Oefentoets Biologie: Ecologie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 7

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

5/5 Witte klaver.
Zie figuur E 42 van de bijlage.

Het resultaat van de vijfde meting (V) van experiment P wordt vergeleken met het resultaat van de vijfde meting (V) van experiment S. Deze metingen zijn in het begin van het voorjaar uitgevoerd.
Een leerling beweert dat het verschil in resultaat bij experiment P en S het gevolg is van een verschil in microklimaat.

Beschrijf het verschil in resultaat van experiment P en experiment S bij meting V.
Leg uit dat een verschil in microklimaat een verklaring kan zijn voor deze resultaten.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/2 Bos-ecosystemen.

Voor drie verschillende bos-ecosystemen in de Verenigde Staten, een gemengd loofbos, een dennenbos en een sparrenbos, is de kringloop van koolstof onderzocht. Enkele resultaten van het onderzoek zijn weergegeven in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding

Hoe groot is de bruto primaire productie van het ecosysteem dennenbos (in tonnen koolstof per hectare per jaar)?

Ecologie

2/2 Bos-ecosystemen.

De verhouding tussen de bruto primaire productie en de dissimilatie van de autotrofe plus die van de heterotrofe organismen verandert in de loop van de tijd. Van twee soortgelijke sparrenbossen (P en Q) is deze verhouding berekend. Bij bos P is de waarde 1,1 en bij bos Q is de waarde 1,5. Ga ervan uit dat er geen verstoring is opgetreden.

Leg uit welk sparrenbos ouder is.

Ecologie

1/7 Bossen en weiden.

In de tabel hieronder zijn enkele kenmerken van een tropisch regenwoud gezet naast die van een beukenbos in Nederland.
afbeeldingafbeelding

Een leerlinge leest de volgende tekst:

Tekst:
Het kappen van 100 m2 regenwoud veroorzaakt een grotere verstoring dan het kappen van 100 m2 beukenbos. Het regenwoud herstelt zich niet of zeer langzaam, het beukenbos herstelt zich vrij snel.
Vooral de hoge snelheid van mineralisatie van organische stoffen heeft een negatieve invloed op het herstel van het regenwoud.

Zie volgende scherm

Ecologie

2/7 Bossen en weiden.

De leerlinge had verwacht dat de hoge snelheid van mineralisatie een positieve invloed zou hebben op het herstel van het regenwoud. Zij bestudeert de tabel hierboven.

Waardoor heeft, na het kappen, de hoge snelheid van mineralisatie deze negatieve invloed op het herstel van het regenwoud?

Ecologie

3/7 Bossen en weiden.

Op de plaats van het gekapte regenwoud kan opnieuw bos ontstaan; dit is secundair tropisch regenwoud.

Is het aantal soorten in secundair tropisch regenwoud kleiner dan, gelijk aan of groter dan dat in primair tropisch regenwoud?

Ecologie

4/7 Bossen en weiden.

Een open plek (P) die in het beukenbos is ontstaan door het kappen, wordt vergeleken met het omringende beukenbos (Q). Daartoe worden metingen verricht op 1 meter boven het grondoppervlak.

Noem drie abiotische factoren die op de gemeten hoogte op plek P meer aan verandering onderhevig zijn dan in Q en geef aan hoe deze factoren op deze plaatsen van elkaar verschillen.

Ecologie

5/7 Bossen en weiden.
Zie figuur C 122 van de bijlage.

Bij de beuk is de bouw van de bladeren die zich in de zon bevinden, anders dan die van de bladeren die zich in de schaduw bevinden (zie afbeelding). Wanneer de hoeveelheid licht die op een blad valt groter is dan 4 mW/cm2 is de fotosynthese-activiteit (ml CO2 /cm2 bladoppervlak) in zonnebladeren groter dan in schaduwbladeren.
Drie kenmerken van zonnebladeren in vergelijking met schaduwbladeren zijn:

1. dikkere waslaag,
2. groter aantal huidmondjes per cm2 bladoppervlak,
3. grotere hoeveelheid assimilerend weefsel per cm2 bladoppervlak.

Elk van deze drie kenmerken draagt bij tot de grotere fotosynthese-activiteit.

Leg bij elk van deze drie kenmerken uit op welke wijze dit kenmerk een bijdrage levert aan de grotere fotosynthese-activiteit van de zonnebladeren wanneer de hoeveelheid licht die op een blad valt groter is dan 4 mW/cm2 .

afbeeldingafbeelding

Ecologie

6/7 Bossen en weiden.
Zie figuur B 1998 van de bijlage.

In het beukenbos en een daaraan grenzend weiland leven dieren. Van deze dieren kan de energie-opname en het energieverbruik worden bepaald. In de afbeelding zijn modellen van energiestromen voor een planteneter (b.v. konijn) en een gewervelde vleeseter (b.v. vos) weergegeven.
De productiviteit-efficiëntie (P/A) van de vleeseter in de afbeelding is 2%.

Bereken de productiviteit P in kJ voor de vleeseter als I een energie-inhoud heeft van 100 kJ. Geef je antwoord in één decimaal.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

7/7 Bossen en weiden.

De assimilatie-efficiëntie (A/I) is bij de planteneter 50% en bij de vleeseter 80%. Over het ontstaan van het verschil in A/I worden de volgende beweringen gedaan:

1. Een vleeseter moet jagen voor het verkrijgen van voedsel; hiervoor wordt veel energie verbruikt, zodat weinig ontlasting overblijft.
2. Een vleeseter eet voedsel dat minder onverteerbare bestanddelen bevat dan dat van een planteneter, zodat weinig ontlasting overblijft.

Welke van deze beweringen geeft of welke geven een verklaring voor het verschil in assimilatie-efficiëntie?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 Ecosystemen.

Verdroging van gebieden in Nederland kan zowel door natuurlijke oorzaken als door menselijk ingrijpen plaatsvinden. In landinrichtingsgebieden heeft verbetering van de afwatering geleid tot een gemiddelde grondwaterstandsdaling van 35 cm in de periode 1955-1975. Plaatselijk is de grondwaterstand met meer dan 1 meter gedaald onder meer als gevolg van toegenomen grondwaterwinning. De daling van de grondwaterstand kan leiden tot een verhoogde vorming van zouten, met name van nitraat, uit dood organisch materiaal in de bodem.

Leg uit, met behulp van de stikstofkringloop, op welke wijze een daling van de grondwaterstand kan leiden tot een verhoogde vorming van nitraat in de bodem.

Ecologie

2/4 Ecosystemen.

afbeeldingafbeelding

Acht mogelijke gebeurtenissen in landbouwgebieden zijn:

1. meer sulfaat en meer fosfaat worden gebonden;
2. minder sulfaat en minder fosfaat worden gebonden;
3. afname van de hoeveelheid algen en andere 'snelle' groeiers in slootwater;
4. toename van de hoeveelheid algen en andere 'snelle' groeiers in slootwater;
5. afname van sulfaat- en fosfaatconcentratie in slootwater;
6. toename van sulfaat- en fosfaatconcentratie in slootwater;
7. afname van de hoeveelheid plantaardig dood organisch materiaal;
8. toename van de hoeveelheid plantaardig dood organisch materiaal.

De vraag is wat er volgens de gegevens in de tekst gebeurt vanaf het moment dat men rivierwater heeft ingelaten en dit water is doorgedrongen tot het grondwater, tot er sprake is van snellere verlanding van sloten.

Welke van de gebeurtenissen 1 tot en met 8 treden in welke volgorde op bij snellere verlanding van sloten?

Ecologie

3/4 Ecosystemen.
Zie figuur C 285 van de bijlage.

Het kappen van bossen kan in bepaalde situaties leiden tot de vorming van veen. Veen bestaat uit gedeeltelijk omgezet plantaardig materiaal. Veenvorming vindt meer plaats op vlakke bodems dan op steile hellingen.
In de schema's van de afbeelding is een deel van de kringloop van water (en waterdamp) weergegeven in een bos op een vlakke bodem en in een bos op een hellende bodem.
Tevens is weergegeven hoe deze delen van kringlopen zijn veranderd na het kappen van de bossen. In deze schema's geeft de dikte van de pijlen de relatieve hoeveelheid water weer.

