bevond het cambium zich ter hoogte van P.
Wanneer zijn de houtvaten bij Q gevormd?
afbeelding
Doorsnede van jonge wortel.
Zie figuur B 283 van de bijlage.
De tekening stelt schematisch een doorsnede van een jonge wortel voor.
Waar zal bij diktegroei nieuwe bast en waar nieuw hout worden afgezet?
afbeelding
afbeelding
Een boomdoorsnede.
Zie figuur B 256 van de bijlage.
De tekening stelt een deel van een dwarsdoorsnede van een boomstam voor.
Bevindt vat P zich dichter bij het centrum van de stam dan vat Q?
Is vat P ouder dan vat Q?
afbeelding
afbeelding
Bast van een boom.
Zie figuur B 199 van de bijlage.
In 1980 is een hartje uit de bast van een boom gesneden (zie tekening). Gelukkig groeit de boom door.
Hoe zal het hartje in de boom er in 1990 waarschijnlijk hebben uitgezien?
afbeelding
Dwarsdoorsnede van een boomstam.
Zie figuur B 198 van de bijlage.
De tekening stelt een dwarsdoorsnede voor door een deel van een stam van een boom.
Aan welke kant, 1 of 2, bevindt zich het cambium?
Aan welke kant bevindt zich het middelpunt van de stam?
afbeelding
afbeelding
Doorsnedes van een boomstam.
Zie figuur A 66 van de bijlage.
In de tekeningen zijn drie verschillende manieren weergegeven, waarop van het 40 cm dikke hout van de stam van een boom een doorsnede gemaakt kan worden.
1. lengtedoorsnede door de as;
2. een lengtedoorsnede, evenwijdig aan de as, op een afstand van 10 cm van de as;
3. een dwarsdoorsnede, loodrecht op de as.
In welke doorsnede of in welke doorsneden zullen grenzen tussen opeenvolgende jaarringen te zien zijn?
afbeelding
Cambium in boomstam.
Zie figuur B 148 van de bijlage.
De tekening geeft een segment uit de stam van een boompje weer naar de toestand van de winter 1984/1985.
Op welk van de plaatsen P, Q, R of S bevond het cambium zich in de zomer van 1981?
afbeelding
Doorsnedes door een plant.
Zie figuur C 40 van de bijlage.
De tekeningen geven schematisch een dwarsdoorsnede en een lengtedoorsnede van een takje van een zaadplant weer.
Wat geeft P aan?
afbeelding
Een boomstam.
Zie figuur B 128 van de bijlage.
De tekening geeft schematisch een deel van een dwarsdoorsnede van de stam van een enkele jaren oude boom weer. Het kurkcambium vormt naar buiten toe cellen die in de wanden steeds meer kurkstof afzetten. Als de wanden geheel verkurkt zijn, sterven de kurkcellen af.
Welk van de onderstaande weefsels ligt in deze stam het dichtst bij de binnenzijde van het kurkcambium?
afbeelding
Een jaarring.
Zie figuur B 70 van de bijlage.
De tekening geeft schematisch een deel van een dwarsdoorsnede van een boompje met een volgroeide jaarring weer.
Zijn de houtvaten bij P ouder dan die bij Q?
Zijn de houtvaten bij P meestal nauwer dan die bij Q?
afbeelding
afbeelding
Dwarsdoorsnede van deel van stengel.
Zie figuur B 1476 van de bijlage.
De afbeelding toont een dwarsdoorsnede van een gedeelte van een stengel van een zaadplant.
Enkele cellen zijn met cijfers aangegeven.
Welk van de aangegeven cellen zijn het laatst door deling ontstaan?
afbeelding
Groei van boomtak.
Zie figuur B 240 van de bijlage.
Gedurende een seizoen is onder andere het in de tekening aangegeven stuk van een boomtak als gevolg van lengte- en diktegroei ontstaan.
Zal dit stuk het volgende jaar in de lengte groeien?
En in de dikte?
afbeelding
afbeelding
Kurklaagjes.
In de buitenste laag (korst) van de stam van de Grove Den kunnen vele laagjes kurk worden aangetroffen.
Er worden telkens nieuwe laagjes kurk gevormd, omdat de oude kurklaagjes
Wortelgroei.
