Oefentoets Biologie: Voortplanting - algemeen | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 30 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

30

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

Het begrip kloon.

Een aantal organismen kan samen een kloon vormen.

Het begrip kloon is van toepassing op alle individuen die ontstaan

Voortplanting

Geraniumplant met bonte bladeren.

Men heeft een geraniumplant met bonte bladeren.
Het allel voor bonte bladeren is dominant over dat voor egaal groene bladeren.
Men wil meer van deze bont gekleurde geraniums kweken.

Bij welke van onderstaande methoden is de kans het grootst dat de nieuwe planten zulke bont gekleurde bladeren zullen hebben?

1. stekken van deze plant,
2. zelfbestuiving met een andere plant met bonte bladeren,
3. kruisbestuiving met een andere plant met bonte bladeren.

De grootste kans op planten met bonte bladeren geeft/geven

Voortplanting

Kenmerk van geslachtelijke voortplanting.

Waardoor is geslachtelijke voortplanting gekenmerkt?

Voortplanting

Een proces schematisch voorgesteld
Zie figuur B 340 van de bijlage.

De cellen in het schema hebben elk twee chromosomen in de kern.

Welk proces stelt dit schema voor?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Geslachtelijke voortplanting bij planten en dieren.

Wat is kenmerkend voor geslachtelijke voortplanting bij planten en bij dieren?

Voortplanting

Celdeling & gen.

I. Celdeling wordt geregeld vanuit de chromosomen.
II. Elk gen bevat de informatie om een eiwit te maken.

Voortplanting

Delingsweefsel in een worteltop.

In een microscopisch preparaat van een worteltop van een ui wordt bij een vergroting van 400x gezocht naar delingsweefsel.
Er worden in het preparaat de volgende cellen gevonden:

1. cellen waarin een kern zichtbaar is.
2. cellen waarin chromosomen zichtbaar zijn.
3. cellen waarin een grote, centrale vacuole zichtbaar is.

Welke van deze cellen kunnen in het delingsweefsel voorkomen?

Voortplanting

Levenscyclus van een algensoort.
Zie figuur A 116 van de bijlage.

In het schema is de levenscyclus van een algensoort weergegeven.
Hierin wisselen geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting elkaar af; de ene generatie is haploïd, de andere is diploïd.

Welke generatie is haploïd?
Welke generatie plant zich ongeslachtelijk voort?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Geslachtelijke voortplanting bij ééncellige organismen.

Eéncellige organismen planten zich in het algemeen ongeslachtelijk voort.
Onder bepaalde milieu-omstandigheden treedt echter vaak geslachtelijke voortplanting op.

Zal dit gebeuren als de milieu-omstandigheden verbeteren of verslechteren?
Waarin verschilt het effect van deze geslachtelijke voortplanting met dat van ongeslachtelijke voortplanting?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Voortplanting bij draadwieren.
Zie figuur B 1113 van de bijlage.

Draadwieren kunnen zich op twee manieren voortplanten. Bij de ene vorm van voortplanting breekt een stukje van een wier af. Dit stukje groeit weer uit tot een nieuw wier. Bij de andere vorm van voortplanting wordt een zygote gevormd zoals de afbeelding weergeeft.
De twee wieren P en Q vormen uitstulpingen, die met elkaar een verbinding vormen. Via deze verbinding verplaatst een cel uit wier P zich naar een cel in wier Q. Beide cellen versmelten met elkaar, zodat een zygote ontstaat. Deze zygote ondergaat meiose, waarna een nieuw draadwier groeit.
Het aantal chromosomen van de zygote is 28.

Hoe groot is het aantal chromosomen van een cel in wier P?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Voortplantingsproces bij wieren
Zie figuur B 1113 van de bijlage.