Leg uit , met gebruikmaking van de gegevens in de afbeelding, waardoor veenvorming na het kappen van de bossen vooral op een vlakke bodem plaatsvindt en nagenoeg niet op een hellende bodem.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Ecosystemen.
Zie figuur C 286 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch de productie van een loofbos in gematigde delen van Europa weer. Met productie wordt in de afbeelding de hoeveelheid geproduceerde stof (in kg droge massa per hectare per jaar) bedoeld. De omvang van deze productie is in de afbeelding met getallen aangegeven.

Bereken hoeveel procent van de totale productie afkomstig is van de in het schema genoemde bovengrondse houtige delen. Rond je uitkomst af op een geheel getal.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/3 In een ecosysteem.
Zie figuur A 621 van de bijlage.

Aan de Noordwestkust van de Verenigde Staten van Amerika leven op de vloedgrens allerlei organismen, zoals verschillende soorten algen, mosselen, zeepokken, slakken en zeesterren. Een deel van het voedselweb van deze levensgemeenschap is weergegeven in de afbeelding.

Hoe wordt de in de afbeelding weergegeven voedselrelatie tussen de zeester en de zeeslak genoemd?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 In een ecosysteem.

Bij het begin van een onderzoek naar relaties in dit voedselweb werden in het voedselweb vijftien verschillende soorten onderscheiden. Tijdens het onderzoek verwijderde de onderzoeker gedurende enkele jaren steeds alle zeesterren in een geïsoleerd gedeelte van deze kust. Binnen enkele maanden na het begin van het onderzoek kregen de zeepokken de kans zich sterk uit te breiden, maar in een latere fase werden de zeepokken van hun plaats verdrongen door de mosselen. Uiteindelijk waren er van de oorspronkelijke vijftien soorten in het voedselweb nog slechts acht over en de mosselen hadden de overhand.
Twee leerlingen trekken uit dit onderzoek de volgende conclusies:

leerling 1 zegt: Mosselen concurreren met zeepokken om hetzelfde voedsel.
leerling 2 zegt: Mosselen planten zich sneller voort dan zeepokken.

Welke van deze leerlingen trekt of welke trekken een conclusie die op grond van bovenstaande gegevens juist is?

Ecologie

3/3 In een ecosysteem.
Zie figuur B 2749 van de bijlage.

In de afbeelding zijn de energiestromen op een trofisch niveau n weergegeven.

Over de energiestroom Rn in de afbeelding worden de volgende beweringen gedaan:

1. Rn geeft de mate van koolstofassimilatie aan op trofisch niveau n.
2. Rn geeft de mate van voortgezette assimilatie aan op trofisch niveau n.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/2 Ecosystemen.

In een bepaald gebied is in de loop van honderd jaar een climax-ecosysteem ontstaan. In dit climax-ecosysteem bevindt zich een grote biomassa van producenten. Enkele beweringen over dit climaxstadium zijn:

1. in het climaxstadium bestaan sterk gespecialiseerde niches;
2. in het climaxstadium neemt de totale biomassa nauwelijks toe;
3. in het climaxstadium bevindt zich het grootste deel van de biomassa van producenten in weefsels waarin fotosynthese plaatsvindt;
4. in het climaxstadium overheerst de activiteit van de reducenten die van de producenten.

Geef van elk van deze beweringen aan of die juist of onjuist is. Leg je antwoorden uit.

Ecologie

2/2 Ecosystemen.
Zie figuur B 1597 van de bijlage.

De volgende groepen organismen en stoffen komen voor in een koolstofkringloop: CO2 , konijnen, kruidachtige planten, vossen, rottingsbacteriën en dood organisch materiaal.

Zie figuur B 1597 van de bijlage.

Plaats de namen van bovengenoemde stoffen en organismen in de hokjes.
Verbind de hokjes met pijlen zodat de koolstofkringloop wordt gesloten.
Plaats daarbij alle voor deze koolstofkringloop relevante pijlen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/15 Ecosystemen.
Zie figuur C 120 van de bijlage.

In het schema in de afbeelding zijn de compartimenten op aarde waarin zich koolstof bevindt, weergegeven als blokken. Alleen de compartimenten B, en B2 bevatten organismen. De koolstofstromen tussen de compartimenten zijn uitgedrukt in gigaton (= 1012 kg) koolstof per jaar.

In welke van de compartimenten neemt de hoeveelheid koolstof toe volgens het schema in de afbeelding?

afbeeldingafbeelding