Ecologie
Een loofbos.
Zie figuur B 1235 van de bijlage.
In de afbeelding is de begroeiing van een deel van een loofbos getekend. Twee lagen zijn genummerd.
Hoe wordt laag 1 genoemd?
En hoe laag 2?
afbeelding
afbeelding
Deze oefentoets bevat 26 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
26
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 4, VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
Een loofbos.
Zie figuur B 1235 van de bijlage.
In de afbeelding is de begroeiing van een deel van een loofbos getekend. Twee lagen zijn genummerd.
Hoe wordt laag 1 genoemd?
En hoe laag 2?
afbeelding
afbeelding
Successie in een ecosysteem.
Bij een ecosysteem in successie veranderen de diversiteit en het voedselweb.
Wordt de diversiteit groter of kleiner?
Wordt het voedselweb eenvoudiger of ingewikkelder?
afbeelding
Een populatie.
Zie figuur B 1318 van de bijlage.
In de afbeelding is de verdeling van verschillende leeftijdsklassen in een populatie van een bepaalde diersoort schematisch weergegeven. Elke tekening geeft deze verdeling weer op een ander tijdstip gedurende de ontwikkeling van deze populatie in een successiereeks.
In welke volgorde volgen deze verdelingen van leeftijdsklassen elkaar in de tijd op gedurende de beginperiode van een successiereeks?
afbeelding
Braakleggen van akkers.
In een beheersexperiment wordt het braak liggen van akkers bestudeerd. De onderzoeker laat één van de akkers gedurende vijf jaar braak liggen. Na deze vijf jaar constateert hij dat op deze akker successie heeft plaatsgevonden. Zijn constatering berust op zijn waarneming van
de diversiteit aan soorten en het aantal gespecialiseerde nissen.
Noem vier andere kenmerken van successie.
Schiermonnikoog groeit.
Zie figuur E 45 van de bijlage.
Onder invloed van wind en water verandert de grootte van het waddeneiland Schiermonnikoog voortdurend. In de afbeelding is de toename van de oostelijke helft van dit waddeneiland in de loop van de tijd weergegeven.
In dit deel van het eiland ontstaan jonge kwelders, ook wel schorren genaamd. Tijdens hoogwater wordt door het zeewater klei afgezet. De jonge kwelder raakt begroeid met planten zoals zeekraal en gerande zeespurrie. Enige tientallen jaren later bestaat de begroeiing uit kweldergras, schorrenzoutgras en zeeweegbree, waarna houtige struiken zoals zeealsem en gewone zoutmelde zich kunnen vestigen. De kwelder is dan ook bevolkt met insecten, aaltjes, hazen en konijnen.
Tijdens deze successie veranderen de abiotische omstandigheden op de schorren.
Beschrijf drie veranderingen die optreden in het abiotische milieu en die een bijdrage leveren aan de successie.
afbeelding
1/4 Eencelligen in hooiwater.
Zie figuur A 266 van de bijlage.
Een leerlinge heeft een bekerglas met water en hooi gedurende enige tijd gekookt. Vervolgens laat zij het bekerglas enkele dagen open staan. In dit hooiwater ontwikkelen zich alleen heterotrofe bacteriën. Zij laat dan enkele druppels slootwater in het hooiwater vallen en dekt het bekerglas af. In het slootwater bevinden zich geen bacteriën en schimmels, maar alleen andere heterotrofe eencelligen. Hierna bepaalt zij van tijd tot tijd de grootte van de populaties van de aanwezige soorten. De resultaten van deze bepalingen zijn weergegeven in het diagram. De bacteriën zijn in het diagram weggelaten.
Naar aanleiding van het diagram worden de volgende beweringen gedaan:
1. Tussen dag 40 en dag 50 neemt de totale biomassa in het bekerglas toe.
2. In dit bekerglas is sprake van successie.
3. In dit bekerglas kan sprake zijn van competitie.
Leg uit of bewering 1 juist of onjuist is.
afbeelding
2/4 Eencelligen in hooiwater.