Over het afgebeelde voortplantingsproces bij wieren worden de volgende beweringen gedaan:

1. Door dit proces kunnen wieren ontstaan met een ander genotype dan de oorspronkelijke wieren P en Q.
2. Door dit voortplantingsproces is de overlevingskans van deze draad wiersoort groter dan wanneer dit voortplantingsproces niet zou bestaan.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

1/3 Levenscyclus een veelcellig draadwiertje (Ulothrix)
Zie figuur A 162 van de bijlage.

De afbeelding geeft de levenscyclus weer van een veelcellig draadwiertje (Ulothrix), dat in zoet water leeft. De cellen van een wierdraad zijn haploïd. Sommige cellen kunnen zich delen. De cytoplasma-bolletjes die dan ontstaan, komen door een opening in de celwand naar buiten. Ze vormen vier zweepharen en zwemmen weg: zwermsporen. Een zwermspore kan tot een nieuw draadwiertje uitgroeien.
Andere cellen kunnen gameten vormen. Een gameet heeft twee zweepharen. Een gameet afkomstig uit een bepaalde wierdraad kan versmelten met een gameet die uit een andere wierdraad afkomstig is. Zo ontstaat een zygote. Onder gunstige omstandigheden deelt deze zygote zich en vormt vier sporen die zich ieder tot een nieuw draadwiertje ontwikkelen.

Ontstaan zwermsporen door meiose of door mitose?
En gameten van Ulothrix?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/3 Levenscyclus een veelcellig draadwiertje (Ulothrix).
Zie figuur A 162 van de bijlage.

De afbeelding geeft de levenscyclus weer van een veelcellig draadwiertje (Ulothrix), dat in zoet water leeft. De cellen van een wierdraad zijn haploïd. Sommige cellen kunnen zich delen. De cytoplasma-bolletjes die dan ontstaan, komen door een opening in de celwand naar buiten. Ze vormen vier zweepharen en zwemmen weg: zwermsporen. Een zwermspore kan tot een nieuw draadwiertje uitgroeien.
Andere cellen kunnen gameten vormen. Een gameet heeft twee zweepharen. Een gameet afkomstig uit een bepaalde wierdraad kan versmelten met een gameet die uit een andere wierdraad afkomstig is. Zo ontstaat een zygote. Onder gunstige omstandigheden deelt deze zygote zich en vormt vier sporen die zich ieder tot een nieuw draadwiertje ontwikkelen.

Waaruit zullen wiertjes ontstaan die zeker hetzelfde genotype hebben als de ouderplant (aangenomen dat er geen mutaties plaatsvinden)?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

3/3 Levenscyclus een veelcellig draadwiertje (Ulothrix)
Zie figuur A 162 van de bijlage.

De afbeelding geeft de levenscyclus weer van een veelcellig draadwiertje (Ulothrix), dat in zoet water leeft. De cellen van een wierdraad zijn haploïd. Sommige cellen kunnen zich delen. De cytoplasma-bolletjes die dan ontstaan, komen door een opening in de celwand naar buiten. Ze vormen vier zweepharen en zwemmen weg: zwermsporen. Een zwermspore kan tot een nieuw draadwiertje uitgroeien.
Andere cellen kunnen gameten vormen. Een gameet heeft twee zweepharen. Een gameet afkomstig uit een bepaalde wierdraad kan versmelten met een gameet die uit een andere wierdraad afkomstig is. Zo ontstaat een zygote. Onder gunstige omstandigheden deelt deze zygote zich en vormt vier sporen die zich ieder tot een nieuw draadwiertje ontwikkelen.
Gameten, sporen en zwermsporen van Ulothrix worden met elkaar vergeleken.

Welke van deze cellen zijn haploïd?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Chromosomen in drievoud.

Chromosomen van de mens kunnen worden onderzocht met behulp van karyogrammen. Een karyogram wordt gemaakt met behulp van foto's van bijvoorbeeld zich delende bloedcellen.
Daartoe worden buiten het lichaam witte bloedcellen door toevoeging een bepaalde stof tot deling gebracht.
Bij een bepaald onderzoek blijkt dat in slechts één van de onderzochte bloedcellen chromosoom 13 in drievoud aanwezig is.

