Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
20
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
VWO 4, VWO 5, VWO 6
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Ecologie
Koraaldiertjes.
Koraaldiertjes die riffen bouwen, leven in ondiep, helder zeewater. Ze leven in symbiose met zoöxanthellen: algen die zich in hun darmen gevestigd hebben. We vinden in de riffen twee chemische reacties:
6CO2
+ 6H2
O ® C6
H12
O6
+ 6O2
Ca(HCO3
)2
« CaCO3
+ H2
O + CO2
Welke van de volgende vier beweringen is niet juist?
Ecologie
Competitie en coöperatie.
Koraal bestaat uit kolonies van kleine holtedieren in een kalkskeletje. Deze holtedieren leven in symbiose met eencellige fotosynthetiserende algen, zoöxanthellae, die de bruinrode kleur van levend koraal veroorzaken. De koraaldiertjes gebruiken de zuurstof en voedingsstoffen die de zoöxanthellae produceren, de zoöxanthellae gebruiken op hun beurt voor fotosynthese bepaalde afvalstoffen van de holtediertjes.
Welke relatie is er tussen de holtedieren en de zoöxanthellae?
Ecologie
5/7 Grazende diergemeenschappen. Zie de figuren B 5190 en B 5191 van de bijlage.
Voor alle grazers, klein en groot, geldt dat vooral de kwaliteit van het voedsel het welzijn van de kudde bepaalt. De maatstaven zijn hoeveel 'ruw' eiwit het gras bevat en hoeveel energie het oplevert bij het verteren. Zo moet het voedsel van grazers minimaal acht procent eiwit bevatten, relatief ten opzichte van de droge plantenmassa. Vooral kleine grazers zoals de impala (afbeelding 1) zijn gevoelig voor de voedselkwaliteit. Als het gras slecht verteerbaar is, daalt bij de kleine grazers, met hun beperkte verteringsstelsel, de dagelijkse voedselopname snel. Zolang ze nog bezig zijn om het voedsel te verwerken,kunnen ze niet verder eten. Het lijkt vreemd dat herkauwende grazers de hongerdood kunnen sterven met een volle maag. Als het gras hoger groeit, daalt de kwaliteit en dus de verteerbaarheid. Vooral op armere gronden neemt de eiwitconcentratie van het gras snel af. Als het gras niet voedselrijk genoeg is,stoppen de bacteriën in de maag met de vertering en krijgt de grazer geen voedingsstoffen binnen. De maag blijft bovendien vol, zodat er geen plaats is voor nieuw voedselrijker eten. Grotere grazers zoals het wildebeest (afbeelding 2) zijn minder gevoelig voor afnemende voedselkwaliteit.
Leg uit waarom het voor de impala belangrijk is dat er wildebeesten in de omgeving voorkomen, als het gras in de regentijd hard gaat groeien en daardoor in kwaliteit afneemt.
afbeeldingafbeelding
Ecologie
2/3 Mangroven. Zie de figuren A 1323 en B 5194 van de bijlage.
Cerithidea rhizophorarum is een zeeslak die graast op detritus en algen. Saccostrea cucullata is een oestersoort die detritus en algen uit het water filtert.
Wat is de meest aannemelijke reden dat deze twee soorten vrijwel niet op dezelfde plaatsen voorkomen?
afbeeldingafbeelding
Ecologie
Twee populaties dieren.
Twee populaties dieren leven in hetzelfde gebied. Over de competitie tussen deze twee populaties wordt een aantal beweringen gedaan:
1. De wijze van voortplanten is in beide populaties hetzelfde. 2. De dieren in de populaties zijn nauw verwante soorten. 3. De ecologische nissen (niches) van deze populaties overlappen elkaar sterk.
Welk van deze beweringen geeft of welke geven zeker een oorzaak voor een grote competitie tussen de twee populaties?
Ecologie
Populatiedichtheid. Zie figuur B 5200 van de bijlage.
In het nevenstaande diagram staat de verandering in populatiedichtheid weergegeven van twee soorten: A en B.
Welke relatie tussen soort A en B is het meest waarschijnlijk op grond van het diagram?
afbeelding
Ecologie
1/2 Mangoesten op Jamaica. Zie figuur B 5206 van de bijlage.
Op 13 februari 1872 arriveerden vanuit India vier mannelijke en vijf vrouwelijke mangoesten (waarvan een zwanger) in Jamaica. Zij werden door een planter op zijn plantage vrijgelaten met als doel de ratten te bestrijden die daar de suikerrietplanten aanvraten. De introductie was een succes: binnen twintig jaar hadden de mangoesten zich verspreid over heel Jamaica. Na enige tijd werd echter ook een probleem duidelijk. De mangoesten aten niet alleen ratten, maar ook insectenetende vogels. Daarom werden een aantal jaren later veel mangoesten afgeschoten.
In nevenstaand diagram (afbeelding 2) zijn de veranderingen van de populatiegroottes in de loop van de tijd van de insecten, mangoesten, ratten en vogels op Jamaica weergegeven
- Zet de diergroepen bij de juiste nummers.
afbeeldingafbeelding
Ecologie
2/2 Mangoesten op Jamaica. Zie figuur B 5207 van de bijlage.
In welk jaar begon het afschieten van mangoesten op Jamaica? In [invulveld] (tik een jaartal in).
afbeelding
Ecologie
Plantenaftreksel en modder. Zie figuur B 5214 van de bijlage.
In een fles wordt een plantenaftreksel in water gedaan samen met modder afkomstig uit een vijver. Daarna wordt de fles met inhoud in het donker bewaard. Tien dagen lang wordt gekeken naar de aantallen van vier soorten micro-organismen aangeduid met I, II, III en IV. De aantallen worden in het nevenstaande diagram weergegeven.
Welke conclusie kan niet worden getrokken op grond van de gegevens?
afbeelding
Ecologie
Relatie.
Welke relatie is er tussen respectievelijk weideplanten en vogels en de twee vogelsoorten onderling?