Oefentoets Biologie: Dna-rna - eiwitsynthese | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 12

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

DNA-RNA-eiwitsynthese

t-RNA en DNA.
Zie figuur B 5112 van de bijlage.

In een cel moet een keten van aminozuren gemaakt worden, waarin de volgende aminozuren in de onderstaande volgorde zitten: valine - proline - fenylalanine - alanine - proline.
Er is een aantal t-RNA moleculen aanwezig (zie afbeelding hiernaast).

Wat moet de codering in het DNA zijn om bovengenoemde keten te kunnen maken?

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

Experiment van Meselson en Stahl.
Zie figuur B 5113 van de bijlage.

Meselson en Stahl brachten een bacteriesuspensie, waarin alle bacteriën zwaar DNA met radio-actieve stikstof (15 N) hadden, in een voedingsmedium met normale, lichte stikstof (14 N).

Na één deling in dit medium is de situatie als volgt:

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

Virussen.

Virussen bezitten polymerasen, dat zijn enzymen die de vorming van grote moleculen uit kleinere stimuleren.

Welk enzym moeten RNA-virussen bezitten?

DNA-RNA-eiwitsynthese

Het kapsel van virussen.

Het kapsel van virussen bestaat uit

DNA-RNA-eiwitsynthese

Operonmodel van Jacob en Monod.

In het operonmodel van Jacob en Monod induceert de aanwezigheid van het substraat de productie van een enzym in de cel door invloed op

DNA-RNA-eiwitsynthese

Repressorstof.

Een repressorstof

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/3 Sikkelcel-hemoglobine.
Zie figuur B 5114 van de bijlage.

afbeeldingafbeelding

Hemoglobine in rode bloedcellen bij volwassenen bestaat uit twee a-globine-moleculen en twee b-globinemoleculen.
In 1957 onderzochten Vernon M. Ingram en zijn collega's de aminozuurvolgorde van normaal en sikkelcel-hemoglobine in verschillende korte peptidefragmenten, die verkregen werden door behandeling met trypsine. In het vierde fragment werd een verschil tussen de twee types b-globine gevonden. Dit fragment werd verder geknipt; dat leverde zes hydrolyseproducten op.

Zie volgende scherm

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/3 Sikkelcel-hemoglobine.

In die producten kwamen verschillende korte peptideketens voor met de volgende aminozuren:
V= valine; H = histidine; L = leucine; T = threonine; P = proline; E = glutaminezuur en K = lysine.

De producten van het normale hemoglobine-fragment waren:
V-H
V-H-L
V-H-L-T
T-P-E
T-P-E-K
E-K

De producten van het sikkelcelhemoglobine-fragment waren:
V-H
V-H-L
V-H-L-T
T-P-V
T-P-V-E-K
E-K

Hoeveel aminozuren bevat het fragment en welk aminozuur, gerekend vanaf de NH2 -kant, verschilt?
Ga ervan uit dat er slechts één T voorkomt in de keten.

choiceInteraction

3/3 Sikkelcel-hemoglobine.

Hieronder staat een stukje DNA van het coderende deel voor het vierde fragment van normaal b-globine.

TGAGGACTCTTCAGA

Welke van de onderstaande alternatieven geeft een juiste voorstelling van een gemuteerd DNA-molecuul dat zorgt voor sikkelcel b-globine?

DNA-RNA-eiwitsynthese

Puntmutatie.

Wat is het gevolg van een puntmutatie in het DNA?

DNA-RNA-eiwitsynthese

Een onderzoek van Hershey en Chase.

De onderzoekers Hershey en Chase voerden met bacteriofagen het volgende experiment uit:

Bij de vermenigvuldiging werd radio-actief fosfor (P*) en radio-actief zwavel (S*) aangeboden, waarmee respectievelijk het virus-DNA en het virus-eiwit werden gelabeld.

Als een dergelijk gelabeld virus een nieuwe gastheer opzoekt, waar komen dan het P* en het S* terecht?

DNA-RNA-eiwitsynthese

Dolly.
Zie figuur B 5117 van de bijlage.

Pogingen om het kloneren van het schaap Dolly te herhalen, mislukken vaak. De geleerden die Dolly hebben gekloond worden uitgedaagd om extra bewijs te leveren dat ze uit een volwassen cel is gekloond en niet uit een foetale cel.

Wat zou zulke extra bewijskracht kunnen leveren?

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/2 Cassave.
Zie figuur B 5118 van de bijlage.

Cassave is het hoofdvoedsel voor veel mensen in Zuid-Amerika en Afrika. Maar de cassavewortels kunnen niet zo maar gegeten worden, doordat er veel cyanogene glucosiden in zitten, waaruit HCN (blauwzuur) kan vrijkomen.

In een onderzoek maakt men gebruik van de antisense-techniek om planten te kweken die minder glucosiden maken, zie de afbeelding hiernaast. CYP79 is het enzym dat nodig is bij het maken van glucosiden in de plant.

Leg met behulp van de afbeelding uit hoe de antisense-techniek kan zorgen voor een lager gehalte aan glucosiden.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/2 Cassave.
Zie figuur B 5118 van de bijlage.

- Geef de basenvolgorde van het m-RNA dat codeert voor CYP79.

- Geef twee redenen voor de stelling dat slechts een deel van het gen voor CYP79 getekend is.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/3 Het fragiele X-syndroom.
Zie de figuren A 1141 en A 1142 van de bijlage.

Het fragiele X-syndroom is een afwijking die ontstaat door een mutatie in een gen op het X-chromosoom. Dit gemuteerde gen is te vinden bij DNA-analyse. Er is altijd sprake van een herhaling van het triplet CGC.

Bij premutatie neemt aantal herhalingen van het triplet CGC toe.
Bij een hoog aantal, dat ook doorgegeven wordt aan de nakomelingen (volledige mutatie), is sprake van het syndroom (zie figuur 1).

In figuur 2 zie je een stamboom met bijbehorende DNA-analyses van een familie waarin dit syndroom voorkomt.

Leg uit hoe je via DNA-analyse het syndroom kunt vaststellen.


-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/3 Het fragiele X-syndroom.
Zie figuur A 1142 van de bijlage.

Leg de resultaten van de personen II-3, III-3 en III-4 in de stamboom hiernaast uit.

afbeeldingafbeelding