Beukenbos en ondergroei factoren
Beukenbos.
In een beukenbos is vaak weinig ondergroei.
Dat is vooral een gevolg van .
Ontdek de complexe ecologische relaties tussen verschillende organismen in deze digitale toets over beukenbossen, koraaldiertjes en grazende dieren, gericht op studenten biologie en ecologie. Test je kennis over symbiose, competitie en populatiedynamiek met uitdagende vragen en scenario's. - 20 vragen
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 4, VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
Beukenbos.
In een beukenbos is vaak weinig ondergroei.
Dat is vooral een gevolg van .
Koraaldiertjes.
Koraaldiertjes die riffen bouwen, leven in ondiep, helder zeewater. Ze leven in symbiose met zoöxanthellen: algen die zich in hun darmen gevestigd hebben.
We vinden in de riffen twee chemische reacties:
6CO2
+ 6H2
O ® C6
H12
O6
+ 6O2
Ca(HCO3
)2
« CaCO3
+ H2
O + CO2
Welke van de volgende vier beweringen is niet juist?
Competitie en coöperatie.
Koraal bestaat uit kolonies van kleine holtedieren in een kalkskeletje. Deze holtedieren leven in symbiose met eencellige fotosynthetiserende algen, zoöxanthellae, die de bruinrode kleur van levend koraal veroorzaken. De koraaldiertjes gebruiken de zuurstof en voedingsstoffen die de zoöxanthellae produceren, de zoöxanthellae gebruiken op hun beurt voor fotosynthese bepaalde afvalstoffen van de holtediertjes.
Welke relatie is er tussen de holtedieren en de zoöxanthellae?
4/7 Grazende diergemeenschappen.
Zie de figuren B 5188 en B 5189 van de bijlage.
In 1974 moesten alle runderen de Ngorongorokrater in het Serengetigebied verlaten. De Masaï-herders mogen nog slechts sporadisch hun kudden in dit voedselrijke natuurgebied laten grazen, zodat hun runderen geen mineralentekort krijgen. Sindsdien namen de aantallen steppenzebra, wildebeest, elandantilope, hartebeest (zie afbeelding 1) en Grant-gazelle af. Voor de Kaapse buffels (zie afbeelding 2) gold het tegendeel: zij namen flink in aantal toe.
Wat kun je hieruit concluderen over de relatie tussen runderen en hartebeesten?
Er is sprake van
.
En over de relatie tussen runderen en Kaapse buffels?
Er is sprake van .
afbeelding
afbeelding
5/7 Grazende diergemeenschappen.
Zie de figuren B 5190 en B 5191 van de bijlage.
Voor alle grazers, klein en groot, geldt dat vooral de kwaliteit van het voedsel het welzijn van de kudde bepaalt. De maatstaven zijn hoeveel 'ruw' eiwit het gras bevat en hoeveel energie het oplevert bij het verteren. Zo moet het voedsel van grazers minimaal acht procent eiwit bevatten, relatief ten opzichte van de droge plantenmassa.
Vooral kleine grazers zoals de impala (afbeelding 1) zijn gevoelig voor de voedselkwaliteit. Als het gras slecht verteerbaar is, daalt bij de kleine grazers, met hun beperkte verteringsstelsel, de dagelijkse voedselopname snel. Zolang ze nog bezig zijn om het voedsel te verwerken,kunnen ze niet verder eten.
Het lijkt vreemd dat herkauwende grazers de hongerdood kunnen sterven met een volle maag. Als het gras hoger groeit, daalt de kwaliteit en dus de verteerbaarheid. Vooral op armere gronden neemt de eiwitconcentratie van het gras snel af. Als het gras niet voedselrijk genoeg is,stoppen de bacteriën in de maag met de vertering en krijgt de grazer geen voedingsstoffen binnen. De maag blijft bovendien vol, zodat er geen plaats is voor nieuw voedselrijker eten.
