Ecologie
Ecosysteem.
In een bepaald ecosysteem in het binnenland komen alleen planten voor met dikke, kleine bladeren.
In welk van de volgende klimaten heb je de grootste kans dat ecosysteem aan te treffen?
Deze oefentoets bevat 74 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
74
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4
NVON
cc-by-sa-40
Ecosysteem.
In een bepaald ecosysteem in het binnenland komen alleen planten voor met dikke, kleine bladeren.
In welk van de volgende klimaten heb je de grootste kans dat ecosysteem aan te treffen?
Een weiland.
In een weiland komen veel organismen voor.
Vormen alle organismen in een weiland samen een biotoop, een ecosysteem, een levensgemeenschap of een populatie?
Kluut.
Zie figuur B 2263 van de bijlage.
In de afbeelding is een kluut weergegeven. Kluten komen voor in Nederland.
Afgaand op het uiterlijk van kluten kun je iets zeggen over de plaatsen waar ze vooral voorkomen.
Op welke van de volgende plaatsen komen kluten vooral voor: in dichte bossen, op heidevelden of bij ondiep water? Leg je antwoord uit aan de hand van een kenmerk van het uiterlijk.
afbeelding
1/4 Amfibieën in de Millingerwaard.
Zie figuur B 2564 van de bijlage.
Een bioloog doet onderzoek naar amfibieën in de Millingerwaard, een gebied langs de rivier de Waal. Elke lente trekken kikkers (zie de afbeelding) en padden naar hun voortplantingsgebieden langs de rivier. Ze leggen daar hun eieren in ondiep, stilstaand water.
Amfibieën eten onder andere insecten, die op hun beurt weer planten eten. Amfibieën zijn een belangrijke schakel in de voedselketens in het ecosysteem van de Millingerwaard. In sommige jaren zijn er tienduizenden van. In die jaren is er ook genoeg voedsel voor de vogels die amfibieën eten.
In de Millingerwaard bepaalt een bioloog in juni het aantal amfibieën, het aantal insecten en het aantal amfibieënetende vogels in een proefgebied.
Is het aantal amfibieën, het aantal insecten of het aantal vogels in het proefgebied het grootst?
afbeelding
2/4 Amfibieën in de Millingerwaard.
Via welke organen wordt bij volwassen amfibieën in de zomer zuurstof opgenomen in het bloed?
3/4 Amfibieën in de Millingerwaard.
Tijdens de voortplantingstijd in het voorjaar komt het wel eens voor dat het water van de rivier de Waal stijgt en de voortplantingsgebieden van de amfibieën overstroomd worden.
Welk nadelig gevolg heeft dit overstromen voor de voortplanting van de amfibieën? Leg je antwoord uit.
4/4 Amfibieën in de Millingerwaard.
Schrijf de langste voedselketen op waarvan sprake is in de tekst over amfibieën.
1/2 Biosfeer 2.
Bij een experiment in Amerika is een zeer grote kas gebouwd: Biosfeer 2. Men heeft geprobeerd in Biosfeer 2 de aarde in het klein na te bootsen. De kas is gevuld met buitenlucht en daarna luchtdicht afgesloten. Er leven veel verschillende soorten organismen in waaronder een aantal mensen. Enige maanden na het begin van het experiment is het gehalte aan zuurstof van de lucht in de kas gedaald. Men wilde deze daling tegengaan. In een gedeelte van de kas is een oerwoud nagebootst. Men overwoog 's nachts lampen boven dit 'oerwoud' aan te
steken.
Leg uit hoe het 's nachts aansteken van de lampen invloed kan hebben op het zuurstofgehalte van de lucht in de kas.
2/2 Biosfeer 2.
Als er resten van planten uit het 'oerwoud' buiten de kas worden gebracht, kan dat ook invloed hebben op het zuurstofgehalte van de lucht in de kas.
Leg uit hoe het buiten de kas brengen van deze resten invloed kan hebben op het zuurstofgehalte van de lucht in de kas.
1/4 Het Buurserzand.
Zie figuur A 815 van de bijlage.
Het Buurserzand is een natuurgebied in het zuidoostelijk deel van Twente. Het is eigendom van de Vereniging Natuurmonumenten. In het Buurserzand werden in 1998 bij tellingen 106 verschillende vogelsoorten waargenomen.
