Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - algemeen | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 3

Deze digitale toets over de groeiomstandigheden van de aardappelplant en andere gewassen is gericht op leerlingen in het voortgezet onderwijs en behandelt onderwerpen zoals fotosynthese, voedingsstoffen en ecosysteeminteracties. Ontdek de impact van omgevingsfactoren op plantengroei en de rol van verschillende organismen in de natuur. - 20 vragen

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Groeiomstandigheden van de aardappelplant

2/8 Een aardappelplant.

Een aardappelplant kan niet goed groeien op een zeer voedselarme grond.

Heeft een aardappelplant op die grond vooral gebrek aan koolstofdioxide, aan water of aan bepaalde zouten?

Hij heeft vooral gebrek aan

Eiwitten versus koolhydraten in aardappelen

3/8 Een aardappelplant.

Is de hoeveelheid eiwitten in een kilo aardappelen kleiner dan, gelijk aan, of groter dan de hoeveelheid koolhydraten in deze kilo?

Rol van aaltjes in het ecosysteem

4/8 Een aardappelplant.

Aardappelmoeheid is een ziekte bij aardappelplanten die veroorzaakt wordt door aaltjes.
Aaltjes zijn kleine wormpjes die gangen vreten in groeiende aardappelen.

Zijn deze aaltjes consumenten, producenten of reducenten?

Activiteiten van bacteriën in aardappelvelden

5/8 Een aardappelplant.

In het ecosysteem van een veld met aardappelplanten komen bacteriën in de bodem voor.
Twee beweringen over de activiteiten van bacteriën in dat ecosysteem zijn:

I. bacteriën zetten organische stoffen om in eiwitten die door aardappelplanten opgenomen worden,
II. bacteriën zetten organische stoffen om in anorganische stoffen die door aardappelplanten opgenomen kunnen worden.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Vervuiling van oppervlaktewater bij aardappelteelt

6/8 Een aardappelplant.

Bestrijdingsmiddelen die bij de aardappelteelt gebruikt worden, kunnen het oppervlaktewater vervuilen. Het vervuilde oppervlaktewater is minder geschikt voor gebruik door mensen.

Noem twee vormen van watergebruik, waarvoor mensen dit vervuilde water beter niet kunnen gebruiken.

Voortplanting van de aardappelplant

7/8 Een aardappelplant.

Kan een aardappelplant zich geslachtelijk voortplanten?
En ongeslachtelijk?

afbeeldingafbeelding

Vervoer van stoffen in een aardappelplant

8/8 Een aardappelplant.

Een aardappel bevat mineralen en zetmeel.

Via welke vaten zijn deze stoffen of hun grondstoffen naar de aardappel vervoerd?

Eetbare Delen van de Aspergeplant

1/3 Asperges.
Zie figuur A 398 en B 2156 van de bijlage.

De volgende tekst en tekeningen (zie de afbeelding) zijn afkomstig uit een boek over het kweken van groenten.

Kweken van asperges.
Asperges kunnen alleen op lichte, droge grond geteeld worden. In april moeten de jonge aspergeplantjes uitgeplant worden. Hiervoor wordt de grond diep gespit en wordt een geul gegraven van 25 cm diep. De plantjes 40 cm uit elkaar planten. Oogsten kan pas in het 3e jaar, van ca. 20 april tot eind mei - later tot de 3e week van juni. De planten daarna groen laten vormen boven de grond tot november.

De afbeelding B 2156 geeft asperges weer zoals ze als "groente" door de mens worden gegeten.

Welke delen van de aspergeplant worden gegeten?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Soorten aspergeplanten en hun levenscyclus

2/3 Asperges.
Zie figuur A 398 van de bijlage.

Kweken van asperges.
Asperges kunnen alleen op lichte, droge grond geteeld worden. In april moeten de jonge aspergeplantjes uitgeplant worden. Hiervoor wordt de grond diep gespit en wordt een geul gegraven van 25 cm diep. De plantjes 40 cm uit elkaar planten. Oogsten kan pas in het 3e jaar, van ca. 20 april tot eind mei - later tot de 3e week van juni. De planten daarna groen laten vormen boven de grond tot november.

Is een aspergeplant een éénjarige, een tweejarige, of een overblijvende plant?

afbeeldingafbeelding

Fotosynthese en verbranding bij asperges

3/3 Asperges.
Zie figuur A 398 van de bijlage.

Kweken van asperges.
Asperges kunnen alleen op lichte, droge grond geteeld worden. In april moeten de jonge aspergeplantjes uitgeplant worden. Hiervoor wordt de grond diep gespit en wordt een geul gegraven van 25 cm diep. De plantjes 40 cm uit elkaar planten. Oogsten kan pas in het 3e jaar, van ca. 20 april tot eind mei - later tot de 3e week van juni. De planten daarna groen laten vormen boven de grond tot november.

Heeft in een aspergeplant tussen het stadium van tekening 3 en het stadium van tekening 4 fotosynthese plaats gevonden?
En verbranding?

afbeeldingafbeelding

Kenmerken van de grote brandnetel

1/6 De grote brandnetel.
Zie figuur B 2895 van de bijlage.

De grote brandnetel (zie de afbeelding) is een plantensoort die overal in Nederland voorkomt, vooral op vochtige, schaduwrijke plaatsen. De brandnetel komt veel voor in bermen langs wegen en kanalen. De plant groeit goed als de bodem veel nitraat bevat. De brandnetel heeft een vierkante stengel, grote bladeren en onder de grond wortelstokken met reservevoedsel. Bij het aanraken van de plant komt uit de brandharen een stof vrij, die hevige jeuk kan veroorzaken.
In de loop van de zomer worden de bermen van wegen en kanalen gemaaid. Na korte tijd staat het er weer vol met brandnetels.

Door welk kenmerk in de bouw van de plant (lees daarvoor bovenstaande tekst) groeit een brandnetelplant na het maaien weer snel op?

afbeeldingafbeelding

Voedselketen van de brandnetel

2/6 De grote brandnetel.

Vlinders, zoals de kleine vos, fladderen in het voorjaar en in de zomer tussen de brandnetels rond. De zwart-geel gestreepte rupsen van de kleine vos voeden zich met de bladeren van de brandnetel.
Ook sluipwespen houden zich in de buurt van brandnetels op. De vrouwtjes van de sluipwespen zijn op zoek naar rupsen van de kleine vos, waarin zij eitjes leggen. De larven die uit die eitjes komen, voeden zich met het inwendige van die rups.

In de tekst wordt een aantal organismen genoemd die samen een voedselketen zijn.

Schrijf de namen van deze organismen op en geef met pijlen de voedselketen aan.

Bestuiving van de Brandnetel

3/6 De grote brandnetel.
Zie figuur B 2896 van de bijlage.

De bloemen van de brandnetel zijn mannelijk of vrouwelijk. Ze zijn grijsgroen van kleur.
Als de meeldraden rijp zijn, springen de helmhokjes open en komt het droge, poederige stuifmeel vrij. De vrouwelijke bloemen bevatten stampers met penseelvormige stempels (zie de afbeelding). Uit de stampers groeien na de bevruchting kleine vruchtjes.

Worden de bloemen van de brandnetel door de wind of door insecten bestoven? Noem twee kenmerken van de brandnetel, die in de tekst staan, waaruit dit kan worden afgeleid.

afbeeldingafbeelding

Warkruid en zijn voedingsopname

4/6 De grote brandnetel.
Zie figuur B 4760 van de bijlage.

Op brandnetelplanten zie je soms een groot aantal roodachtige draden, die de plant bijna helemaal bedekken. De draden zijn de stengels van warkruid, een plantensoort zonder bladgroen, die geen wortels en geen bladeren heeft. Het warkruid is een parasiet. De stengels hebben een soort zuignapjes. Hiermee neemt de plant voedingstoffen op uit de vaten van de brandnetelplant.

Neemt het warkruid ook zouten (mineralen) op uit de brandnetelplant?
Zo ja, neemt het warkruid deze op uit de bastvaten of de houtvaten?

afbeeldingafbeelding

Dominantie van bladrandvorm bij brandnetels

5/6 De grote brandnetel.

Bij een brandnetelsoort uit Zuid-Europa komen naast planten met een gezaagde bladrand ook planten met een gave bladrand voor. De vorm van de bladrand is bij deze soort een erfelijke eigenschap, die ontstaat onder invloed van één genenpaar.
Iemand voert met deze brandnetelsoort twee kruisingen uit:

Kruising 1: gaafrandig blad x gezaagd blad

De F1 van deze kruising bestaat uit een groot aantal planten met allemaal een gezaagde bladrand.

Is het gen voor een gaafrandige bladrand bij deze brandnetel dominant of recessief?
Leg je antwoord uit met een kruisingsschema. Vermeld in je schema de genotypen van de ouderplanten en het genotype / de genotypen van de nakomelingen.

Genotype van ouderplanten bij kruising

6/6 De grote brandnetel.

Kruising 2: gezaagd blad x gezaagd blad

Onder de nakomelingen zijn planten met een gezaagde en planten met een gave bladrand.

Welke bewering over het genotype van de ouderplanten bij kruising 2 is juist?

Celtypen van champignon en krop sla

1/3 Een champignon en een krop sla.
Zie figuur A 424 van de bijlage.

In de afbeelding zijn een champignon en een krop sla getekend, met daaronder twee celtypen P en Q.

Kan een cel van type P afkomstig zijn van de champignon?
En van de krop sla?
Kan een cel van type Q afkomstig zijn van de champignon?
En van de krop sla?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Eiwitten in champignon en krop sla

2/3 Een champignon en een krop sla.

Zitten er eiwitten in de champignon?
En in de krop sla?

Fotosynthese in krop sla versus champignon

3/3 Een champignon en een krop sla.

Welke van de stoffen koolstofdioxide water en zuurstof kan of welke kunnen wèl worden gevormd in de krop sla, maar niét in de champignon?

Effect van koolstofdioxide op chrysanten groei

1/4 Chrysanten.
Zie figuur B 2439 van de bijlage.

Chrysanten zijn planten die het hele jaar door in glazen kassen worden gekweekt. De chrysanten groeien beter als ze extra koolstofdioxide krijgen.

Wanneer is het effect van extra koolstofdioxide op de groei van de chrysanten groter? Als ze overdag meer koolstofdioxide krijgen, of als dat 's nachts gebeurt? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding