Oefentoets Biologie: Ademhaling | HAVO 4/HAVO 5 | variant 2

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ademhaling

1/2 Ademen.

De samenstelling van de lucht in de luchtwegen van de mens verandert tijdens inademing via de neus. In het traject van neusholte naar longblaasjes neemt het gehalte aan stofdeeltjes af en het waterdampgehalte neemt toe.
Delen van de luchtwegen zijn de neusholte, de luchtpijp en de hoofdbronchiën en de kleinste vertakkingen van de bronchiën.

In welk van deze delen vooral neemt het gehalte aan stofdeeltjes af en neemt het waterdampgehalte toe?

Ademhaling

2/2 Ademen.

Spieren die bij de ventilatiebewegingen zijn betrokken, zijn buikspieren, middenrifspieren. tussenribspieren die de borstkas omhoog bewegen, en tussenribspieren die de borstkas omlaag bewegen.

Welke van deze spieren trekken zich samen wanneer iemand hoest?

Ademhaling

1/2 Ademhaling.

Bij de ademhaling kunnen bij de mens de volgende spieren een rol spelen:

- de buikwandspieren,
- de middenrifspieren,
- de buitenste tussenribspieren; die bewegen de ribben omhoog,
- de binnenste tussenribspieren; die bewegen de ribben omlaag.

Iemand ademt diep in en houdt de adem in.

Welke van de genoemde spieren blijven bij het inhouden van de adem samengetrokken?

Ademhaling

2/2 Ademhaling.

De spieren van het middenrif ontspannen zich na een samentrekking.

Neemt de luchtdruk in de luchtpijp dan af, blijft deze gelijk of neemt deze toe?

Ademhaling

1/2 Lucht.

In een experiment bepaalt men de gemiddelde procentuele samenstelling van droge buitenlucht, van vochtige buitenlucht, van lucht in de longblaasjes van een proefpersoon en van een liter uitgeademde lucht van deze proefpersoon. De resultaten zijn weergegeven in de tabel hieronder.

afbeeldingafbeelding

Als droge buitenlucht wordt ingeademd, wordt deze altijd verzadigd met waterdamp.

In welke van de volgende delen van de luchtwegen neemt de lucht waterdamp op?

Ademhaling

2/2 Lucht.

De gemiddelde samenstelling van de uitgeademde lucht verschilt vrij sterk van die in de longblaasjes.

Geef de twee belangrijkste verschillen in samenstelling en noem de oorzaak van de beide verschillen.

Ademhaling

1/2 Opname via de longen.
Zie figuur A 396 van de bijlage.

In de longen stroomt het bloed door de haarvaten langs het longweefsel, zodat diffusie van gassen kan plaatsvinden. De afbeelding geeft schematisch de barrière weer tussen de lucht in een longblaasje en een rode bloedcel in een longhaarvat.
Uit de afbeelding is af te leiden hoeveel keer een zuurstofmolecuul tenminste een membraan moet passeren om vanuit de lucht in een longblaasje terecht te komen een rode bloedcel in een longbloedvat.

Hoeveel keer is dit ten minste?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

2/2 Opname via de longen.

Sommige geneesmiddelen worden door middel van een inhalator ingeademd.

Door welke eigenschap of eigenschappen van de longen wordt zo'n geneesmiddel na het inademen snel in het bloed opgenomen?

Ademhaling

1/2 Klaplong.
Zie figuur B 2398 van de bijlage.

Bij een klaplong is er sprake van een gaatje of scheurtje in het longweefsel. Dit weefsel trekt zich vervolgens door zijn elasticiteit samen. Er stroomt lucht vanuit de long in de ruimte tussen longvlies en borstvlies.
Iemand die een klaplong heeft, gaat al bij geringe inspanning hijgen.

Waardoor wordt dit hijgen vooral veroorzaakt?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

2/2 Klaplong.

Iemand heeft een klaplong. De andere long is normaal. Tijdens de inademing wordt aan de kant van de klaplong de druk in de ruimte tussen longvlies en borstvlies vergeleken met de druk in de klaplong.

Is er tijdens de inademing een verschil in druk?
Zo ja, waar is de druk het laagst?

Ademhaling

1/2 Mond-op-mondbeademing.
Zie figuur B 436 van de bijlage.

Door verschillende oorzaken kunnen bij de mens de ventilatiebewegingen tot stilstand komen. In sommige gevallen is het echter mogelijk met behulp van mond-op-mondbeademing de ventilatiebewegingen weer op gang te brengen.

Zie figuur B 436 van de bijlage.

Bij mond-op-mondbeademing blaast de hulpverlener lucht direct in de luchtwegen van het slachtoffer. Eerst blaast de hulpverlener 5-10 maal snel achter elkaar een hoeveelheid lucht in; daarna blaast hij met tussenpozen van ongeveer 5 seconden. Wanneer de beademing succes heeft, komen de ventilatiebewegingen van het slachtoffer weer op gang.