Een bepaalde meerjarige plant heeft slechts één hoofdwortel, die recht naar beneden groeit. Op een bepaald moment bevinden zich hieraan de wortelharen op 25 cm diepte.
Op hetzelfde moment bevindt zich een litteken aan deze wortel op 5 cm diepte.
Een jaar later bevindt zich het aardoppervlak nog op dezelfde hoogte.
Op welke diepte bevinden zich na dit jaar de wortelharen?
En op welke diepte bevindt zich dan het litteken?
afbeelding
Differentiatie en specialisatie bij planten.
I. Bij de vorming van wortels uit callusweefsel van planten, wordt de oorspronkelijke specialisatie en differentiatie omgezet in een andere.
II. Deze omzetting doet zich bij alle organismen van elk ontwikkelingsniveau voor.
Boomstammen.
Zie figuur B 1102 van de bijlage.
De stam van de middelste boom op de afbeelding is dunner dan die van de beide andere bomen.
Wat kan de oorzaak of wat kunnen de oorzaken zijn?
afbeelding
Celstrekking in een wortel.
Zie figuur A 26 van de bijlage.
De groeistof indolazijnzuur (IAA) heeft invloed op de celstrekking. De invloed van verschillende IAA-concentraties op de celstrekking in wortels van een bepaalde plant kan afgeleid worden uit het afgebeelde diagram.
Nadat een groene plant op de aangegeven wijze (zie tekening) is neergelegd, groeit de worteltop naar beneden.
De IAA-concentratie in ppm in de wortelcellen op de plaatsen P (bovenkant) en Q (onderkant) kan dan geweest zijn:
afbeelding
afbeelding
Groei van kiemplantje.
Een kiemplantje van een eik wordt in een oplossing met voedingszouten geplaatst. Na een jaar is de plant 200 gram zwaarder geworden.
De plant heeft 2 gram van de zouten opgenomen.
Hoeveel water en CO2
heeft de plant opgenomen?
Is er water gebruikt bij de celgroei?
afbeelding
Stengeltop.
In de top van een stengel bevindt zich delingsweefsel.
Door welk proces worden nieuw gevormde cellen even groot als een oorspronkelijke cel vóór de deling?
Wortelgroei van kiemende boon.
Zie figuur B 228 van de bijlage.
Van een kiemende boon wordt de wortel met streepjes gemarkeerd, zoals in tekening 1 is weergegeven.
Na enige dagen van groei wordt de boon opnieuw bekeken. Er is dan een verandering in de onderlinge afstand van de streepjes opgetreden.
In welke tekening is de nieuwe toestand juist weergegeven?
afbeelding
Rijping van appels.
Het plantenhormoon indolazijnzuur (IAA) dat in een appelboom wordt gevormd, heeft tijdens het rijpingsproces van appels een antagonistische werking ten aanzien van het gas ethyleen dat de vruchtrijping bevordert. Ethyleen wordt in de vruchten gevormd in aanwezigheid van zuurstof.
Rijping is een verouderingsverschijnsel waarbij kleur, geur en smaak van de appel veranderen en de appel zachter wordt.
Bij sommige appelrassen rijpen de appels nauwelijks zolang ze nog aan de boom hangen. Pas na het plukken komt de rijping van de appels goed op gang. Ter verklaring van dit verschil in rijpingssnelheid tussen een afgeplukte en een aan de boom hangende appel worden vier beweringen gedaan:
1. Zolang de appel aan de boom hangt, wordt IAA uit andere delen van de boom naar de appel gevoerd.
2. Zolang de appel aan de boom hangt, wordt IAA verbruikt in de groeipunten.
3. Zolang de appel aan de boom hangt, is in de appel geen zuurstof aanwezig voor de vorming van ethyleen.
4. Zolang de appel aan de boom hangt, vindt wateropname in de appel plaats waardoor de ethyleenconcentratie afneemt.
Welke van deze beweringen geeft een verklaring voor het verschil in rijpingssnelheid?
Groei van planten.
Zie figuur B 1121 van de bijlage.
In een experiment bestudeert een onderzoeker de groei van planten uit kiemende erwten. Hij meet de groei door regelmatig het drooggewicht van enkele erwtenplanten te bepalen.
Het drooggewicht is het gewicht van alle delen nadat al het water eruit is verwijderd. Als maat voor de groei van de erwtenplanten is de toename van het drooggewicht genomen die bij deze metingen wordt gevonden. Deze groei is gelijk aan de nettoproductie.
Tijdens het experiment worden alle omstandigheden constant gehouden. De resultaten van het experiment zijn weergegeven in het diagram van de figuur.
De onderzoeker ziet dat de bladeren gaan vergelen en dat de groei van de erwtenplanten in de tiende week tot stilstand komt. Voor het tot stilstand komen van de groei bedenkt hij twee verklaringen:
I. De nettoproductie wordt lager doordat de hoeveelheid weefsel van de erwtenplanten dat aan de fotosynthese bijdraagt, in verhouding tot de totale hoeveelheid weefsel van de plant afneemt.
II. De nettoproductie wordt lager doordat de dissimilatie in de cellen van de erwtenplanten afneemt.
-
afbeelding
Topmeristeem en lengtegroei van stengel.
Om na te gaan of bij planten met bladgroen het topmeristeem van de stengel invloed heeft op de lengtegroei door middel van een hormoon, worden de volgende vier proeven uitgevoerd.
1. De top van de stengel wordt afgesneden. De stengel groeit dan niet meer.
2. De afgesneden top wordt teruggeplaatst op de stengel met een stukje zilverpapier ertussen. De groei wordt dan niet hervat.
3. De afgesneden top wordt op agar-agar geplaatst. Dit agar-agar wordt daarna op de toploze stengel gezet. Deze hervat dan de lengtegroei.
4. Agar-agar dat niet met een top in aanraking is geweest, wordt op een toploze stengel gezet. Deze gaat dan niet groeien.
Welke combinatie van twee van deze proeven toont aan, dat het meristeem uit de top de lengtegroei door middel van een hormoon beïnvloedt?
Groeirichting stengel.
Een plantenstengel wordt horizontaal opgehangen en in het donker geplaatst; de top groeit omhoog.
Een andere stengel van dezelfde plant wordt horizontaal opgehangen en in het donker langzaam om zijn lengte-as gedraaid; de top groeit horizontaal.
Welke conclusie uit deze waarnemingen is juist?
Transport van auxine.
Zie de figuren B 3868 en B 3869 van de bijlage.
Planten groeien mede onder invloed van het groeihormoon auxine. Auxine bevordert de celstrekking en wordt onder andere in de stengeltop van een plant geproduceerd. In een onderzoek naar het transport van auxine worden vier experimenten gedaan.
In experiment 1 wordt een stukje stengel van een plant in drie delen verdeeld: de stengeltop, het middelste deel en het onderste deel. Vervolgens worden de delen weer in dezelfde positie op elkaar gezet. Hierna groeit de stengel door (zie de afbeelding B 3868-links).
In experiment 2 wordt een stukje stengel op dezelfde manier in drie delen verdeeld. Vervolgens wordt het middelste deel omgekeerd teruggeplaatst. Hierna groeit de stengel niet door (zie de afbeelding B 3868-rechts).
Op grond van de resultaten van de experimenten 1 en 2 worden twee vervolgonderzoeken opgezet, de experimenten 3 en 4. In deze experimenten wordt het middelste deel van een overeenkomstig stukje stengel tussen twee blokjes agar geplaatst. Agar is een stof die auxine doorlaat. Aan het bovenste blokje is auxine toegevoegd, aan het onderste blokje niet (zie de afbeelding B 3869-links).
In experiment 3 wordt het stengeldeel rechtop geplaatst. Na enkele uren blijkt auxine in het onderste blokje agar te zijn gekomen.
In experiment 4 wordt het stengeldeel omgekeerd geplaatst. Nu komt geen auxine in het onderste blokje terecht (zie de afbeelding B 3869-rechts).
Formuleer een onderzoeksvraag die met de resultaten van de experimenten 3 en 4 kan worden beantwoord.
-
afbeelding
afbeelding
Transport van auxine.
Zie de figuren B 3868 en B 3869 van de bijlage.
Planten groeien mede onder invloed van het groeihormoon auxine. Auxine bevordert de celstrekking en wordt onder andere in de stengeltop van een plant geproduceerd. In een onderzoek naar het transport van auxine worden vier experimenten gedaan.
In experiment 1 wordt een stukje stengel van een plant in drie delen verdeeld: de stengeltop, het middelste deel en het onderste deel. Vervolgens worden de delen weer in dezelfde positie op elkaar gezet. Hierna groeit de stengel door (zie de afbeelding B 3868-links).
