Oefentoets Biologie: Gedrag - Algemeen | HAVO 3/HAVO 4/HAVO 5 - variant 7

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 3, HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

1/5 Misleiding van bijen.
Zie figuur B 2401 van de bijlage.

In de afbeelding is de bestuiving weergegeven van een Vliegenorchis (Ophrys insectifera L.) door een bij.
Deze orchidee maakt geen grote hoeveelheden stuifmeel en ook geen nectar. De aantrekkingskracht van de bloem is gelegen in de grote gelijkenis met een bepaalde bijensoort en met een bepaalde soort graafwesp.
Mannetjes van deze insecten worden door de vorm van de bloemen aangetrokken: ze proberen met de bloemen te paren. Wanneer een mannetje dat doet, komen door de bouw van de bloem stuifmeelklompjes op zijn kop terecht. Bij het bezoek aan een volgende bloem worden deze stuifmeelklompjes overgebracht op de stempel van deze bloem.

Wat is de motiverende factor voor het beschreven gedrag van de mannetjes?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/5 Misleiding van bijen.

Wat is de prikkel die leidt tot het beschreven gedrag van de mannetjes?

Gedrag

3/5 Misleiding van bijen.

De beschreven manier van bestuiving wordt aangeduid met 'parasitaire bestuiving', omdat de orchidee voordeel heeft en het insect nadeel.

Leg uit waarom deze manier van bestuiving voor het insect nadelig is.

Gedrag

4/5 Misleiding van bijen.

In Nederland komt de Vliegenorchis tegenwoordig uitsluitend in Zuid Limburg voor. In Europa wordt de Vliegenorchis verder onder meer aangetroffen in Ierland, Denemarken, Oostenrijk en Frankrijk, zowel in bosjes als op stenige hellingen en tussen gras. Met betrekking tot de pH en het kalkgehalte van de bodem is de Vliegenorchis niet kieskeurig.
Op grond daarvan zou je kunnen verwachten dat de Vliegenorchis in de genoemde landen algemeen voorkomt. Toch is de Vliegenorchis een zeldzame plant.

Formuleer op grond van de gegevens over de Vliegenorchis een hypothese waarmee deze zeldzaamheid kan worden verklaard.

Gedrag

5/5 Misleiding van bijen.

In een volk bijen komen drie verschillende typen bijen voor: de werkster, de dar en de koningin. Wanneer in een volk een nieuwe koningin ontstaat, verlaat deze meestal met een deel van het volk de bijenkast waardoor een nieuw volk kan worden gevormd. Tijdens deze zogenaamde bruidsvlucht paart zij meestal met meer dan één dar. Ze slaat de spermacellen van deze darren in haar lichaam op; deze spermacellen kunnen de eieren bevruchten die zij tijdens haar leven legt.
Bij bijen ontstaat uit een bevrucht ei een werkster of een koningin; darren ontstaan uit onbevruchte eieren en zijn haploïd.
Een bepaalde bijenkoningin heeft een borststuk dat kort behaard is. Kortharig is een intermediair fenotype dat ontstaat als zowel het allel voor kaal als het allel voor langharig aanwezig zijn.

Welke fenotypen met betrekking tot deze eigenschap komen voor bij darren die zich uit eieren van deze koningin ontwikkelen?
En in welke verhouding?
Of is daarover geen uitspraak mogelijk?

Gedrag

1/5 Nachtzwaluwen.