Grotere grazers zoals het wildebeest (afbeelding 2) zijn minder gevoelig voor afnemende voedselkwaliteit.
Leg uit waarom het voor de impala belangrijk is dat er wildebeesten in de omgeving voorkomen, als het gras in de regentijd hard gaat groeien en daardoor in kwaliteit afneemt.
afbeelding
afbeelding
2/3 Mangroven.
Zie de figuren A 1323 en B 5194 van de bijlage.
Cerithidea rhizophorarum is een zeeslak die graast op detritus en algen.
Saccostrea cucullata is een oestersoort die detritus en algen uit het water filtert.
Wat is de meest aannemelijke reden dat deze twee soorten vrijwel niet op dezelfde plaatsen voorkomen?
afbeelding
afbeelding
Twee populaties dieren.
Twee populaties dieren leven in hetzelfde gebied. Over de competitie tussen deze twee populaties wordt een aantal beweringen gedaan:
1. De wijze van voortplanten is in beide populaties hetzelfde.
2. De dieren in de populaties zijn nauw verwante soorten.
3. De ecologische nissen (niches) van deze populaties overlappen elkaar sterk.
Welk van deze beweringen geeft of welke geven zeker een oorzaak voor een grote competitie tussen de twee populaties?
Populatiedichtheid.
Zie figuur B 5200 van de bijlage.
In het nevenstaande diagram staat de verandering in populatiedichtheid weergegeven van twee soorten: A en B.
Welke relatie tussen soort A en B is het meest waarschijnlijk op grond van het diagram?
afbeelding
1/2 Mangoesten op Jamaica.
Zie figuur B 5206 van de bijlage.
Op 13 februari 1872 arriveerden vanuit India vier mannelijke en vijf vrouwelijke mangoesten (waarvan een zwanger) in Jamaica. Zij werden door een planter op zijn plantage vrijgelaten met als doel de ratten te bestrijden die daar de suikerrietplanten aanvraten. De introductie was een succes: binnen twintig jaar hadden de mangoesten zich verspreid over heel Jamaica. Na enige tijd werd echter ook een probleem duidelijk. De mangoesten aten niet alleen ratten, maar ook insectenetende vogels. Daarom werden een aantal jaren later veel mangoesten afgeschoten.
In nevenstaand diagram (afbeelding 2) zijn de veranderingen van de populatiegroottes in de loop van de tijd van de insecten, mangoesten, ratten en vogels op Jamaica weergegeven
- Zet de diergroepen bij de juiste nummers.
afbeelding
afbeelding
2/2 Mangoesten op Jamaica.
Zie figuur B 5207 van de bijlage.
In welk jaar begon het afschieten van mangoesten op Jamaica? In [invulveld] (tik een jaartal in).
afbeelding
1/4 Relaties.
Zie figuur B 6828 van de bijlage.
In het nevelwoud van het Midden-Amerikaanse Belize komen allerlei relaties tussen dieren van verschillende soorten voor.
Miervogels volgen trekmieren op hun niets ontziende rooftocht en consumeren daarbij insecten die voor de trekmieren op de vlucht zijn.
Welke ecologische relatieterm is het meest van toepassing op de relatie tussen trekmier en miervogel?
afbeelding
2/4 Relaties.
Zie figuur B 5210 van de bijlage.
Oropendolavogels (Psarocolius montezuma) bouwen hangnesten (zie afbeelding). Koespreeuwen proberen daarin ook een ei te leggen. Als een oropendola de vervalsing niet ontdekt, wordt dat ei mee uitgebroed. Uit onderzoek blijkt dat nesten met een jonge koespreeuw minder last hebben van paardenhorzels omdat deze door koespreeuwjongen worden gegeten.
Welke ecologische relatieterm is het meest van toepassing op de relatie tussen oropendola en koespreeuw?
.
afbeelding
3/4 Relaties.
Zie figuur B 5211 van de bijlage.