Van enkele vogelsoorten zijn in de afbeelding de aantallen broedparen in 1990, 1993 en 1998 weergegeven.
Van welke vogelsoorten werden wel broedparen waargenomen in 1998, maar niet in 1990 en niet in 1993?
afbeelding
2/4 Het Buurserzand.
Hoeveel broedparen van de wielewaal zijn er in 1993 in het Buurserzand waargenomen?
dit aantal is: [invulveld]
3/4 Het Buurserzand.
Van welke vogelsoorten werd in 1993 een afname van het aantal broedparen ten opzichte van 1990 waargenomen?
4/4 Het Buurserzand.
In 1998 bezat de Vereniging Natuurmonumenten 364 hectare aaneengesloten gebied in het Buurserzand. Een maat voor de grootte van een vogelpopulatie is het aantal broedparen per 100 hectare. Dit noemen we ook wel de dichtheid.
In 1998 werden in het Buurserzand 14 broedparen van de roodborsttapuit waargenomen.
Bereken de dichtheid van de roodborsttapuit in het Buurserzand in 1998 tot op 1 decimaal nauwkeurig.
1/2 In een dennenbos.
Zie figuur C 135 van de bijlage.
In een dennenbos groeien op de omgevallen bomen wel eens elfenbankjes. Deze paddestoelen zijn delen van de elfenbankjesschimmel die aan de buitenkant van de boom uitsteken. In het dennenbos leven ook eekhoorns die onder andere zaden eten uit dennenappels (zie de afbeelding).
Welk van de genoemde organismen is een producent, welk een consument en welk een reducent?
afbeelding
afbeelding
2/2 In een dennenbos.
In een onderzoek wil men nagaan welke biotische factoren van invloed zijn op de grootte van de populatie eekhoorns in het bos.
Welk van de volgende gegevens hoeft men niet te gebruiken?
1/20 Duinen.
INFORMATIE 1 DUINGEBIEDEN
Zie figuur A 791 van de bijlage.
afbeelding
Het grootste deel van de Nederlandse kust bestaat uit duingebieden. De duinen beschermen het land tegen overstroming door de zee. Ook zijn ze van belang voor recreatie en voor drinkwaterwinning. Door verschillende factoren, zoals de invloed van de zee, de windsamenstelling van de bodem is een unieke planten- en dierenwereld ontstaan. In de afgelopen 150 jaar zijn er, onder andere door invloeden van de mens, veranderingen en de opgetreden in de karakteristieke ecosystemen van de duinen (zie de tabel).
afbeelding
Zie volgende scherm
2/20 Duinen.
INFORMATIE 2 HELM
Zie figuur B 3333 van de bijlage.
afbeelding
Helm is een grassoort die in de duinen voorkomt. Helm wordt vaak in de duinen aangeplant om zandverstuiving tegen te gaan. De plant vormt lange, sterk vertakte wortels en wortelstokken die diep in de bodem doordringen en zo het zand goed vasthouden. De bloeitijd is in het begin van de zomer. De bloempjes vormen samen een geelgroene aar. De lange, grijsgroene bladsprieten zijn meestal in de lengterichting opgerold, ter bescherming tegen uitdroging (zie de afbeelding).
INFORMATIE 3 DUINDOORN
De duindoorn is een struik die op kalkrijke plekken in de duinen groeit. Deze struik heeft òf alleen mannelijke òf alleen vrouwelijke bloemen. De bloemen vallen niet op tussen de grijsgroen gekleurde blaadjes. Aan de vrouwelijke struiken verschijnen na de bloei oranje bessen, die duidelijk te zien zijn. De planten vormen aan hun wortels knolletjes waarin bacteriën leven. Deze bacteriën zetten stikstof uit de lucht om in nitraten, die weer door de duindoorn gebruikt kunnen worden.
INFORMATIE 4 PARNASSIA
afbeelding
Parnassia is een plant die in vochtige duinvalleien voorkomt.
De bloemen van parnassia hebben vijf witte kroonblaadjes en worden vooral bestoven door vliegen. Als de vruchten rijp zijn, springen ze open. De zaadjes zijn zo fijn als stof en worden verspreid door de wind. Sinds 1900 is het aantal parnassiaplanten sterk afgenomen. Het is nu een zeldzame plant die wettelijk beschermd wordt. In de afbeelding is een bloem en een bloemdiagram van parnassia weergegeven. Een bloemdiagram geeft schematisch de bouw van een bloem weer.