Tekst:
Bij de Nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus) verlopen de balts en het broedgedrag als volgt.
Het mannetje glipt geruisloos tussen de bomen door. Soms gaat hij op een tak zitten "err-en": hij maakt een lang trillend geluid, dat klinkt als "errr-or err-or err". Soms antwoordt het wijfje en vliegt op. Hij volgt haar dan onmiddellijk, vliegt recht omhoog en maakt een aantal prachtige buitelingen, waarbij hij vaak zijn vleugels boven zijn rug tegen elkaar kletst. Vaak hoor je een kreet als "schroei". De achtervolging eindigt als ze een geschikte nestelplaats ergens op de grond gevonden hebben. Ze strijken samen neer, het vrouwtje neemt een gebogen houding aan en de vogels gaan over tot de paring.
Ze bouwen geen nest, maar maken een eenvoudig kuiltje op de kale grond, waarbij het vrouwtje hinderlijke grashalmen verwijdert. Vanaf half mei legt het vrouwtje twee eieren in het kuiltje. Bij het broeden draait het vrouwtje de dagdiensten alleen, pas bij het invallen van de duisternis komt manlief haar voor een korte periode aflossen. Als een mens of dier het legsel heeft aangeraakt of verschoven, rolt de nachtzwaluw de eieren naar een ander plekje, enkele meters van het oorspronkelijke. Als ze worden verrast bij het nest, doen de vogels alsof ze vleugellam zijn en lopen ze langzaam bij het nest weg.

bronnen: Grzimek, Het leven der dieren; deel Vll: Vogels 2, p. 479 Thijsse, J.P., Zomer, Verkade album, p. 37-38

In Nederland komen naast de Nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus), die overigens geen echte zwaluw is maar meer verwant is aan de spechten, ook de Gierzwaluw (Apus apus), de Boerenzwaluw (Hirundo rustica), de Huiszwaluw (Delichon urbica) en de Oeverzwaluw (Riparia riparia) als broedvogel voor.

Tot hoeveel genera (geslachten) worden deze vijf in Nederland broedende vogelsoorten gerekend? Leg je antwoord uit.

Gedrag

2/5 Nachtzwaluwen.

Noem drie in de tekst vermelde prikkels, die een bepaalde reactie opwekken bij het mannetje of het vrouwtje; zet achter alle drie tot welke reactie die prikkel leidt.

Gedrag

3/5 Nachtzwaluwen.

Ook volwassen nachtzwaluwen die hun ouders nooit gezien hebben, lopen vleugellam weg als ze op het nest verrast worden.

Hoe komt dit type gedrag tot stand?

Gedrag

4/5 Nachtzwaluwen.

Nachtzwaluwen leven van insecten, waarop ze in de schemering jacht maken. Op een bewolkte, koude avond zijn er vaak weinig insecten, zodat de vogels honger lijden. Houdt die honger enige tijd aan, dan kunnen nachtzwaluwen in een soort "koudeverstijving" raken: hun lichaamstemperatuur daalt, waardoor ze niet actief kunnen zijn.

Leg uit waardoor de daling van hun lichaamstemperatuur leidt tot een verlaging van de stofwisseling.

Gedrag

5/5 Nachtzwaluwen.

Welk voordeel heeft deze inactiviteit voor de nachtzwaluw?

Gedrag

1/2 Kleine plevieren.
Zie figuur A 328 van de bijlage.

Bij de Kleine plevier komt schijnnestelgedrag voor. Dit houdt in dat een mannetje en een wijfje samen nestkuiltjes maken, waarbij ze onder andere een gedrag vertonen dat lijkt op de aflossing tijdens het broeden.
In deze schijnnestkuiltjes zijn echter nog geen eieren aanwezig. In de afbeelding is te zien hoe het mannetje, tijdens een schijnaflossing, zijn vleugels opvallend als een parapluutje uitspreidt over het wijfje dat schijnnestelgedrag vertoont.

Bij welk gedragssysteem hoort het schijnnestelen van de Kleine plevier?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/2 Kleine plevieren.

Als er enkele dagen later wel eieren in zo'n nestkuiltje liggen, nemen de partners tijdens het aflossen bij het broeden veel minder opvallende houdingen aan dan de afbeelding weergeeft.

Welk gevaar is eraan verbonden als de partners elkaar tijdens het werkelijke broeden op dezelfde wijze zouden aflossen als tijdens het schijnnestelgedrag?

Gedrag

1/3 Stekelbaarsvrouwtje kiest slechte man.

Tekst:
Het vrouwtje van de driedoornige stekelbaars wil lang niet altijd de beste man die ze zou kunnen krijgen.
Haar keus voor een toekomstige partner blijkt afhankelijk te zijn van haar eigen lichamelijke conditie. Dit blijkt uit onderzoek van het zoölogisch instituut van de universiteit van Bern.
Bij de mannetjes van de stekelbaars is de roodkleuring van de buik een maat voor de conditie van de dieren.
Hoe roder de buik, hoe vitaler het mannetje.
Vrouwtjes die op een beeldscherm tegelijkertijd een filmpje van een superrode topatleet en een zielig oranje kneusje krijgen voorgeschoteld, maken hun keus afhankelijk van hun eigen conditie. Is het vrouwtje zelf in goede doen, dan kiest ze voor de helderrode Tarzan, is ze zelf in slechte conditie, dan beperkt ze zich tot het maken van avances naar de zielige kneus.

bewerkt naar: de Volkskrant, 18 september 1999

Als een ‘paarlustig' stekelbaarsvrouwtje een stekelbaarsmannetje met een rood of oranje gekleurde buik ziet, reageert zij daarop door de baltshouding aan te nemen. De gekleurde buik veroorzaakt dus een bepaald gedrag bij het vrouwtje.

Geef de term die in de ethologie voor een dergelijk signaal, dat tot een vaste reactie leidt, wordt gebruikt.

Gedrag

2/3 Stekelbaarsvrouwtje kiest slechte man.

Een stekelbaarsvrouwtje maakt haar partnerkeuze afhankelijk van haar eigen conditie. Door dit gedrag paren vrouwtjes met een erg goede conditie met de meest vitale mannetjes.

Leg uit hoe dit gedrag voor de soort van belang kan zijn.

Gedrag

3/3 Stekelbaarsvrouwtje kiest slechte man.
Zie figuur B 3633 van de bijlage.

Een leerling trekt de conclusie in twijfel, dat minder vitale vrouwtjes eerder paren met mannetjes met een oranje buik dan met mannetjes met een rode buik. Hij vindt dat de experimenten niet juist uitgevoerd zijn.
Hij is van mening dat het kiezen van een partner via een beeldscherm makkelijk vertekende resultaten kan opleveren. Hij wil een experiment met levende dieren opzetten. Hij heeft de beschikking over een aquarium, waarin op 4 verschillende plaatsen doorzichtige of ondoorzichtige glasplaten kunnen worden geschoven (zie de afbeelding). Verder heeft hij een vrouwtje (afbeeldingafbeelding), een mannetje met een rode buik (roafbeeldingafbeelding) en een mannetje met een oranje buik (orafbeeldingafbeelding).

Teken het bovenaanzicht van het aquarium na en geef aan hoe de leerling glasplaten in het aquarium schuift en zet erbij of die platen doorzichtig of ondoorzichtig zijn. Geef in je tekening aan waar de leerling de drie vissen moet plaatsen, gebruik hiervoor de afkortingen.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

1/4 Zwarte tapuit sleept met kiezelsteentjes.
Zie figuur B 4530 van de bijlage.

De Zwarte tapuit (Oenanthe leucura) (zie de afbeelding) is een vogel die leeft in rotsachtige woestijnen en bergterreinen in Zuid-Spanje en aan de kust van Noordoost-Afrika.
Een mannetjes- en een vrouwtjestapuit blijven hun hele leven bij elkaar; ze zijn monogaam. Verschillende mannetjes proberen een vrouwtje het hof te maken. Uit deze mannetjes kiest zij haar partner. Er worden na de paring 3-6 eieren gelegd in een nest, dat zich meestal in een rotsholte bevindt. Alleen het vrouwtje broedt, maar het mannetje en het vrouwtje zorgen samen voor de kuikens. Bijzonder is dat er bij het nest een muurtje van kiezelsteentjes is te vinden dat door het mannetje wordt gebouwd met materiaal dat hij verzamelt in een straal van 10 meter rond het nest.
Met het bouwen van het muurtje probeert een mannetje een vrouwtje het hof te maken.

Hoe noem je het verzamelen van steentjes en het bouwen van een muurtje door het mannetje?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/4 Zwarte tapuit sleept met kiezelsteentjes.
Zie figuur B 4531 van de bijlage.

Moreno, Soler, Moder en Linden deden onderzoek naar aspecten van dit verzamelgedrag. Zij markeerden de kiezelsteentjes in de buurt van de nesten met verf en telden hoeveel steentjes naar de verschillende nesten werden gebracht. In de afbeelding is te zien hoeveel steentjes er bij de verschillende nesten in totaal werden gevonden.

Bereken het percentage van de nesten waarbij 100-200 steentjes zijn aangevoerd. Rond het percentage af op één decimaal.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

3/4 Zwarte tapuit sleept met kiezelsteentjes.

Wat is een mogelijke verklaring voor de waarneming dat er twee nesten zijn met een veel groter aantal steentjes dan de rest: een nest met 1100-1200 en een nest met 1300-1400 steentjes.

Gedrag

4/4 Zwarte tapuit sleept met kiezelsteentjes.

Moreno en medewerkers denken dat het gedrag van het stenen verzamelende mannetje door het vrouwtje wordt gebruikt om de kwaliteit van haar partner te ‘meten'. Zo ontdekten zij dat er een positief verband is tussen het aantal jongen in een nest dat uitgroeit tot volwassenheid en het aantal steentjes dat een mannetje bij dat nest verzamelt.

Waardoor is het vermogen om stenen aan te dragen een goede ‘maat' voor een vrouwtje om de kwaliteit van een mogelijke partner te 'meten'?

Gedrag

1/5 Een vergeten mensaap.
Zie figuur B 4934 en figuur A 743 van de bijlage.

In 1929 werd ontdekt dat er behalve de toen bekende soorten mensapen (gorilla, chimpansee en orang-oetan), nog een soort bestaat: de dwergchimpansee of bonobo.
Bonobo en chimpansee lijken in bouw erg op elkaar, maar verschillen sterk in gedrag. Met name de rolpatronen van man en vrouw verschillen. Bij chimpansees zijn de mannen dominant over de vrouwen. De mannen sluiten onderling coalities. Hierdoor verkrijgen zij het beste voedsel. Daarnaast biedt zo'n coalitie toegang tot seksueel actieve vrouwen. Conflicten worden met veel vertoon van macht opgelost.
Bij bonobo's zijn er veel minder conflicten. Hier sluiten de vrouwen coalities. Zij domineren de mannen. Met behulp van seksueel gedrag voorkomen zij geweld van de mannen en hebben zij als eerste toegang tot het voedsel. Tussen mannen worden geen coalities gesloten. Bonobovrouwen zijn zeer frequent seksueel actief met vrijwel alle mannen. Chimpanseevrouwen zijn alleen rond de ovulatie seksueel actief, met vrijwel uitsluitend hooggeplaatste mannen.

In de afbeelding A 743 is op een kaart van een westelijk deel van Afrika rond de evenaar de mogelijke verspreiding weergegeven van enige groepen mensapen omstreeks 1900.

Over deze groepen mensapen in dit deel van Afrika en hun verspreidingsgebied worden de volgende beweringen gedaan:

Bewering l: Er is één populatie weergegeven namelijk die van de mensapen.
Bewering 2: Er zijn twee populaties weergegeven namelijk bonobo's en chimpansees.
Bewering 3: Er zijn vier populaties weergegeven per verspreidingsgebied komt één populatie voor.
Bewering 4: Er zijn geen afzonderlijke populaties weergegeven; in één verspreidingsgebied kunnen meer populaties voorkomen.

Welk van deze beweringen is juist?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding