Oefentoets Biologie: Bloed - transfusie | VMBO theoretische leerweg, 4

Deze oefentoets bevat 28 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

28

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Bloed

1/17 Boed geven.

INFORMATIE 1 BLOEDDONOR WORDEN
Barry is 25 jaar. Hij heeft zich opgegeven om bloed af te staan als bloeddonor. Hij is tot deze beslissing gekomen, omdat zijn vriend Kees hemofilie heeft, een erfelijke bloedziekte. Als gevolg van deze ziekte kan het bloed niet goed stollen. Hij mist een bepaald eiwit in zijn bloed.
Voor de behandeling van zijn ziekte krijgt Kees regelmatig dit eiwit, stollingsfactor VIII, uit donorbloed toegediend.

INFORMATIE 2 HEMOFILIE
Hemofilie wordt veroorzaakt door een recessief gen (a). Dit gen ligt op het X-chromosoom, maar niet op het Y-chromosoom. Omdat een man maar één X-chromosoom heeft, kan het genotype van Kees als volgt worden aangegeven: Xa Y- . Mensen met het dominante gen (A) hebben de ziekte niet.
Ellen, de vrouw van Kees, heeft op beide X-chromosomen het dominante gen (A). Haar genotype wordt zó aangegeven: Xa Xa .

Zie figuur A 714 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding

INFORMATIE 3 BLOEDONDERZOEK
Voordat Barry de eerste keer bloed gaat geven, worden er drie buisjes bloed afgenomen voor onderzoek. In het laboratorium wordt onderzocht of het bloed virussen bevat die ziektes kunnen veroorzaken zoals AIDS en hepatitis. Als het bloed besmet is met zo'n virus, kan het niet gebruikt worden voor een bloedtransfusie.
Ook wordt in het laboratorium de bloedgroep van de donor bepaald.
Het onderzoek naar AIDS en hepatitis wordt bij elke bloedafname herhaald.

Zie volgende scherm

Bloed

2/17 Boed geven.

INFORMATIE 4 BLOEDGROEP BEPALEN
Zie figuur B 2919 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
Om iemands bloedgroep te bepalen worden twee druppels van zijn bloed op een glaasje gebracht. Aan elke druppel bloed wordt een beetje testvloeistof uit een flesje toegevoegd, zoals is weergegeven in het schema.
Vervolgens wordt gekeken of er wél of geen samenklontering optreedt in de bloeddruppels. Hieruit kan dan de bloedgroep afgeleid worden.

INFORMATIE 5 BLOEDAFNAME
Barry is door de keuringsarts goedgekeurd als donor en gaat voor de eerste keer bloed geven. Hij neemt plaats in een speciale stoel en er wordt een band om zijn linker bovenarm aangebracht. Door deze band worden de grote bloedvaten vlak onder de huid afgebonden. Het bloed kan in die bloedvaten dan niet verder stromen. Hierdoor zwellen deze bloedvaten op. In zo'n opgezwollen bloedvat wordt een naald gestoken en via een slangetje wordt een halve liter bloed uit zijn arm opgevangen in een plastic zak.

INFORMATIE 6 HERSTEL
Als bloeddonor heeft Barry ongeveer 10% van zijn bloed afgegeven. Hij voelt zich de eerste uren een beetje zwak. Het herstel begint al snel. Binnen een paar uur vult het lichaam de hoeveelheid water in het bloed weer aan. De aanmaak van bloeddeeltjes duurt langer. Pas na enkele weken zijn die weer aangevuld.

Zie volgende scherm

Bloed

3/17 Boed geven.

INFORMATIE 7 VORMING VAN NIEUWE BLOEDDEELTJES
Zie figuur B 2922 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
In het rode beenmerg bevinden zich zogenaamde stamcellen die zich kunnen ontwikkelen tot de verschillende soorten bloeddeeltjes. Bij volwassenen komt het rode beenmerg voor in platte botten en in de uiteinden van het dijbeen en het opperarmbeen.