Zie volgende scherm
3/20 Duinen.
INFORMATIE 5 KONIJNEN
Zie figuur B 3335 van de bijlage.
afbeelding
Konijnen voeden zich onder andere met grassen en takjes van jonge struiken. In de winter knagen ze vaak de buitenste laag van takken en van stammetjes af. Zo'n kaal geknaagde struik gaat dood. Zo zorgen konijnen ervoor dat de duinen niet overwoekerd worden door gras en struikgewas.
Konijnen graven gangen en holen in de bodem. Deze holen worden ook door veel andere dieren als nest gebruikt, bijvoorbeeld door bergeenden en tapuiten (zie informatie 6).
In verschillende duingebieden worden op vaste plekken enkele keren per jaar konijnen geteld. Als gevolg van een besmettelijke virusziekte, de VHS ziekte, is het aantal konijnen in de duinen sinds 1994 sterk afgenomen (zie de afbeelding).
Zie volgende scherm
4/20 Duinen.
INFORMATIE 6 VOGELS IN DE DUINEN
In heel Nederland wordt door tellingen bijgehouden of vogelpopulaties toenemen of afnemen. In het diagram zijn resultaten van zulke tellingen weergegeven van twee vogelsoorten die in de duinen voorkomen.
6.1 De tapuit
Zie figuur B 3336 van de bijlage.
afbeelding
De tapuit is een vogel die broedt in de open duinen. Hij is ongeveer zo groot als een spreeuw en voedt zich vooral met insecten, spinnen en slakken.
Zie volgende scherm
5/20 Duinen.
6.2 De grasmus
Zie figuur B 3349 van de bijlage.
afbeelding
Grasmussen broeden het liefst laag bij de grond in dicht, doornig struikgewas. Het voedsel van een grasmus bestaat tijdens het broedseizoen vooral uit insecten. In de loop van de zomer worden steeds meer bessen gegeten.
Zie volgende scherm
6/20 Duinen.
Naar aanleiding van informatie 1 en informatie 5 worden twee uitspraken gedaan.
I. Sinds 1850 is de totale oppervlakte van de duingebieden in Nederland afgenomen.
II. De toename van struikgewas in de duinen kan een gevolg zijn van het groter worden van de konijnenpopulatie.
7/20 Duinen.
Uit de tabel in informatie 1 blijkt dat tussen 1850 en 1990 een groot deel van de vochtige duinvalleien is verdwenen. Dit is vooral het gevolg van de drinkwaterwinning.
Bereken met behulp van de tabel hoeveel hectare (ha) aan vochtige duinvallei er in 1990 was.
8/20 Duinen.
In informatie 2 staat dat de bladeren van helmplanten meestal zijn opgerold ter bescherming tegen uitdroging.
Noem nog een andere eigenschap uit de tekst waaruit blijkt dat de plant aangepast is aan een droog milieu.
9/20 Duinen.
De bladeren van helmplanten zijn meestal opgerold (zie informatie 2). De huidmondjes bevinden zich dan aan de binnenzijde.
Leg uit welk voordeel het voor de plant heeft, dat de huidmondjes zich dan aan de binnenzijde bevinden.
10/20 Duinen.
In een helmblad bevinden zich vaatbundels met houtvaten en bastvaten.
Welke letter in de afbeelding van informatie 2 geeft een deel van het blad aan met een vaatbundel?
11/20 Duinen.
Kan helm zich geslachtelijk voortplanten?
En kan de plant zich ongeslachtelijk voortplanten?
12/20 Duinen.
Leg met behulp van informatie 1 uit, waardoor parnassia een zeldzame plant is geworden in de duinen.
13/20 Duinen.
Zie figuur B 3334 van de bijlage.
In informatie 4 staat een bloemdiagram van parnassia afgebeeld.
Welke letter geeft het deel aan waarin de zaden zich na de bevruchting ontwikkelen?
de letter [invulveld]
afbeelding
14/20 Duinen.
Zie figuur B 3334 van de bijlage.
Uit het bloemdiagram in informatie 4 zijn enkele kenmerken van een bloem van parnassia af te leiden.
Uit welk kenmerk in het bloemdiagram kan afgeleid worden dat de bloem bestoven wordt door insecten?
afbeelding
15/20 Duinen.
Worden de bloemen van de duindoorn bestoven door de wind of door insecten? Noem een eigenschap van de plant uit informatie 3, waaruit dat afgeleid kan worden.
16/20 Duinen.
De afname van de konijnenpopulatie heeft invloed gehad op het aantal tapuiten in de duinen.
Leg uit waardoor de populatiegrootte van de tapuiten kan worden beïnvloed door afname van het aantal konijnen.
17/20 Duinen.
In informatie 6 staan gegevens over veranderingen in de populatiegrootte van twee vogelsoorten.
Leg uit dat de afname van de konijnenpopulatie (zie informatie 5) een oorzaak kan van de verandering van het aantal grasmussen in de duinen.
18/20 Duinen.
In een boek over de duinen staat dat het zaad van de duindoorn pas goed kiemt na een koudeperiode en als het in aanraking geweest is met zuur, bijvoorbeeld in de maag van een vogel.
Samira verzamelt 50 duindoornzaadjes. Ze wil voor een praktische opdracht de invloed van zuur onderzoeken op het kiemen van de zaadjes. Ze verdeelt de zaadjes over twee petrischaaltjes met vochtige watten.
Aan schaaltje 1 voegt ze wat zuur toe en ze plaatst dit schaaltje in een koelkast bij 5°C.
Aan schaaltje 2 voegt ze geen zuur toe en ze plaatst dit in een kast bij 20°C.
Leg uit welke fout Samira maakt.
19/20 Duinen.
De konijnenziekte VHS (zie informatie 5) kan door wilde konijnen overgedragen worden op tamme konijnen. Zieke konijnen sterven snel. Antibiotica helpen niet en er bestaan geen andere geneesmiddelen. Wel kunnen konijnen door de dierenarts ingeënt worden tegen VHS.
Waardoor kan VHS niet genezen worden door antibiotica toe te dienen?
20/20 Duinen.
Jonge konijntjes van ingeënte moederkonijnen zijn tot op een leeftijd van ongeveer 50 dagen immuun voor VHS. Voor de geboorte zijn via de placenta antistoffen van de moeder overgebracht in het bloed van de konijnenbaby.
Leg uit waardoor zulke jonge konijnen slechts korte tijd immuun zijn.
1/3 Energie in een ecosysteem.
Zie figuur A 316 van de bijlage.
In het schema van de afbeelding wordt de energiestroom in een ecosysteem weergegeven.
Elke pijl stelt een deel van de energiestroom voor. Er is geen verband tussen de grootte van een pijl en de hoeveelheid energie. De verschillende organismen zijn niet op dezelfde schaal getekend.
Welke van de weergegeven organismen kan of welke kunnen door verbranding energie vrijmaken?
afbeelding
2/3 Energie in een ecosysteem.
Zie figuur A 316 van de bijlage.
Welke van de organismen, die in de afbeelding weergegeven zijn, maken deel uit van de stikstofkringloop?
afbeelding
3/3 Energie in een ecosysteem.
Welke van de onderstaande beweringen over de energie in een ecosysteem is of welke zijn juist?
I. Een ecosysteem blijft alleen bestaan als er voortdurend nieuwe energie van buiten het ecosysteem wordt opgenomen.
II. Een ecosysteem verliest voortdurend energie in de vorm van verbrandingswarmte.
1/5 De Noordzee.
Zie figuur B 3404 van de bijlage.
In de afbeelding is een deel van een voedselweb van de Noordzee weergegeven. De pijlen naar het schip geven aan dat er ook organismen door de mens gevangen en gegeten worden.
De Noordzee is nogal troebel. Dit wordt veroorzaakt door de grote hoeveelheden plankton. Plankton bestaat uit zeer kleine dierlijke en plantaardige organismen.
Behoort dierlijk plankton tot de consumenten of tot de producenten?
En plantaardig plankton?
afbeelding
afbeelding
2/5 De Noordzee.
Zie figuur B 3422 van de bijlage.
In de afbeelding is een organisme uit het plankton weergegeven.
Behoort dit organisme tot dierlijk of tot plantaardig plankton? Noem een kenmerk waaraan je dat kunt zien.
afbeelding
3/5 De Noordzee.
Zie figuur B 3404 van de bijlage.
Schrijf uit het voedselweb van de afbeelding een voedselketen op van vijf soorten organismen.
afbeelding
4/5 De Noordzee.
Zie figuur B 3404 van de bijlage.
Twee beweringen naar aanleiding van het voedselweb van de afbeelding zijn:
I. Er is meer haring dan kabeljauw in de Noordzee, omdat haring minder ver in de voedselketen staat.
II. Er is meer haring dan kabeljauw in de Noordzee, omdat alleen kabeljauw door zeehonden wordt gegeten.
Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?
afbeelding
5/5 De Noordzee.
Zeehonden eten vooral veel aan het eind van de zomer. Daardoor wordt een dikke vetlaag opgebouwd voor de winter.
Noem twee functies van deze vetlaag.
1/4 Een weidegebied als ecosysteem.
Op aarde komen verschillende ecosystemen voor. Een weidegebied is een voorbeeld van een ecosysteem.
In een weidegebied komen onder andere de organismen voor die in de tabel hieronder zijn weergegeven.
afbeelding
Welke van deze organismen vormen samen een levensgemeenschap in dit weidegebied ?
2/4 Een weidegebied als ecosysteem.
afbeelding
Welke van de genoemde organismen in dit weidegebied leggen energie uit zonlicht vast?
3/4 Een weidegebied als ecosysteem.
afbeelding
In het weidegebied komen verschillende voedselketens voor.
Noem twee voedselketens die elk gevormd worden door minimaal drie van de genoemde organismen.
4/4 Een weidegebied als ecosysteem.
Wat is de rol van de bodembacteriën in dit weidegebied?
1/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4434 van de bijlage.
Informatie 1 De Waddenzee
afbeelding
Aan de noordgrens van Nederland ligt de Waddenzee (zie de afbeelding). Tussen de eilanden en het vaste land liggen de zogenaamde wadden.
Tweemaal per dag worden de wadden bij vloed overstroomd door voedselrijk water uit de Noordzee. Bij eb stroomt het zeewater weer terug naar de Noordzee en vallen de wadden droog. Met de vloed worden ook veel organismen, zoals plankton en vissen, aangevoerd.
De Waddenzee is ondiep, waardoor de temperatuur van het water in het voorjaar snel kan oplopen en in de winter snel kan dalen. In het ondiepe water kan het zonlicht tot op de bodem doordringen. Al deze factoren hebben invloed op het leven in de Waddenzee.
Zie volgende scherm
2/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4435 van de bijlage.
Informatie 2 Een voedselweb
afbeelding
In de afbeelding is een voedselweb uit de Waddenzee schematisch weergegeven.
Het voedselrijke water dat bij vloed de Waddenzee binnenstroomt, bevat veel microscopisch kleine organismen, het zogenaamde plankton. Fytoplankton bestaat uit plantaardige organismen zoals wieren. Zoöplankton bestaat uit diertjes zoals roeipootkreeftjes, vissenlarven en eencelligen.
Zie volgende scherm
3/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4436 van de bijlage.
Informatie 3 Bodemdieren
afbeelding
In de afbeelding zijn schematisch enkele diersoorten weergegeven die in en op de bodem van de Waddenzee leven.
Sommige bodemdieren, zoals slakjes, voeden zich met wieren die ze van de bodem afschrapen. Veel schelpdieren, zoals mosselen en kokkels, zeven plankton als voedsel uit het water. Schelpdieren die zich dieper in de bodem hebben ingegraven, hebben een soort slurfje met twee buisjes: de sifon. Door het ene buisje zuigen ze water met plankton aan. Het water stroomt in de schelp langs kieuwen en wordt door het tweede buisje weer afgevoerd.
In de winter, als het water van de Waddenzee erg koud wordt, kruipen bodemdieren dieper in het zand.
Zie volgende scherm
4/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4437 van de bijlage.
Informatie 4 De scholekster
De scholekster is één van de vele vogelsoorten in het waddengebied. De vogel gaat tijdens eb op zoek naar voedsel op de droogvallende delen van de wadden.
Hij eet allerlei soorten wormen en schelpdieren. Met zijn snavel kan hij de grootste mossels en kokkels open krijgen. De fel oranje snavel is zes tot acht centimeter lang.
In de broedtijd legt een vrouwtje twee tot vier eieren. De jongen worden twee maanden lang verzorgd.
Informatie 5 Voortplanting van zeehonden
Zie figuur B 4437 van de bijlage.
afbeelding
In de afbeelding worden enkele gebeurtenissen weergegeven die te maken hebben met de voortplanting van de gewone zeehond.
De vrouwtjes zijn vanaf hun vierde jaar geslachtsrijp, de mannetjes vanaf hun zesde jaar.
De zwangerschap bestaat uit twee perioden: de stille zwangerschap en de draagtijd.
De stille zwangerschap is de periode tussen de bevruchting en de innesteling.
Deze periode duurt veel langer dan bij mensen.
De draagtijd is de periode tussen de innesteling en de geboorte.
Zie volgende scherm
5/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4438 van de bijlage.
Informatie 6 Aantallen zeehonden
afbeelding
In de Waddenzee komen twee soorten zeehonden voor: de gewone zeehond en de grijze zeehond. Het aantal zeehonden van elke soort is gedurende een aantal jaren geteld (zie het diagram).
In 2002 brak er een virusziekte uit onder de zeehonden in de Waddenzee, veroorzaakt door het zogenaamde PDV-virus. Veel zeehonden stierven aan deze ziekte.
Het virus is niet gevaarlijk voor de mens, maar wel voor honden. Daarom worden mensen gewaarschuwd om honden uit de buurt van dode zeehonden te houden. Als honden zijn ingeënt tegen hondenziekte, zijn ze ook immuun voor het PDV-virus.
Informatie 7 Zeehondenopvang
Soms worden jonge of zieke zeehonden die mensen aan de kust vinden, opgehaald en verzorgd. Als ze weer gezond zijn, worden ze teruggezet in hun natuurlijke omgeving. Dit wordt gedaan door speciale opvangcentra.
Er bestaat veel discussie over zeehondenopvang. Is het nog nodig? Waarvoor doen we het? Wordt de zeehondenpopulatie er sterker van of juist zwakker?
Bij deze discussie worden onder andere de volgende argumenten gebruikt:
1. Door het opvangen van zieke zeehonden kan er meer bekend worden over de oorzaken van ziektes, zoals het PDV-virus.
2. De populatie zeehonden kan zichzelf goed in stand houden zonder ingrijpen van de mens.
3. Als zieke en zwakke zeehonden sterven, ontstaat er door natuurlijke selectie een sterkere populatie.
4. Door dieren na de opvang terug te zetten in de natuur wordt de kans op verspreiding van ziektes groter.
5. Door menselijke activiteiten is het natuurlijke leefgebied van de zeehond sterk aangetast.
Zie volgende scherm
6/20 De Waddenzee.
In de informatie worden biotische en abiotische factoren genoemd die invloed hebben op het ecosysteem van de Waddenzee.
Noem twee abiotische factoren uit informatie 1.
7/20 De Waddenzee.
Op de bodem van de ondiepe delen van de Waddenzee leven veel wieren. Verder naar het noorden op de bodem van de Noordzee kunnen geen wieren leven.
Leg uit waardoor op de bodem van de diepere Noordzee wieren ontbreken.
8/20 De Waddenzee.
In de informatie worden verschillende organismen genoemd die in en om de Waddenzee leven.
Noteer een voedselketen die bestaat uit vier van zulke organismen en waarin de kokkel (schelpdier) voorkomt.
9/20 De Waddenzee.
Wat is de naam van de organen waarmee schollen zuurstof opnemen uit het water? Dit zijn de [invulveld]
10/20 De Waddenzee.
Uit welke voedingsstoffen bestaat het voedsel van zeehonden vooral?
11/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4436 van de bijlage.
Het water dat de sifon van een strandgaper instroomt, wordt vergeleken met het water dat weer naar buiten stroomt (zie informatie 3).
Bevat het water dat naar buiten stroomt meer of minder zuurstof?
Of is er geen verschil? Leg je antwoord uit.
afbeelding
12/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 6822 van de bijlage.