Heeft de ingeblazen lucht alleen invloed op de CO2 -concentratie, alleen op de O2 -concentratie of op de concentraties van beide gassen in de lucht in de longen van het slachtoffer?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

2/2 Mond-op-mondbeademing.

Longblaasjes hebben onder andere de volgende kenmerken:

1. ze zijn omgeven door haarvaten,
2. de wanden zijn dun,
3 de wanden zijn elastisch.

Door welk van deze kenmerken kan het slachtoffer de ingeblazen lucht uitademen?

Ademhaling

1/3 Ademhaling.

Bij een bepaalde persoon is de luchtpijp ten gevolge van overmatige slijmvorming vernauwd. De gaswisseling in de longblaasjes is daardoor slecht. Ook in rust krijgt hij het hierdoor benauwd en gaat hij hijgen. Men heeft de keus uit drie gasmengsels die deze persoon kan inademen om zijn gaswisseling te verbeteren. De mengsels hebben de volgende samenstelling:

afbeeldingafbeelding

De vochtigheidsgraad van alle drie de mengsels is laag en de temperatuur ervan bedraagt 20°C.

Door inademing van welk van de drie gasmengsels zal de gaswisseling in de longblaasjes van de persoon het meest verbeteren?

Ademhaling

2/3 Ademhaling.

Na inademing van het juiste gasmengsel wordt zijn ademhaling rustiger en komt hij zelf tot kalmte.

Is de frequentie van zijn hartslag nu lager dan, gelijk aan of hoger dan de frequentie van zijn hartslag toen hij het benauwd had?

Ademhaling

3/3 Ademhaling.

De hoeveelheid zuurstof die de weefselcellen bereikt, is onder andere afhankelijk van de volgende factoren:

1. de snelheid waarmee de lucht in de longen wordt ververst,
2. de snelheid waarmee het bloed in de bloedvaten wordt getransporteerd,
3. de snelheid waarmee de zuurstof uit het bloed naar de weefselcellen diffundeert.

Welke van deze factoren zijn direct afhankelijk van energie die in het organisme wordt vrijgemaakt?

Ademhaling

1/3 Hyperventilatie.

Het overmatig snel verversen van de lucht in de longen wordt hyperventilatie genoemd. Door bewust of onbewust snel in en uit te ademen daalt de concentratie van CO2 in het bloed. Onder invloed van een lage concentratie van CO2 in het bloed worden slagadertjes die de hersenen van bloed voorzien, nauwer.
Daardoor neemt de bloedtoevoer naar de hersenen af.

Wat zal het gevolg zijn van deze verminderde bloedtoevoer naar de hersenen?

Als gevolg daarvan

Ademhaling

2/3 Hyperventilatie.

Een persoon raakt opgewonden en begint te hyperventileren. Om de hyperventilatie te stoppen, pakt hij een plastic zak.

Wat moet hij met behulp van deze plastic zak doen om de hyperventilatie te stoppen?

Ademhaling

3/3 Hyperventilatie.

In strijd met de voorschriften wil een duikster, die zonder duikapparatuur gaat duiken, hyperventileren voordat zij met haar duik begint. Over de reden waarom zij dit wil doen, geeft zij drie beweringen:

1. hierdoor zal de zuurstofconcentratie in mijn longlucht toenemen;
2. hierdoor zullen mijn ventilatiebewegingen minder snel op gang komen;
3. hierdoor zal onder water de druk in mijn longen minder snel stijgen.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

1/3 Rokershoest.

De reiniging van de lucht in de luchtwegen begint in de neus, waar haren de grote stofdeeltjes tegenhouden. Slijm dat wordt gevormd door de slijmvliezen in neus, keel, luchtpijp en bronchiën, vangt de kleine stofdeeltjes op. Door activiteit van trilhaarcellen wordt slijm met stofdeeltjes uit de lagere luchtwegen naar de keel getransporteerd, waar het kan worden doorgeslikt of uitgespuwd. De beweging van deze trilharen wordt onder andere verminderd door ingeademde tabaksrook. Doordat roken de slijmafvoer vermindert, kan de slijmlaag in de luchtwegen van rokers wel drie maal zo dik zijn als normaal. Als er teveel slijm in de fijne vertakkingen van de luchtwegen komt, krijgt iemand het benauwd en gaat hij hoesten. Tabaksrook bevat bovendien koolstofmonoxide waardoor de binding van zuurstof aan hemoglobine sterk vermindert.
Iemand krijgt het benauwd doordat zich teveel slijm in zijn luchtwegen bevindt. Daardoor nemen zijn ventilatiebewegingen toe.

Welke verandering in zijn bloed is oorzaak van de snellere ventilatiebewegingen?

Ademhaling

2/3 Rokershoest.

Bij de ventilatiebewegingen kunnen spieren van het middenrif, verschillende tussenribspieren en spieren van de buikwand een rol spelen.

Welke van deze spieren trekken zich tijdens het uithoesten samen?