Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | VWO 5/VWO 6 | variant 7

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Boom met ringwond.
Zie figuur A 97 van de bijlage.

Bij een boom wordt een ringwond aangebracht (zie tekening). Na enige tijd blijkt de boom dood te gaan. Men doet hierover de volgende beweringen:

1. De boom gaat dood doordat de wateraanvoer naar de bladeren meteen wordt verstoord.
2. De boom gaat dood doordat de wortels te weinig reservevoedsel bevatten.
3. De boom gaat dood doordat zich beneden de wond geen bladeren of takken bevinden.
4. De proef betreft een eenzaadlobbige plant.

Welke beweringen zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Boom met ringwond.
Zie figuur A 97 van de bijlage.

Van een jonge boom wordt een ring weggesneden tot op het hout (zie tekening).

Is het mogelijk, dat een dag later in de stam boven de ringwond, watertransport plaatsvindt ten gevolge van verdamping?
En tengevolge van worteldruk?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Plantencellen onder stroom.
Zie figuur B 1120 van de bijlage.

In experimenten wordt de geleiding van elektrische stroom tussen twee plantencellen met bladgroen (P en Q) bestudeerd. De proefopstellingen zijn schematisch weergegeven in de afbeelding.
Twee elektroden staan in verbinding met een spanningsbron. In experiment 1 steekt één elektrode in cel P, de andere elektrode rust op de wand van cel Q. In dit experiment wordt geen elektrische stroom tussen de elektroden gemeten.
Vervolgens blijft in experiment 2 één elektrode in cel P, de andere elektrode wordt in cel Q gestoken. Nu wordt er wel een elektrische stroom tussen de elektroden gemeten.

Welke van onderstaande conclusies kan op grond van deze experimenten juist zijn?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Stevigheid van kruidachtige planten.

De stevigheid van kruidachtige planten komt voor een belangrijk deel tot stand door

Plantenfysiologie

Kiemplantjes en zoutoplossing.

Bij een experiment worden twee kiemplantjes uit de grond getrokken.
Het eerste plantje wordt in een geconcentreerde zoutoplossing geplaatst, het tweede in een sterk verdunde zoutoplossing. Het eerste plantje verwelkt, het tweede blijft stevig.

Uit dit experiment blijkt dat

Plantenfysiologie

Schimmels en planten.

Sommige hogere planten leven samen met lagere planten, zoals bij voorbeeld een schimmel. De schimmeldraden leven op en soms tussen de wortelcellen van de hogere planten in. De schimmeldraden hebben een functie van cellen in de wortel overgenomen. Dit blijkt uit het feit dat radioactieve stoffen, die in de grond worden gebracht, alleen in de wortel worden teruggevonden als de schimmeldraden aanwezig zijn.

Welke functie hebben de schimmeldraden waarschijnlijk overgenomen?

Plantenfysiologie

Autotrofe planten.

Er zijn autotrofe planten die insecten vangen en verteren en er zijn autotrofe planten die samenleven met bacteriën die vrije stikstof kunnen binden.

Deze planten groeien in het algemeen op een bodem die

Plantenfysiologie

Invloed temperatuur op plant.
Zie figuur B 1122 van de bijlage.

Een plant met bladgroen wordt gedurende 10 uur onderzocht in een omgeving waarin de temperatuur van de lucht varieert. De plant vangt zonlicht optimaal op. De lucht is droog en de plant kan voldoende water uit de bodem opnemen.
Op tijdstip t wordt een blad van deze plant afgesneden en naast de plant gehangen. Gedurende de waarnemingsperiode wordt regelmatig de temperatuur bepaald van de lucht, van het afgesneden blad en van een even groot blad dat aan de plant zit. De resultaten zijn weergegeven in het diagram van de afbeelding.

Voor het feit dat de temperatuur van het blad aan de plant na tijdstip t minder stijgt dan die van het afgesneden blad, worden vier verklaringen geopperd:

1. Het blad aan de plant verbruikt meer opgenomen energie voor de dissimilatie dan het afgesneden blad.
2. Door het blad aan de plant wordt licht geabsorbeerd en door het afgesneden blad niet.
3. Uit het blad aan de plant verdampt meer water dan uit het afgesneden blad.
4. Uit het blad aan de plant worden de gevormde assimilatieproducten afgevoerd en uit het afgesneden blad niet; hierdoor is de warmteproductie in het blad aan de plant lager.

Welke van deze verklaringen is juist?



-

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Zomer- en wintertarwe.

Als zomertarwe en wintertarwe in het voorjaar gezaaid worden, dan bloeit in de zomer alleen de zomertarwe. Als de zaden van wintertarwe echter vóór het zaaien aan een lage temperatuur worden blootgesteld, en vervolgens in het voorjaar gezaaid worden, dan kunnen de planten die uit deze zaden ontstaan wèl dezelfde zomer bloeien.

Kan het verschil tussen zomertarwe en (onbehandelde) wintertarwe door een verschil in genotype veroorzaakt worden?
Wordt het verschil tussen onbehandelde en aan koude blootgestelde wintertarwe veroorzaakt door een verschil in genotype?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Wortelstek.

Een stek met wortels van een groene plant neemt gedurende enige tijd radioactief nitraat (15 NO3 - ) op in plaats van normaal nitraat (14 NO3 - ). Zodra in de stengel radioactiviteit aangetoond kan worden, wordt de stek op een verse, niet radioactieve voedingsoplossing overgebracht. Deze oplossing bevat normaal nitraat.
Na één uur kan in de stengel geen radioactiviteit meer worden aangetoond; nog een uur later blijkt de stengel wederom radioactief.

In welk deel van de stengel bevinden zich dan deze radioactieve stoffen?
Kunnen deze radioactieve stoffen aminozuren zijn?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Toedienen van radioactief CO2 aan plant.

De bladeren van een tak krijgen overdag CO2 toegediend, waarvan de C radioactief is.

In welk weefsel van deze tak zal deze radioactieve C het eerst aangetroffen kunnen worden?

Plantenfysiologie

Ionentransport.

Een plant met bladgroen neemt ionen uit de bodem op. De concentratie van een aantal ionen in de bodem en in de vloeistof in de houtvaten is vermeld in de onderstaande tabel.
afbeeldingafbeelding

Waardoor is de ionenconcentratie van de vloeistof in de houtvaten anders dan die in de bodem?

Plantenfysiologie

Toedienen van radioactief CO2 aan plant.

Een plant met bladgroen wordt in een verlichte ruimte gebracht. Deze ruimte bevat koolstofdioxide, waarvan de C-atomen radioactief zijn.

In welk deel van de wortel van deze plant kan het eerst deze radioactieve C aangetoond worden als onderdeel van een organische verbinding?

Plantenfysiologie

Stek van plant in gekleurd water.

De celmembranen van een bepaalde plant laten een bepaalde kleurstof niet door. Een stek van die plant, zonder wortels, wordt in een oplossing van deze kleurstof gezet. De stek neemt met water ook de kleurstof op. Zodra de kleurstof zich in een blad van de stek heeft verspreid, wordt een preparaat van dit blad gemaakt.
De volgende delen worden onderzocht op de aanwezigheid van de kleurstof:

1. cytoplasma van bastvaten,
2. vacuolen van bladmoescellen,
3. celwanden van bladmoescellen,

In welk deel of in welke delen wordt de kleurstof aangetroffen?

Plantenfysiologie

Transport van water in wortel.
Zie figuur B 181 van de bijlage.

De tekening geeft de bouw van een wortel van een vaatplant weer.
Een watermolecuul uit de bodem wordt in deze plant gebruikt voor de fotosynthese in een blad.

Is dit watermolecuul door een celmembraan gegaan?
Zo ja, hoe vaak minstens?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Transport door celmembraan.

Een bepaalde cel is in staat een stof Q door het celmembraan heen uit het milieu op te nemen.
Experimenten tonen het volgende aan:

1. stof Q wordt vaak opgenomen vanuit een oplossing waarin de concentratie van stof Q lager is dan in de cel;
2. de opname van stof Q vindt alleen plaats in aanwezigheid van zuurstof;
3. de opname van stof Q is afhankelijk van de temperatuur en deze afhankelijkheid blijkt een optimum te vertonen.

Waaruit blijkt dat de opname van stof Q niet uitsluitend op diffusie kan berusten?

Plantenfysiologie

Transport in planten.

Een landplant neemt water en onder andere fosfaationen uit de bodem op.

Door welk proces of door welke processen vindt het transport van water plaats vanuit de bodem tot in de houtvaten van de wortel?
En het transport van fosfaationen?

Plantenfysiologie

Een jonge boom.
Zie de figuren B 367 en B 1475 van de bijlage.

Gedurende een etmaal in de zomer werd in Nederland de diameter van de stam van een jonge boom gemeten. De resultaten van de metingen zijn weergegeven in het afgebeelde diagram. Op de X-as van het diagram is dit etmaal uitgezet, maar de uren zijn niet ingevuld. De invloed van de worteldruk op het vloeistoftransport werd als constant beschouwd.

Op welke van de X-assen zijn in de figuur B 1475 de uren van dit etmaal juist weergegeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Eiwitsynthese in plant.

Eiwitten worden in een groene plant gesynthetiseerd uit de grondstoffen:

Plantenfysiologie

Nitraatopname.
Zie figuur B 7 van de bijlage.

Bij bepaalde planten wordt het verband onderzocht tussen nitraatopname door de wortel en nitraatconcentratie van het milieu, bij verschillende temperaturen.

In het diagram B 7 staat de nitraatopname uitgezet tegen de nitraatconcentratie in het milieu.

Uit de resultaten blijkt dat de nitraatopname kan berusten op

afbeeldingafbeelding