De scholekster voedt zich onder andere met dieren die zijn ingegraven in de zandbodem van de wadden. Hij eet wel veel kokkels, maar kan geen wadpieren vangen.
Leg uit waardoor een scholekster geen wadpieren kan vangen. Gebruik hierbij informatie 3 en 4.
afbeelding
13/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4434 van de bijlage.
In informatie 1 zijn twee plaatsen op het kaartje aangegeven met de cijfers 1 en 2.
Welk cijfer geeft een plaats aan waar scholeksters voedsel zoeken? Leg je antwoord uit.
afbeelding
14/20 De Waddenzee.
Meestal overwinteren scholeksters in het waddengebied. Alleen in strenge winters bestaat er gevaar voor voedselgebrek en trekken ze weg naar het zuiden.
Leg met behulp van de informatie uit waardoor een scholekster minder voedsel kan vinden, als het erg koud is.
15/20 De Waddenzee.
In de Waddenzee worden door beroepsvissers onder andere mossels gevangen.
Zal door deze mosselvisserij de scholeksterpopulatie afnemen of gelijk blijven? Leg je antwoord uit met behulp van de informatie.
16/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4437 van de bijlage.
In informatie 5 staan in een schema enkele gebeurtenissen die te maken hebben met de voortplanting van een zeehond.
In welke maand treedt bij deze zeehond ovulatie op volgens dit schema? Leg je antwoord uit.
afbeelding
17/20 De Waddenzee.
Zie figuur B 4437 van de bijlage.
Hoeveel maanden duurt de periode tussen de innesteling en de geboorte volgens dit schema?
Deze periode duurt [invulveld] maanden.
afbeelding
18/20 De Waddenzee.
Naar aanleiding van informatie 6 worden twee uitspraken gedaan.
Geef bij elke uitspraak aan of deze juist of onjuist is.
Het PDV-virus is niet dodelijk voor grijze zeehonden. [invulveld]
Een vaccin tegen hondenziekte bevat antigenen die sterk lijken op antigenen van het PDV-virus. [invulveld]
19/20 De Waddenzee.
Met hoeveel procent was de populatie gewone zeehonden in 2003 afgenomen in vergelijking met 2002? Leg je antwoord uit met een berekening.
20/20 De Waddenzee.
In informatie 7 worden argumenten genoemd die gebruikt worden in discussies over zeehondenopvang.
Welke twee cijfers geven argumenten aan van een voorstander van zeehondenopvang? De cijfers [invulveld] en [invulveld]
1/4 Een grasland.
Zie figuur A 799 van de bijlage.
In de afbeelding is een deel van een grasland weergegeven. Enkele organismen die erin voorkomen zijn: een grasplant, een muis en een torenvalk.
We verdelen organismen in consumenten, producenten en reducenten.
Welk organisme uit de afbeelding is een producent?
afbeelding
2/4 Een grasland.
Zie figuur A 799 van de bijlage.
Welke voedselketen is juist?
afbeelding
3/4 Een grasland.
Zie de figuren B 3365 en A 799 van de bijlage.
In de afbeelding zijn enkele cellen weergegeven.
Zie figuur A 799 van de bijlage.
Van welk organisme uit de afbeelding A 799 zijn deze cellen afkomstig?
afbeelding
afbeelding
1/2 Ecologische verbindingszone.
De natuur in Nederland is versnipperd in kleine stukjes. De overheid en natuurbeheerorganisaties proberen deze stukjes natuur met elkaar te verbinden door ecologische verbindingszones aan te leggen.
Tussen twee natuurgebieden wordt een ecologische verbindingszone aangelegd. Het betreft een wildtunnel onder een drukke weg.
Waarom worden de twee natuurgebieden met elkaar verbonden?
2/2 Ecologische verbindingszone.
Het verbinden van twee natuurgebieden heeft voordelen.
Hieronder staan vier beweringen over verbindingszones.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
I. Een bomenrij met daaronder struiken kan dienen als ecologische verbindingszone.
II. Rijen bomen langs de weg hebben alleen een sierfunctie.
III. Door natuurgebieden te verbinden zal er minder inteelt onder de dieren plaatsvinden.
IV. Omdat dieren zich meer verplaatsen tussen de natuurgebieden worden plantensoorten ook meer verspreid.