Voortplanting
3/4 Een eierstok.
Zie figuur B 482 van de bijlage.
In de cellen in het deel dat met cijfer 1 is aangegeven, vindt hormoonproductie plaats.
Welk hormoon wordt of welke hormonen worden in de cellen van deel 1 gevormd?
afbeelding
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
3/4 Een eierstok.
Zie figuur B 482 van de bijlage.
In de cellen in het deel dat met cijfer 1 is aangegeven, vindt hormoonproductie plaats.
Welk hormoon wordt of welke hormonen worden in de cellen van deel 1 gevormd?
afbeelding
4/4 Een eierstok.
Zie figuur B 482 van de bijlage.
Wat is een belangrijke functie van het hormoon dat door de cellen bij cijfer 4 wordt gevormd?
afbeelding
1/7 Hormonen en vruchtbaarheid.
Wanneer een vrouw in de menopauze komt, houden de maandelijkse ovulaties op doordat er geen of bijna geen follikels meer in de eierstokken aanwezig zijn. De menopauze gaat vaak gepaard met klachten. Naast lichamelijke klachten, kunnen dit ook psychische klachten zijn, zoals een depressief gevoel. Deze klachten hangen samen met de daling van de concentratie oestradiol (ook wel oestrogeen genoemd).
Tekst: Door onderzoek bij ratten weten hersenonderzoekers nu meer over de heilzame werking van oestrogeen. Het hormoon blijkt de geestelijke gesteldheid niet direct te beïnvloeden, maar indirect via een andere onmisbare stof: serotonine. In de hersenen werkt serotonine als neurotransmitter, een chemische boodschapper die een rol speelt bij de impulsoverdracht tussen zenuwcellen. Daarbij hecht serotonine zich aan zogenaamde serotonine-receptoren. Als er onvoldoende serotonine in de hersenen kan aanhechten aan de receptoren, kunnen verschillende mankementen optreden. Bij gebrek aan oestrogeen blijken er minder van die receptoren aanwezig te zijn. Kennelijk stimuleert het hormoon oestrogeen de vorming van deze serotonine-receptoren. Dat gebeurt bij ratten vooral in bepaalde hersengebieden. In vergelijkbare hersengebieden bij de mens blijken de emotionele en mentale functies te zijn geconcentreerd.
Verder lijkt oestrogeen ook een gen te activeren waardoor een stof gevormd wordt die het serotonine transporteert.
naar: Trouw, 2 oktober 1996.
Zie volgende scherm
2/7 Hormonen en vruchtbaarheid.
Zie figuur B 2484 van de bijlage.
In de tekst worden twee wegen aangegeven waarlangs oestrogeen de werking van serotonine in de hersenen zou beïnvloeden. Dit kan in een schema worden weergegeven.
Zie figuur B 2484 van de bijlage.
Vul achter de nummers de juiste woorden of omschrijvingen in. Kies er vier uit de volgende vijf: gen, ovaria, serotonine, serotonine-receptor, stof voor serotonine-transport.
1. [invulveld]
2. [invulveld]
3. [invulveld]
4. [invulveld]
afbeelding
3/7 Hormonen en vruchtbaarheid.
Zie figuur B 2485 van de bijlage.
In de afbeelding is schematisch een synaps weergegeven, waarin serotonine de functie van neurotransmitter heeft.
Op welke plaats of plaatsen bevinden zich serotonine-receptoren?
afbeelding
4/7 Hormonen en vruchtbaarheid.
Uit welk gegeven in de tekst blijkt dat de stof die serotonine transporteert waarschijnlijk een eiwit is? Leg je antwoord uit.
5/7 Hormonen en vruchtbaarheid.
Als je aanneemt dat de stof die serotonine vervoert inderdaad een eiwit is, waar in de hersencellen wordt deze stof dan gevormd?
6/7 Hormonen en vruchtbaarheid.
Tijdens de menopauze treden altijd veranderingen in het lichaam op die samenhangen met de voortplanting.
Welke van de onderstaande veranderingen treedt op als gevolg van een lagere oestrogeenconcentratie in het bloed?
7/7 Hormonen en vruchtbaarheid.
In de loop van het leven van een vrouw bevinden zich in de ovaria cellen in verschillende stadia van ontwikkeling. Behalve eicellen bevatten de ovaria diverse andere cellen. Van de volgende drie cellen worden de DNA-gehaltes met elkaar vergeleken:
1. een cel tijdens metafase I van de meiose,
2. een cel tijdens metafase II van de meiose,
3. een hormoonproducerende cel, direct nadat deze is ontstaan.
Welke van de genoemde cellen bevat de grootste hoeveelheid DNA?
1/2 Reageerbuisbaby's.