INFORMATIE 8 SPLITSING VAN DONORBLOED
Donorbloed wordt onder andere gebruikt voor bloedtransfusies. Bij een bloedtransfusie wordt een deel van het donorbloed in het bloed van een patiënt gebracht, bijvoorbeeld om bepaalde ziekten te behandelen. Bij zo'n bloedtransfusie wordt zelden 'vol' bloed gegeven. Meestal wordt donorbloed gesplitst in drie delen:
- de bloedplaatjes
- het bloedplasma
- de rode bloedcellen

INFORMATIE 9 BLOEDARMOEDE
Bloedarmoede kan veroorzaakt worden door ijzergebrek. Een patiënt met bloedarmoede heeft dan minder rode bloedcellen. Deze vorm van bloedarmoede kan behandeld worden met zogenaamde staalpillen die ijzer bevatten. Het lichaam kan dan weer meer rode bloedcellen bijmaken.

Zie volgende scherm

Bloed

4/17 Boed geven.

In informatie 2 staat dat stollingsfactor VIII nodig is om het bloed goed te laten stollen.

Welke bloeddeeltjes spelen ook een rol bij de bloedstolling?

de [invulveld]

Bloed

5/17 Boed geven.

Kees heeft hemofilie (zie informatie 1 en 2). Zijn zus Mirjam heeft de ziekte niet.

Wat kan het genotype van Mirjam zijn?

Bloed

6/17 Boed geven.
Zie figuur B 3189 van de bijlage.

Voor een bloedafname wordt een band om de bovenarm aangebracht en wordt een naald in een bloedvat gestoken (zie informatie 4 en de afbeelding). Na het aanprikken wordt de band verwijderd.

Wordt de naald in een ader, in een haarvat of in een slagader gestoken?

afbeeldingafbeelding

Bloed

7/17 Boed geven.
Zie figuur B 2921 van de bijlage.

Voor een bloedafname wordt een band om de arm aangebracht en een naald in een bloedvat gestoken (zie informatie 5). Na het aanprikken wordt de band verwijderd.
In de afbeelding zijn twee mogelijke plaatsen van de band weergegeven.

Welke tekening geeft de juiste plaats aan waar de band wordt aangebracht? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Bloed

8/17 Boed geven.

Bereken met behulp van de gegevens uit de informatie hoeveel liter bloed Barry ongeveer heeft, voordat hij bloed gaat geven. Schrijf de berekening op.

Bloed

9/17 Boed geven.
Zie figuur B 2922 en B 2923 van de bijlage.

In informatie 7 (en afbeelding B 2922) staat dat bloeddeeltjes zich ontwikkelen uit stamcellen.

In welk deel van het dijbeen uit afbeelding B 2923 bevinden deze stamcellen zich bij volwassenen?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Bloed

10/17 Boed geven.

Barry doet veel aan sport. Zo is hij gewend om zeker eenmaal in de week 10 à 15 kilometer hard te lopen. Een dag nadat hij bloed heeft gegeven, gaat hij 15 kilometer hardlopen. Hij wordt echter sneller moe dan wanneer hij geen bloed heeft gegeven. Dit wordt veroorzaakt door een gebrek aan rode bloedcellen.

Leg uit waardoor een gebrek aan rode bloedcellen tot gevolg heeft dat Barry sneller moe wordt.

Bloed

11/17 Boed geven.
Zie figuur B 2922 van de bijlage.

In de afbeelding staan verschillende typen bloeddeeltjes afgebeeld.
Hemofilie wordt veroorzaakt door een recessief gen (zie informatie 2). Dit gen bevindt zich bij Kees wèl in de witte bloedcellen, maar niet in de rode bloedcellen.

Leg met behulp van informatie 6 uit dat dit gen zich niet in de rode bloedcellen kan bevinden.

afbeeldingafbeelding

Bloed

12/17 Boed geven.

Donorbloed wordt gesplitst in drie delen (zie informatie 8).
Kees krijgt voor de behandeling van zijn ziekte regelmatig stollingsfactor VIII uit donorbloed toegediend (zie informatie 2).

In welk deel van donorbloed bevindt stollingsfactor VIII zich?

Bloed

13/17 Boed geven.

Een onderzoeker vraagt zich af of het aanmaken van rode bloedcellen na een bloeddonatie versneld kan worden door staaltabletten in te nemen. Hij wil een onderzoek opzetten om dit na te gaan.

Schrijf een werkplan op voor zo'n onderzoek.

Bloed

14/17 Boed geven.

Sommige ziekten kunnen door een bloedtransfusie overgebracht worden uit het bloed van een donor naar een patiënt.
In de informatie worden enkele ziekten genoemd die te maken hebben met bloed, zoals bloedarmoede en hepatitis.

Kan bloedarmoede door een bloedtransfusie overgebracht worden?
En kan hepatitis door een bloedtransfusie overgebracht worden?

Bloed

15/17 Boed geven.

Toen Johan (de zoon van Kees en Ellen) werd geboren, wist Kees dat zijn zoon geen hemofilie zou hebben. Een man met hemofilie, zoals Kees, kan het gen voor deze ziekte namelijk nooit overdragen op zijn zoon.

Leg met behulp van de gegevens uit informatie 2 uit dat Kees het gen voor hemofilie niet kan overdragen op een zoon.

Bloed

17/17 Boed geven.

Een hemofiliepatiënt mag nooit bloeddonor worden.

Leg met behulp van informatie 1 uit wat er bij een hemofiliepatiënt mis zou kunnen gaan na het geven van bloed.

Bloed

1/2 Bloedtransfusie.
Zie figuur A 960 van de bijlage.

Als iemand bloed toegediend krijgt, wordt meestal bloed van dezelfde bloedgroep gebruikt. Vóór de bloedtransfusie wordt de bloedgroep van de ontvanger bepaald. Twee druppels bloed worden op een voorwerpglaasje gebracht. Aan de ene druppel bloed wordt wat vloeistof met anti-A toegevoegd, aan de andere wat vloeistof met anti-B.
In de afbeelding zijn vier mogelijke resultaten van een bloedgroepbepaling weergegeven.

Welke letter geeft het resultaat aan van een bepaling van bloedgroep 0?

afbeeldingafbeelding

Bloed

2/2 Bloedtransfusie.
Zie figuur B 3428 van de bijlage.

Als er niet voldoende bloed beschikbaar is van de juiste bloedgroep, kan ook een kleine hoeveelheid bloed van een andere groep gebruikt worden. Dit kan alleen als het bloed van de donor geen bloedgroep-antigenen bevat waartegen de ontvanger antistoffen maakt. Zo kan bloed van bloedgroep 0 aan elke ontvanger worden gegeven.
Dit staat in het hiernaast staande schema weergegeven.
Het schema geeft niet alle mogelijkheden weer voor bloedtransfusie tussen verschillende bloedgroepen. Er zijn nog twee andere mogelijkheden, uitgaande van bovenstaande informatie.

Zie figuur B 1934 van de bijlage.

Geef met twee pijlen in het schema op de uitwerkbijlage aan wat die twee andere mogelijkheden zijn.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Bloed

2/7 Plasmaferese.

In het bloedplasma bevindt zich een stof die betrokken is bij de bloedstolling.

Wat is de naam van deze stof?

Deze stof heet [invulveld]

Bloed

3/7 Plasmaferese.

Om bloed af te nemen wordt een naald in een armader van de donor geprikt. Een armader ligt dichter onder de huid en heeft een dunnere wand dan een armslagader.

Noem nog een ander verschil tussen een armader en een armslagader.

Bloed

4/7 Plasmaferese.
Zie figuur B 2992 van de bijlage.

In de afbeelding is een doorsnede van het hart weergegeven. Na de plasmaferese worden de bloeddeeltjes teruggevoerd naar het bloed in de armader. Dit bloed stroomt uiteindelijk weer naar het hart toe.

In welk deel van het hart komt dit bloed dan als eerste terecht?

afbeeldingafbeelding

Bloed

5/7 Plasmaferese.

Uit het plasma dat bij de plasmaferese wordt opgevangen, worden verschillende eiwitten gehaald, onder andere antistoffen. Bepaalde antistoffen worden toegediend aan mensen met hepatitis.

Hoe heten de bloeddeeltjes die antistoffen maken?

Bloed

6/7 Plasmaferese.

Is de toediening van antistoffen actieve of passieve immunisatie? Leg je antwoord uit.

Bloed

7/7 Plasmaferese.

Plasmaferese heeft minder gevolgen voor het lichaam van een donor dan gewone bloeddonatie, omdat de bloeddeeltjes weer teruggevoerd worden in het bloed van de donor. Het aanmaken van nieuwe bloeddeeltjes na een gewone bloedafname duurt ongeveer vier tot zes weken.

Welk weefsel maakt nieuwe bloeddeeltjes?