In experiment 2 wordt een stukje stengel op dezelfde manier in drie delen verdeeld. Vervolgens wordt het middelste deel omgekeerd teruggeplaatst. Hierna groeit de stengel niet door (zie de afbeelding B 3868-rechts).
Op grond van de resultaten van de experimenten 1 en 2 worden twee vervolgonderzoeken opgezet, de experimenten 3 en 4. In deze experimenten wordt het middelste deel van een overeenkomstig stukje stengel tussen twee blokjes agar geplaatst. Agar is een stof die auxine doorlaat. Aan het bovenste blokje is auxine toegevoegd, aan het onderste blokje niet (zie de afbeelding B 3869-links).
In experiment 3 wordt het stengeldeel rechtop geplaatst. Na enkele uren blijkt auxine in het onderste blokje agar te zijn gekomen.
In experiment 4 wordt het stengeldeel omgekeerd geplaatst. Nu komt geen auxine in het onderste blokje terecht (zie de afbeelding B 3869-rechts).
Drie leerlingen trekken op grond van de resultaten van de experimenten 1, 2, 3 en 4 de volgende conclusies:
leerling 1: het transport van auxine vindt plaats door de bastvaten;
leerling 2: het transport van auxine vindt plaats van de top van de stengel naar het onderste deel van de stengel;
leerling 3: het transport van auxine vindt plaats van de top van de stengel naar het onderste deel van de stengel door diffusie.
Welke van deze leerlingen trekt een juiste conclusie uit de experimenten 1, 2, 3 en 4?
afbeelding
afbeelding
Groeistof en celstrekking.
In een experiment wordt de invloed van groeistof onderzocht op de celstrekking van een stengel en een wortel van een bepaalde plant. Het blijkt dat bij P mg/l groeistof de celstrekking in de stengel even snel plaats vindt als die in de wortel.
Wordt er minder dan P mg/l groeistof gegeven, dan is de celstrekking in de stengel geringer, maar die in de wortel groter.
De volgende beweringen worden hierover gedaan:
1. P mg/l groeistof ligt voor de stengel tussen optimum en maximum.
2. P mg/l groeistof ligt voor de wortel tussen minimum en optimum.
3. De hoeveelheid groeistof die een optimale groei veroorzaakt, is voor de stengel anders dan die voor de wortel.
Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?
Processen in een aardappel.
Zie figuur A 3 van de bijlage.
Vier processen zijn:
- celstrekking,
- differentiatie,
- plasmagroei,
- specialisatie.
Welk van deze processen heeft vooral de grote lengtegroei van de stengel van de afgebeelde aardappelplant P veroorzaakt?
afbeelding
1/2 Een boom.
Zie figuur B 1513 van de bijlage.
In de afbeelding is een deel van een boom met takken getekend naar de situatie in december 1988. Twee delen zijn aangegeven met de letters Q en R. De boom groeit in 1989 verder zonder dat er takken afvallen. In december 1989 wordt de boom omgezaagd.
Zal één van de delen Q en R in 1989 in lengte zijn toegenomen?
afbeelding
2/2 Een boom.
Zie figuur B 1514 van de bijlage.
De afbeelding stelt een stuk voor van deel R na het omzagen van de boom in 1989.
Welke van de delen E, F en G zijn geheel in 1989 gevormd?
afbeelding
1/5 Groei en ontwikkeling van planten.
Zie figuur A 366 van de bijlage.
Van het Zonneroosje komt een bepaald fenotype voor in het laagland en een ander fenotype hoog in de Alpen. Beide fenotypen zijn weergegeven in de afbeelding.
Het volgende experiment werd gedaan. Zaden van Zonneroosjes werden gezaaid hoog in de Alpen: daar ontwikkelde zich uit deze zaden een groep Zonneroosjes met het alpiene fenotype. Deze Zonneroosjes werden geplaatst in het laagland: daar ontwikkelde een deel van de planten zich tot het laagland-fenotype en een deel behield het alpiene fenotype. Er zijn tijdens het experiment geen mutaties opgetreden.
Waardoor behield een deel van deze Zonneroosjes in het laagland toch een alpien fenotype?
afbeelding
2/5 Groei en ontwikkeling van planten.
Zie figuur A 366 van de bijlage.
Noem twee uiterlijke kenmerken waarin het laagland fenotype en het alpiene fenotype van elkaar verschillen.
afbeelding
3/5 Groei en ontwikkeling van planten.
Zie figuur A 366 van de bijlage.
Noem vier abiotische factoren die deze verschillen in uiterlijke kenmerken kunnen veroorzaken.
afbeelding
4/5 Groei en ontwikkeling van planten.
Zie figuur A 367 van de bijlage.
Planten groeien onder invloed van het groeihormoon auxine. Over de invloed van auxine werden enkele experimenten gedaan.
In experiment 1 werd de eindknop van een plant verwijderd. Vervolgens bleken de okselknoppen uit te lopen.
In experiment 2 werd ook de eindknop van een plant verwijderd. Vervolgens werd op de afgesneden stengel een agarblokje met auxine geplaatst. In experiment 2 bleken de okselknoppen niet uit te lopen (zie de afbeelding).
Geef met behulp van bovenstaande gegevens een verklaring voor de resultaten van de experimenten 1 en 2.
afbeelding
5/5 Groei en ontwikkeling van planten.
Zie figuur A 367 van de bijlage.
Planten groeien onder invloed van het groeihormoon auxine. Over de invloed van auxine werden enkele experimenten gedaan.
In experiment 1 werd de eindknop van een plant verwijderd. Vervolgens bleken de okselknoppen uit te lopen.
In experiment 2 werd ook de eindknop van een plant verwijderd. Vervolgens werd op de afgesneden stengel een agarblokje met auxine geplaatst. In experiment 2 bleken de okselknoppen niet uit te lopen (zie de afbeelding).
In bovenstaande gegevens is geen controle voor experiment 2 beschreven.
Beschrijf een controle voor experiment 2. Voor dit controle-experiment heb je dezelfde materialen ter beschikking als in de experimenten 1 en 2.
afbeelding
1/2 Auxine.
Zie figuur B 2989 van de bijlage.
Hormonen verzorgen de communicatie tussen cellen. Het bekendste plantenhormoon is auxine. Auxine bevordert onder meer de lengtegroei van bovengrondse delen van planten.
Auxine kan zowel geïoniseerd als niet-geïoniseerd voorkomen. De molecuulstructuur van auxine, indol-3-acetyl-zuur ofwel IAA, is in de afbeelding weergegeven.
Voor de productie van auxine nemen planten, naast water, stikstofhoudende en koolstofhoudende verbindingen op.
Welke stikstofhoudende en koolstofhoudende verbindingen nemen planten hiervoor op?
afbeelding
2/2 Auxine.
Zie figuur A 736 van de bijlage.
Transport van auxine vindt onder andere plaats van cel naar cel in de vorm van het ion (A-) of als molecuul (AH). Vanuit de groeipunten in de stengel verplaatst auxine zich in de richting van de wortels van de plant. Dit proces is schematisch weergegeven in de afbeelding.
Enkele processen die bij dit transport een rol spelen zijn in de afbeelding weergegeven:
1. transport van AH door de celwanden;
2. transport van AH door het celmembraan aan de bovenzijde van de cel;
3. het ioniseren van AH tot A- in het celplasma;
4. het handhaven van een pH-gradiënt tussen de celwand en het celplasma;
5. het transport van A- door het celmembraan aan de onderzijde van de cel.
Bij welk of bij welke van deze processen wordt ATP verbruikt?
afbeelding
Dendrochronologie.
Dendrochronologie is een methode om met behulp van reeksen jaarringen de ouderdom van een stuk hout te bepalen. Deze methode berust op het principe dat de groeiomstandigheden van bomen elk jaar anders zijn.
Daardoor
Groei van gras.
Groeit gras 's nachts door?
Parenchym.
Zie figuur B 5769 van de bijlage.
In de afbeelding hiernaast zijn parenchymcellen afgebeeld.
Welke bewering is of welke beweringen met betrekking tot parenchymcellen zijn waar?
afbeelding
Fototropie en geotropie.
Zie figuur B 5790 van de bijlage.
In de afbeelding hiernaast is het experiment van Frits W. Went weergegeven.
Oat coleoptile = haver coleoptiel.
Met blauw is een agar-agar blokje weergegeven.
Wat is de conclusie die primair uit dit experiment kan worden getrokken?
afbeelding