Het komt voor dat een vrouw ook voor de menopauze geen kinderen kan krijgen. Als zowel de man als de vrouw genoeg gezonde voortplantingscellen produceren, is het tegenwoordig mogelijk de bevruchting buiten het lichaam van de vrouw te laten plaatsvinden. Men spreekt dan van IVF (in vitro fertilisatie).
Eicellen van de vrouw worden operatief uit een van de eierstokken gehaald en buiten het lichaam bevrucht. Na bevruchting ontwikkelen zich jonge embryo's. Enkele van deze embryo's worden in de baarmoeder van de vrouw ingeplant. Na 9 maanden kunnen een of meer 'reageerbuisbaby's' op de normale wijze geboren worden.
De volgende verschijnselen bij de vrouw kunnen ongewenste kinderloosheid tot gevolg hebben:
1. Tijdens het begin van de zwangerschap wordt het baarmoederslijmvlies afgestoten.
2. In de eileiders zijn verstoppingen aanwezig die de doorgang voor een eicel blokkeren.
3. Er treedt een sterke afweerreactie op tegen het embryo.
Bij welke van deze afwijkingen is de beschreven IVF-behandeling voor de vrouw mogelijk een oplossing om toch zwanger te worden?
2/2 Reageerbuisbaby's.
Na IVF is het mogelijk om alleen mannelijke of alleen vrouwelijke embryo's in de baarmoeder in te planten.
Ben je ervoor of ertegen dat deze mogelijkheid in de praktijk wordt toegepast? Noem een biologisch argument waarop je standpunt is gebaseerd.
1/3 Hormonen in vlees.
Het toedienen van hormonen aan dieren om de vleesproductie te bevorderen, is in de Europese Unie verboden. Vrees voor mogelijke gezondheidsrisico's voor de mens ligt ten grondslag aan dit verbod. Van deze gezondheidsrisico's probeert men een inschatting te maken. Hiertoe vergelijkt men de eigen hormoonproductie bij de mens met de extra opname die plaatsvindt door het eten van vlees van slachtdieren die met hormonen zijn behandeld.
Bij een onderzoek van kalfsvlees werd gelet op de concentratie van oestradiol. Oestradiol wordt niet in het verteringskanaal verteerd. In spierweefsel van niet met hormonen behandelde slachtdieren was 0,11 microgram oestradiol per kilogram weefsel aanwezig. In behandelde dieren bedroeg de concentratie 0,18 microgram per kilogram.
Bereken hoeveel microgram oestradiol iemand per dag extra binnenkrijgt door het eten van vlees van behandelde kalveren ten opzichte van het eten van onbehandeld kalfsvlees. Ga uit van een dagconsumptie van 200 gram kalfsvlees.
2/3 Hormonen in vlees.
Zie figuur C 83 van de bijlage.
Bij de volgende vragen mag je er van uitgaan dat de werking van hormonen bij alle zoogdieren hetzelfde is.
De extra opname van oestradiol door het eten van vlees wordt vergeleken met de productie van oestradiol in het lichaam van de mens zelf. Hiervoor wordt de bevolkingsgroep gebruikt waarbij een extra opname naar verhouding de grootste concentratieverandering veroorzaakt (zie tabel).
afbeelding
Welke bevolkingsgroep wordt ter vergelijking gebruikt?
afbeelding
3/3 Hormonen in vlees.
Zie figuur C 83 van de bijlage.
Hormonen kunnen de ontwikkeling van borstkanker versnellen nadat deze is ontstaan. Bij muizen is ontdekt dat bestaande tumoren in melkklieren groter worden als de muizen zwanger worden.
Noem een hormoon waardoor de ontwikkeling van deze tumoren waarschijnlijk wordt versneld.
Dit hormoon is [invulveld]
afbeelding
1/2 Testes.
Zie figuur A 445 van de bijlage.
Een aantal beweringen over testes is:
1. In de testes vindt zowel meiose als mitose plaats.
2. De testes zijn de belangrijkste opslagplaatsen van rijpe spermacellen.
3. In de testes worden hormonen gevormd.
Welke bewering is of welke zijn juist?
afbeelding
2/2 Testes.
Zie figuur B 2404 van de bijlage.
De testosteron-spiegel van het bloed wordt bij volwassen mannen via terugkoppeling geregeld.
In de afbeelding is dit terugkoppelingsmechanisme schematisch en enigszins vereenvoudigd weergegeven.
Met de letters a en b worden hormonen aangeduid, met de letter c een hormoonklier.
Geef de juiste namen voor a, b en c. Geef op de plaatsen 1 en 2 een stimulerende invloed van het hormoon aan met een '+' en een remmende invloed met een '-'.
a: [invulveld]
b: [invulveld]
c: [invulveld]
1: [invulveld]
2: [invulveld]
afbeelding
1/2 Zwangerschapscomplicatie.