Beschrijf op welke wijze het driemaal voorkomen van chromosoom 13 in deze bloedcel kan zijn ontstaan.

Voortplanting

1/9 Kikkers.

De groene kikker (Rana esculenta L.) heeft een zeer speciaal voortplantingsgedrag. In het voorjaar komen grote groepen mannetjes bij elkaar die twee keer per dag, ‘s morgens en ‘s avonds, oorverdovend kwaken. Dit zijn de 'kikkerkoren'. Voorbeelden van soorten gedrag zijn: balts en territoriumgedrag.

Tot welk soort gedrag behoort het kwaken van kikkers in kikkerkoren?

Voortplanting

2/9 Kikkers.

Bij kikkers vindt uitwendige bevruchting plaats: het mannetje spuit zijn zaadcellen over de vers gelegde eieren van het vrouwtje. Voor de paring gaan een mannetje en een vrouwtje in ampex. Dit betekent dat het mannetje op de rug van het vrouwtje klimt en zich aan haar vastklampt. Zo'n ampex kan wel een etmaal duren. Als de ampex lang genoeg geduurd heeft, zet het vrouwtje, met nog steeds het mannetje op haar rug, haar eieren aan het wateroppervlak af.

Over een ampex worden de volgende uitspraken gedaan:
Uitspraak 1: Pas tijdens een ampex worden er in het lichaam van de kikker geslachtshormonen gevormd.
Uitspraak 2: Het instandhouden van een ampex wordt mede geregeld door één of meer hormonen.

Welke van de bovenstaande uitspraken is of zijn juist?

Voortplanting

3/9 Kikkers.

Kikkereieren worden zowel door vissen (vanuit het water) als door vogels (vanuit de lucht) als voedsel gebruikt. Deze eieren vallen niet al te zeer op in hun milieu: sloten met een vaak modderige bodem.

Leid uit deze informatie af door welke schutkleur of schutkleuren de eieren van kikkers zo min mogelijk opvallen?

Voortplanting

4/9 Kikkers.

Ook bij de kabeljauw vindt uitwendige bevruchting plaats. Mannetjes zetten hun zaadcellen af in het water en vrouwtjes hun eicellen. Bevruchting is min of meer een kwestie van toeval.

Is het aantal afgezette eieren per vrouwtje bij de kabeljauw groter, gelijk of kleiner dan bij de kikker?

Voortplanting

5/9 Kikkers.

Uit een opgejaagde kikkerpopulatie vangt men 52 dieren. Deze dieren krijgen een dun elastisch ringetje om een poot. Vervolgens worden ze weer losgelaten in de populatie. Na een week vangt men op dezelfde wijze opnieuw kikkers: 43 dieren. Daarvan blijken er 13 geringd te zijn.

Bereken de populatiegrootte.

Voortplanting

6/9 Kikkers.

Het ringetje dat de kikkers om de poot krijgen, blijkt aan de strakke kant. De kikkers zijn trager geworden en hebben hier met name last van bij het springen en zwemmen.

Is de werkelijke populatie in dit geval juist geschat of is deze groter of is deze kleiner dan de berekende waarde? Leg je antwoord uit.

Voortplanting

7/9 Kikkers.

In sommige kikkerpopulaties komen bij dieren jonger dan twee jaar veel meer vrouwtjes dan mannetjes voor. Het aantal mannetjes en het aantal vrouwtjes dat ouder is dan twee jaar, is in deze populaties ongeveer gelijk.
Er blijken bepaalde jonge dieren te zijn die genotypisch mannetje zijn maar fenotypisch vrouwtje. Deze vrouwtjes veranderen vanaf een bepaald tijdstip in mannetjes. Het omgekeerde verschijnsel, dat genotypische vrouwtjes eruit kunnen zien als mannetje, komt niet voor.
Het verschijnsel werd voor het eerst in 1882 door de Duitse bioloog Pflüger beschreven.
Toen Pflüger voor het eerst de ongelijke verdeling van mannetjes en vrouwtjes bij dieren jonger dan twee jaar ontdekte, gaf hij een meer voor de hand liggende verklaring voor dit verschijnsel.

Wat was een meer voor de hand liggende verklaring?

Voortplanting

8/9 Kikkers.

Bij kikkers hebben vrouwtjes net als mensen twee X- chromosomen en mannetjes een X- en een Y-chromosoom. Ook het geslachtshormonale systeem vertoont veel overeenkomsten. Theoretisch kan men vier combinaties van geslacht en geslachtschromosomen bedenken.

Welke combinatie komt in een kikkerpopulatie niet voor?

Voortplanting

9/9 Kikkers.

Tijdens de geslachtsverandering van jonge vrouwtjes tot jonge mannetjes worden de eierstokken omgebouwd tot testes. Dit is een verandering van de primaire geslachtskenmerken. Als gevolg hiervan zullen ook de secundaire geslachtskenmerken veranderen.

Leg uit hoe deze verandering van de secundaire geslachtskenmerken geregeld wordt.

Voortplanting

1/2 Voortplanting bij wieren.
Zie figuur B 1113 van de bijlage.

Draadwieren kunnen zich op twee manieren voortplanten. Bij de ene vorm van voortplanting breekt een stukje van een wier af. Dit stukje groeit weer uit tot een nieuw wier. Bij de andere vorm van voortplanting wordt een zygote gevormd zoals de afbeelding weergeeft.
De twee wieren P en Q vormen uitstulpingen, die met elkaar een verbinding vormen. Via deze verbinding verplaatst een cel uit wier P zich naar een cel in wier Q. Beide cellen versmelten met elkaar zodat een zygote ontstaat. Deze zygote ondergaat meiose, waarna een nieuw draadwier groeit.

Het aantal chromosomen van de zygote is 28.

Hoe groot is het aantal chromosomen van een cel in wier P?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/2 Voortplanting bij wieren.
Zie figuur B 1113 van de bijlage.

Over het afgebeelde voortplantingsproces worden de volgende beweringen gedaan:

1. Door dit proces kunnen wieren ontstaan met een ander genotype dan de oorspronkelijke wieren P en Q.
2. Door dit voortplantingsproces is de overlevingskans van deze draadwiersoort groter dan wanneer dit voortplantingsproces niet zou bestaan.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Snoeken.
Zie figuur B 3805 van de bijlage.

In het Nederlandse zoete water komt, net zoals in de rest van Europa en Azië, de snoek, Esox lucius, voor. In de wateren van de Verenigde Staten en Canada komen de snoeksoorten Esox masquinongy en Esox niger voor en van Esox americanus de ondersoorten Esox americanus americanus en Esox americanus vermiculatus.
In de afbeelding is het verspreidingsgebied van snoeken weergegeven.
Omdat de snoek een geliefde sportvis is, heeft men in kwekerijen snoeken gekruist en de nakomelingen in viswater uitgezet. In gevangenschap zullen snoeken van dezelfde soort gemakkelijk nakomelingen krijgen. Men heeft ook geprobeerd exemplaren van verschillende snoeksoorten met elkaar te kruisen.

Tussen welke van de hierboven genoemde vier Noord-Amerikaanse snoeken is een kruising met zekerheid succesvol?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Vlinders.
Zie figuur B 6818 van de bijlage.

Twee vlindersoorten die in Nederland verdwenen waren, zijn sinds 30 juli 1990 weer terug: het Pimpernelblauwtje (Maculinea teleius) en het Donker pimpernelblauwtje (Maculinea nausithous).
Vlinderliefhebbers lieten op die datum 156 exemplaren los in een natuurgebied, 86 Pimpernelblauwtjes en 70 Donker pimpernelblauwtjes. Sindsdien verschijnen deze blauwtjes elke zomer weer in behoorlijke aantallen, niet verspreid over het gehele natuurgebied, maar alleen op de plek waar ze uitgezet zijn.
De moeilijkheid om zich te verspreiden over een groter gebied, zit hem vooral in het tweegangenmenu van de rupsen van deze blauwtjes. De vrouwtjes leggen hun eitjes op de bloemen van de Grote pimpernel en de rupsen leven enkele weken van de zaden van deze plant. Daarna willen ze andere kost, te weten mierenlarven. Maar die mierenlarven worden door agressieve werksters uit de mierenkolonie bewaakt.
De rupsen hanteren geraffineerde trucs om veilig in die nesten te komen. Ze laten zich op de grond vallen en scheiden geurstoffen af die lijken op de geurstoffen van mierenlarven. Elke blauwtjessoort is daarbij gespecialiseerd in een eigen gastheersoort: de rups van het Pimpernelblauwtje legt zich toe op de Ruwknoopmier, de rups van het Donker pimpernelblauwtje belaagt de Rode steekmier. De rupsen hebben het formaat en het gedrag van een mierenlarf. Op hun rug zit een zoete stof. Daar komen de mieren op af, betasten de rupsen en brengen ze daarna naar hun nest. In het nest zijn de rupsen beschermd tegen kou en vijanden.
Bovendien hebben ze daar volop voedsel.
De rupsen hebben huidplooien om hun kop, waardoor ze kunnen eten zonder dat de werksters iets in de gaten hebben. De rupsen groeien als kool, verpoppen en de nieuwe vlinders verlaten de volgende zomer vroeg op een ochtend het mierennest, vóór de werksters actief zijn.
Het Pimpernelblauwtje nam vanaf 1990 de eerste drie jaar in aantal toe, daarna ging het snel bergafwaarts. In 1996 was de stand zelfs terug bij het uitgangspunt van 1990 om uiteindelijk in 2001 een stabiele omvang te bereiken van driehonderd exemplaren.

bewerkt naar: Willy van Strien, 'Kieskeurige vlinder vliegt niet uit', de Volkskrant, 6 oktober 2001

Irma Wynhoff doet onderzoek aan de verspreiding van de blauwtjes. Doorslaggevend is volgens haar een stabiel, vlindervriendelijk terreinbeheer. Van juni tot begin september mag er niet worden gemaaid. Toen dit per vergissing wel een keer gebeurde, verbleven er alleen nog maar Pimpernelblauwtjes in het oorspronkelijke gebied.
Met behulp van DNA- en eiwitonderzoek toonde de onderzoekster aan dat de oorspronkelijke populatie maar weinig genetische variatie bezat.

Wat is het gevolg van die geringe genetische variatie?

afbeeldingafbeelding

Evolutie

Hongerdieet.

Het verouderingsproces, traag of snel, lijkt op zichzelf geen enkel evolutionair doel te dienen. Zodra een lichaam de kans heeft gehad zich voort te planten, maakt het voor de evolutie ‘niet meer uit' wat er met dat lichaam gebeurt. Je kunt de veroudering van een cel vergelijken met het verslijten van een auto of een wasmachine. Het gebruik van deze apparaten leidt noodzakelijkerwijs tot slijtage. Net zoals tussen merken auto's en wasmachines verschilt de levensduur tussen soorten. De snelheid van veroudering is het resultaat van de balans tussen ‘energie gebruiken om de cellen intact te houden' en ‘energie gebruiken om zich voort te planten'. Omdat er maar een beperkte hoeveelheid energie beschikbaar is, gaat het een ten koste van het ander. En naar welke kant de balans doorslaat – onderhoud van cellen of voortplanting – hangt af van de levenswijze van het organisme.
Bij muizen slaat de balans door naar voortplanting, bij bijvoorbeeld de visarend of de leeuw naar de andere kant.

Leg uit waardoor bij muizen de balans doorslaat naar voortplanting.