Geelstuitcassiques ( zijn verwant aan de oropendola en worden ook 'bezocht' door koespreeuwen, maar hebben geen last van paardenhorzels. Die worden namelijk verjaagd door bijen waar vlakbij ze altijd hun nesten bouwen.
Welke ecologische relatieterm is het meest van toepassing op de relatie tussen geelstuitcassique en koespreeuw?
afbeelding
4/4 Relaties.
De vlinder Melinia volgt op haar beurt de miervogel: uit diens uitwerpselen neemt de vlinder het levensverlengende urinezuur op.
De vlinder is een .
3/3 Vulkanisch eiland.
Zie figuur B 6829 van de bijlage.
Koraal bestaat uit kolonies van kleine holtedieren in een kalkskeletje. Deze holtedieren leven in symbiose met eencellige fotosynthetiserende algen, zoöxanthellae, die de bruinrode kleur van levend koraal veroorzaken. De koraaldiertjes gebruiken de zuurstof en voedingsstoffen die de zoöxanthellae produceren, de zoöxanthellae gebruiken op hun beurt voor fotosynthese bepaalde afvalstoffen van de holtediertjes.
Welke relatie is er tussen de holtedieren en de zoöxanthellae?
afbeelding
Plantenaftreksel en modder.
Zie figuur B 5214 van de bijlage.
In een fles wordt een plantenaftreksel in water gedaan samen met modder afkomstig uit een vijver. Daarna wordt de fles met inhoud in het donker bewaard. Tien dagen lang wordt gekeken naar de aantallen van vier soorten micro-organismen aangeduid met I, II, III en IV. De aantallen worden in het nevenstaande diagram weergegeven.
Welke conclusie kan niet worden getrokken op grond van de gegevens?
afbeelding
1/2 Visstand verbeteren.
Zie de figuren B 5216 en B 5217 van de bijlage.
Hoe meer prooidieren, hoe meer predatoren die daar van leven, zegt het aloude prooi-predatormodel. Dit hoeft echter niet waar te zijn. Bij veel vissoorten geldt dat als er minder prooidieren zijn, de overgebleven prooidieren veel sneller groeien. Dit leidt tot meer seksueel volwassen dieren wat weer leidt tot meer jonge dieren. En daar hebben predatoren vaak een voorkeur voor. Paradoxaal genoeg leidt het eten van prooidieren dus tot een toename van het aantal (gewenste) prooidieren. Als er nu teveel predatoren worden weggevangen (overbevissing), gebeurt het tegenovergestelde en zal het aantal prooidieren afnemen. Lennart Persson van de universiteit van Umeå in Noord-Zweden (zie afbeelding 1) heeft dit bewezen in een 26 jaar durend onderzoek bij vissen.
Afbeelding 2 geeft vier verschillende modellen voor een prooi-predatorrelatie, aangegeven met de letters a t/m d: + betekent toename en - betekent afname.
Welke van nevenstaande grafieken geeft de prooi-predatorrelatie weer die in de tekst aangegeven wordt met "het aloude prooi-predatormodel"?
Dat is model
afbeelding
afbeelding
2/2 Visstand verbeteren.
Zie figuur B 5217 van de bijlage.
Is dit "oude" model een voorbeeld van negatieve of van positieve terugkoppeling?
Van terugkoppeling.
En wat is in eerste instantie de door Persson aangetoonde relatie?
Een terugkoppeling.
afbeelding
1/2 Vissen.
Zie figuur B 5222 van de bijlage.
Marieke Verweij deed in en rond het Spaanse Water bij Curaçao onderzoek naar interacties tussen koraalriffen, mangroves en zeegrasvelden.
Naar welk type relaties deed Verweij onderzoek?
Naar relaties tussen .
afbeelding
Relatie.
Welke relatie is er tussen respectievelijk weideplanten en vogels en de twee vogelsoorten onderling?