Zie de figuren C 83 en A 45 van de bijlage.
Bij een Franse vrouw werd een ernstige aandoening aan de eierstokken geconstateerd. Haar eierstokken werden daarom verwijderd. Tijdens de ingreep bleek dat zij zwanger was. De zwangerschap werd uitgedragen en er werd een gezond meisje geboren.
Tijdens deze zwangerschap werden geen hormonen toegediend. Wel werd regelmatig het gehalte aan oestradiol in het bloed bepaald. De gegevens zijn weergegeven in de afbeelding.
Ter vergelijking is ook het verloop van de oestradiolconcentratie van een andere vrouw met een normale zwangerschap weergegeven.
Twee beweringen over de invloed van oestradiol tijdens de zwangerschap zijn:
1. Oestradiol heeft geen directe invloed op het innestelingsproces.
2. Oestradiol heeft geen directe invloed op de embryonale ontwikkeling.
Is op basis van het diagram in de afbeelding A 45 en de gegevens in afbeelding C 83 te bepalen of bewering 1 juist is?
En is hiermee te bepalen of bewering 2 juist is?
afbeelding
afbeelding
2/2 Zwangerschapscomplicatie.
Drie verklaringen worden geopperd voor de stijging van het gehalte aan oestradiol bij de vrouw waarvan de eierstokken zijn verwijderd:
1. De hypofyse van de moeder neemt de productie van oestradiol volledig over.
2. De placenta gaat vanaf omstreeks de derde maand oestradiol produceren.
3. De eierstokken van de baby nemen de productie van oestradiol van de moeder over.
Welke verklaring is het meest waarschijnlijk?
1/4 Angst voor kanker.
GEEN AANWIJZING VOOR KANKER DOOR IVF-BEHANDELING.
Een Australisch onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat het gebruik van hormonen om de eisprong te stimuleren het risico op kanker verhoogt (Lancet, 14 oktober). De afgelopen jaren waren er enkele onderzoeken gepubliceerd die een dergelijk verband suggereerden. Zo bleek vorig jaar uit een Amerikaans artikel dat onder vrouwen die een eisprongstimulatie hadden ondergaan 2,3 keer zo vaak ovariumkanker voorkwam. Ovariumkanker is echter een zeer zeldzame vorm van kanker; in absolute getallen ging het in dit groot opgezette onderzoek onder 3800 vrouwen om slechts 11 gevallen van ovariumkanker. Toch hebben dit soort observaties geresulteerd in bezorgdheid over de lange-termijneffecten van eisprongstimulatie, zoals die bijvoorbeeld wordt toegepast bij in-vitro-fertilisatie (IVF).
Bij het nieuwe onderzoek in Australië ging het om ruim 10.000 vrouwen uit de stad Melbourne, die tussen 1978 en 1992 wegens onvruchtbaarheid de plaatselijke IVF-kliniek hadden bezocht. Iets meer dan de helft van deze vrouwen was behandeld met eisprongstimulerende hormonen, zoals clomifeen of humaan-menopausaal-gonadotrofine. In de meeste gevallen ging het om minder dan drie cycli. De andere helft van de vrouwen was niet met dergelijke hormonen behandeld, bijvoorbeeld omdat ze spontaan zwanger waren
geworden of omdat bij hen een eicel via de natuurlijke weg was verkregen. Deze vrouwen fungeerden in het onderzoek als controlegroep. Nu, gemiddeld 5 jaar nadien (uitersten 1 en 15 jaar) hebben de onderzoekers via regionale en nationale kankerregisters uitgezocht hoeveel
van deze 10.000 vrouwen inmiddels kanker hebben gekregen.
Slechts 6 van hen bleken ovariumkanker te hebben, in beide groepen 3. Verder stonden er 34 gevallen van invasieve borstkanker geregistreerd, 16 in de groep die met hormonen behandeld was en 18 in de controlegroep. Het Australische onderzoek levert dus geen enkele aanwijzing dat eisprongstimulatie met hormonen vaker tot kanker leidt. Bij hun resultaten tekenen de Australiërs wel aan dat het aantal gevallen van ovariumkanker bijzonder klein was, zodat daar nauwelijks een conclusie uit getrokken kan worden. Bovendien was de duur van het onderzoek nog betrekkelijk kort; kanker komt immers vaak zeer langzaam tot ontwikkeling.
Een definitieve conclusie kan dus pas getrokken worden als de vrouwen vele jaren langer gevolgd zijn.
(NRC-Handelsblad, 26 oktober 1995).
Zie volgende scherm
2/4 Angst voor kanker.
Beschrijf wat bij een IVF-behandeling wordt gedaan.