Oefentoets Biologie: Osmose_diffusie - Osmose_diffusie | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 12 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

12

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Osmose

Osmose in aardappelen.

Uit een verse aardappel worden twee staafjes van gelijke doorsnede en gelijke lengte gesneden. Deze staafjes worden elk in een oplossing van kaliumnitraat gelegd; het ene staafje in een oplossing van 0,5%, het andere in een oplossing van 1,5%.
Na een uur blijkt dat het staafje in de oplossing van 1,5% een weinig langer is geworden en dat het staafje in de oplossing van 0,5% veel langer is geworden.

Wat kan geconcludeerd worden over de concentratie van opgeloste deeltjes in het vacuolevocht van de cellen van de staafjes aardappel vóór ze in de oplossingen gelegd werden?

Osmose

Intercellulair vocht en vacuolevocht in een aardappel.

In een verse aardappel bevindt zich vocht tussen de cellen: intercellulair vocht.

Is de concentratie van opgeloste stoffen in het intercellulaire vocht van deze aardappel lager dan, gelijk aan of hoger dan die in het vacuolevocht?

Osmose

Plantencel in oplossingen.

Een plantencel ligt in zuiver water. Er gaat evenveel water in als uit de cel. De osmotische waarde van de cel komt overeen met die van een 0,9% NaCl-oplossing.
In een bepaalde NaCl-oplossing is de turgor van de cel juist nul geworden (grensplasmolyse). De cel heeft dan een tiende van zijn volume verloren.

Wat is de concentratie van deze NaCl-oplossing?

Osmose

Aardappel in een glucose-oplossing.

Een vers stukje aardappel wordt gewogen en daarna in een glucose-oplossing gelegd. Na een uur wordt het eruit gehaald, afgedroogd en opnieuw gewogen. Het gewicht is toegenomen.

Wat valt hieruit af te leiden over de concentratie opgeloste deeltjes in het vacuolevocht vóór de proef, vergeleken met de concentratie van de glucose-oplossing?

De concentratie van de opgeloste deeltjes in het vacuolevocht vóór de proef kan

Osmose

Aardappel in een glucose-oplossing.

Een vers stukje van een pas gerooide aardappel wordt gewogen en daarna in een glucose-oplossing gelegd.
Na een uur wordt het eruit gehaald, afgedroogd en opnieuw gewogen.
Het gewicht is gelijk gebleven.

Wat valt hieruit af te leiden over de concentratie opgeloste deeltjes van het vacuolevocht, vergeleken met de concentratie van de glucose-oplossing?

De concentratie van de opgeloste deeltjes van het vacuolevocht kan

Osmose

Concentraties in plantencellen.
Zie figuur B 68 van de bijlage.

De tekening geeft schematisch een dwarsdoorsnede van een wortel van een zaadplant weer.

Is op plaats 1 de concentratie van opgeloste stoffen in de oplossing die zich in de celwanden bevindt, kleiner dan of even groot als de concentratie van opgeloste stoffen in de vacuolen?
En is op plaats 2 de concentratie van opgeloste stoffen in de oplossing die zich in de wanden van de houtvaten bevindt, kleiner dan of even groot als de concentratie van opgeloste stoffen in de oplossing die door de houtvaten stroomt?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Osmose

Aardappelstaafjes.
Zie figuur B 1462 van de bijlage.

Van een aantal staafjes uit een verse aardappel wordt de lengte bepaald (de beginlengte). Hierna worden de staafjes over zoutoplossingen van verschillende concentraties verdeeld. Na 24 uur in een oplossing gelegen te hebben, wordt elk staafje weer gemeten (de eindlengte). Deze eindlengte van elk staafje wordt uitgedrukt als percentage van zijn beginlengte.
Het diagram (zie de afbeelding) geeft het verband weer tussen de eindlengtes en de concentraties van de zoutoplossingen waarin de staafjes hebben gelegen.