2. In dit bekerglas is sprake van successie.
Leg uit of bewering 2 juist of onjuist is.
3/4 Eencelligen in hooiwater.
3. In dit bekerglas kan sprake zijn van competitie.
Leg uit of bewering 3 juist of onjuist is.
4/4 Eencelligen in hooiwater.
Over het theoretisch na zeer lange tijd te verwachten aantal zich delende bacteriën en andere zich delende heterotrofe eencelligen in het bekerglas worden de volgende beweringen gedaan:
1. Het aantal zich delende bacteriën zal tot nul afnemen.
2. Het aantal andere zich delende heterotrofe eencelligen zal tot nul afnemen.
3. Er zal een climaxstadium ontstaan waarin bacteriën en een aantal andere soorten heterotrofe eencelligen in stabiel natuurlijk evenwicht voorkomen.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
1/5 Rotganzen op Schiermonnikoog.
afbeelding
2/5 Rotganzen op Schiermonnikoog.
Uit de tekst is een aantal kenmerken van successie af te leiden.
Schrijf twee algemene kenmerken van successie op waarvan in de tekst een voorbeeld wordt gegeven.
- Noteer bij beide kenmerken de regelnummers in de tekst waarin je een voorbeeld van deze kenmerken aantreft.
3/5 Rotganzen op Schiermonnikoog.
Zie figuur B 3921 van de bijlage.
Konijnen zijn vooral actief in de duinen, hazen in duin en kwelder en de ganzen grazen vooral op de kwelder. Hazen eten -net als de ganzen- bij voorkeur vers kweldergras, maar dragen bij aan het vertragen van de successie door in een bepaalde tijd over te stappen op een andere voedselbron.
Onderzocht is wat de invloed van de haas is op de groei van zoutmelde en op de aantallen rotganzen op de kwelder. De resultaten zijn in de twee diagrammen van de afbeelding weergegeven.
Geef aan de hand van deze twee diagrammen een verklaring voor de invloed van de haas op de rotgansdichtheid.
afbeelding
4/5 Rotganzen op Schiermonnikoog.
Zie figuur B 3921 van de bijlage.
Een veldonderzoek heeft geleid tot de resultaten die in diagram 2 zijn weergegeven.
Beschrijf in maximaal drie zinnen hoe dit veldonderzoek concreet zal zijn uitgevoerd.
afbeelding
5/5 Rotganzen op Schiermonnikoog.
De rotganzen bezoeken Schiermonnikoog in het voorjaar en trekken daarna weldoorvoed naar het noorden om te gaan nestelen. Ze grazen overdag. De hazen wagen zich in die periode pas in de avonduren op de kwelder om te grazen. Wanneer onderzoekers een plek alleen tegen ganzen afschermen, blijken de hazen er overdag vaker te foerageren.
Hoe wordt de relatie tussen hazen en rotganzen op de kwelder genoemd?
1/2 Successie.
In de begroeiing van een tropisch regenwoud kan een open plek ontstaan. Op deze open plek kan successie plaatsvinden.
Zes kenmerken van plantensoorten zijn:
1. ontkieming vindt plaats in zonlicht;
2. de kiemplanten overleven niet onder een bladerdek;
3. er worden grote aantallen kleine zaden gevormd;
4. zaadvorming vindt plaats in een bepaald seizoen;
5. verspreiding van zaden gebeurt door de zwaartekracht over een kleine afstand;
6. de zaden zijn in kiemrust aanwezig in de bodem als zaadbank.
Welke kenmerken passen bij de plantensoorten die zich als eerste op een open plek vestigen?
2/2 Successie.
Zie figuur B 2978 van de bijlage.
Het verloop van de successie in een ecosysteem wordt in de afbeelding met drie verschillende parameters weergegeven. Grafiek P geeft de bruto-productie weer, grafiek Q de totale biomassa en grafiek R de totale dissimilatie.
Op grond van de gegevens in de afbeelding is het verloop van de nettoproductie in dit ecosysteem te bepalen.
In de uitwerkbijlage is het diagram van de afbeelding opgenomen.
Geef hierin het verloop van de nettoproductie aan. Voeg een legenda toe.
afbeelding
1/2 Successie.
Zie figuur B 2421 van de bijlage.
Successie is het resultaat van complexe interacties van biotische en abiotische factoren. Het verloop van een successie in een bepaald ecosysteem op het land kan met verschillende parameters worden weergegeven. Enkele parameters waarmee het verloop van de ongestoorde successie in dit ecosysteem kan worden vastgesteld, zijn de totale biomassa (B), de netto primaire productie (P) en de verhouding tussen deze twee, de P/B ratio.
Zie figuur B 2421 van de bijlage.
In het diagram van de afbeelding zijn drie grafieken getekend die B, P en P/B ratio weergeven.
Welke van de grafieken 1, 2 en 3 geeft de biomassa weer? Grafiek [invulveld]
afbeelding
2/2 Successie.
Het verloop van de successie kan eveneens worden vastgesteld door de verhouding te berekenen tussen de bruto primaire productie (Q) en de mate waarin de respiratie (= de afbraak van organische stoffen door dissimilatie) plaatsvindt: de Q/R ratio.
Is de Q/R ratio in het climaxstadium kleiner dan 1, ongeveer gelijk aan 1 of groter dan 1?
Climaxstadium.
De biologische factor die het belangrijkste is voor de stabiliteit van een climaxstadium als een gemengd loofbos is
Successie.
Het traditionele concept van successie houdt in dat er een evenwichtssituatie ontstaat: de climax.
Tegenwoordig gaan ecologen niet meer uit van zo'n evenwicht, omdat ze denken dat
2/2 Helmgras.
Zie figuur B 5253 van de bijlage.
Helm wordt aangeplant in de duinen om uitstuiven van zand te verhinderen. Deze aanplant zorgt onder andere voor een langzame ophoging van organische stof in het duin, wat resulteert in een langzame verandering van het ecosysteem (zie afbeelding hiernaast).
- Hoe kan men de hoeveelheid organische stof in een duin meten?
- Waardoor ontstaat de ophoping van organische stof?
- Hoe noemt men de langzame verandering van het ecosysteem?
afbeelding
Een populatie.
Zie figuur B 5265 van de bijlage.
In de afbeelding hiernaast is de verdeling van verschillende leeftijdsklassen in een populatie van een bepaalde diersoort schematisch weergegeven. Elke tekening geeft deze verdeling weer op een ander tijdstip gedurende de ontwikkeling van deze populatie in een successiereeks.
In welke volgorde volgen deze verdelingen van leeftijdsklassen elkaar in de tijd op gedurende de beginperiode van een successiereeks?
afbeelding
Een hooicultuur.
Men kookt hooi in water en laat het weer afkoelen. Daarna voegt men water uit een meer toe, dat uitsluitend heterotrofe protozoën bevat en laat dit lange tijd in het donker staan.
Welke van de volgende uitspraken beschrijven correct wat er waarschijnlijk gaat gebeuren in dit mengsel?
I. Er zal een successie van protozoën plaatsvinden en de totale biomassa neemt toe.
II. De energie in het systeem is maximaal aan het begin van het experiment.
III. Er zal successie plaatsvinden tot er tenslotte een dynamisch evenwicht ontstaat, waarbij de energiestroom zich handhaaft.
IV. Er zal successie plaatsvinden in het ecosysteem, maar uiteindelijk gaan alle organismen dood of zijn ze in een ruststadium.
Successie.
De volgende uitspraken gaan over successie in een ecosysteem dat zich niet in het climaxstadium bevindt.
Welk van deze uitspraken is of welke zijn juist?
Climax.
Wat is een typische eigenschap voor het climaxstadium in een successiereeks?