Bij welke van de concentraties P, Q en R is aan het eind van de proef de concentratie van opgeloste deeltjes in de aardappelcellen gelijk aan de concentratie van de zoutoplossing?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Een blokje uit een aardappel.

Bij een proef wordt uit een verse aardappel een blokje gesneden. Dit blokje wordt ondergedompeld in een bakje met een zoutoplossing. Wanneer na enige tijd het volume van het blokje wordt bepaald, blijkt dit niet te zijn veranderd.

Is aan het eind van de proef de concentratie van opgeloste stoffen in de omringende zoutoplossing lager dan, gelijk aan of hoger dan de concentratie van opgeloste stoffen in het vacuolevocht van de aardappelcellen van het blokje?
Of kan dat niet uit het resultaat worden afgeleid?

Osmose

Aardappelstaafjes.
Zie de figuren B 1496 en B 1497 van de bijlage.

Uit een verse aardappel worden dunne, platte staafjes van gelijke afmetingen gesneden. De staafjes worden elk afzonderlijk ondergedompeld in een NaCl-oplossing. De concentraties van de oplossingen zijn verschillend. Na enige tijd blijken de staafjes niet meer van lengte en vorm te veranderen. Dan worden de staafjes stuk voor stuk opgepakt met een pincet en horizontaal gehouden. Sommige staafjes zijn slap geworden en buigen door. Deze buigingshoek (a) wordt gemeten, zoals is weergegeven in de afbeelding. De gevonden waarden van a worden in een diagram uitgezet tegen de NaCl-concentraties van de oplossingen.

Zie figuur B 1497 van de bijlage.

In de afbeelding zijn vier diagrammen A, B, C en D getekend.

In welk van deze diagrammen is de relatie tussen de buigingshoek a
en de concentraties van de NaCl-oplossingen juist weergegeven?

In diagram


-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Osmose

Aardappelblokjes in zoutoplossingen.

In een experiment worden uit een verse aardappel vier even grote blokjes gesneden. Van elk blokje wordt het volume bepaald. Vervolgens worden deze aardappelblokjes elk in een bakje met een zoutoplossing gelegd. De concentratie van de zoutoplossing in elk van de vier bakjes is verschillend.
Na een uur wordt het volume van ieder blokje opnieuw bepaald. In bakje 2 is het volume van het blokje niet veranderd. In de bakjes 1 en 3 is het volume van de blokjes afgenomen: in bakje 3 minder dan in bakje 1. In bakje 4 is het volume van het blokje toegenomen.
Op grond van de volumeveranderingen van de aardappelblokjes kan de concentratie van de vier zoutoplossing en worden gerangschikt van lage naar hoge concentratie.

In welke van onderstaande reeksen is de concentratie van de zoutoplossingen van laag naar hoog juist weergegeven?

laag ® hoog

Osmose

Aardappelstaafjes.

Een leerling onderzoekt in drie proeven de waterverplaatsing bij cellen van aardappelstaafjes in oplossingen met verschillende concentraties van opgeloste deeltjes.

Proef 1. Bij het begin van proef 1 hebben de aardappelstaafjes geen maximale turgor. De concentratie opgeloste deeltjes in de oplossing waarin het aardappelstaafje wordt gelegd, is lager dan die van de cellen.
Proef 2. Bij het begin van proef 1 hebben de aardappelstaafjes maximale turgor. De concentratie opgeloste deeltjes in de oplossing waarin het aardappelstaafje wordt gelegd, is gelijk aan die van de van de cellen.
Proef 3. Bij het begin van proef 1 hebben de aardappelstaafjes maximale turgor. De concentratie opgeloste deeltjes in de oplossing waarin het aardappelstaafje wordt gelegd, is hoger dan die van de vacuolevloeistof van de cellen.

In welk van deze proeven neemt de hoeveelheid water in de cellen van de aardappelstaafjes af?

Osmose

Bladcellen.

Wanneer men levende plantenbladeren in een hypertonische oplossing legt, zullen binnen de cellen van deze bladeren