Oefentoets Biologie: Dierfysiologie - Stofwisseling | VWO 1/VWO 2/VWO 3

Deze oefentoets bevat 18 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

18

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2, VWO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Dierfysiologie

Lichaamstemperatuur van zes groepen dieren.

Hieronder worden zes groepen dieren genoemd:

- amfibieën, reptielen, vogels, insecten, vissen, zoogdieren.

Welke van deze dieren hebben een constante lichaamstemperatuur?

Dierfysiologie

Wachten in de kou.

Jan staat op een winterdag bij de bushalte te wachten. Hij heeft het koud. Als de bus stopt, stapt Jan in. In de bus is het warm.

Gaat er bij Jan in de bus per minuut meer bloed door de huid stromen dan toen Jan in de kou stond?
Zal Jan per minuut meer zweet gaan vormen?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

'lichaamsbekleding' van vogels en zoogdieren.

Bij veel vogels en zoogdieren die in ons klimaat in de vrije natuur leven, zal de 'lichaamsbekleding'

Dierfysiologie

Dalende omgevingstemperatuur

Een proefpersoon bevindt zich in een ruimte waarin de temperatuur daalt van 20°C naar 5°C. Hij trekt geen extra kleren aan.

Neemt het warmteverlies van deze persoon toe of af?
En de warmteproductie?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Een experiment met goudvissen.

Iemand doet een experiment met goudvissen.

In aquarium 1 heeft hij één goudvis.
In aquarium 2 heeft hij één goudvis en een aantal waterplanten met bladgroen.
In aquarium 3 heeft hij vijftien goudvissen.
In aquarium 4 heeft hij vijftien goudvissen en een aantal waterplanten met bladgroen.

Alle aquaria zijn even groot en bevatten even veel water. Bij het begin van de proef zijn de omstandigheden in elk aquarium hetzelfde. Alle aquaria staan in het zonlicht. Om de dertig minuten wordt gedurende een minuut het aantal ademhalingsbewegingen van een goudvis uit elke bak geteld en opgeschreven in een tabel.
afbeeldingafbeelding

Welke van de bovenstaande tabellen is waarschijnlijk van toepassing op aquarium 3, waarin alleen de vijftien goudvissen zitten?

Stofwisseling dieren

1/2 De eekhoorn.
Zie figuur B 4571 van de bijlage.

In een artikel staat: Eekhoorns leven in bossen. Ze hebben een korte snuit en grote ogen. Aan hun poten hebben ze stevige nagels, waarmee ze vlug in bomen kunnen klimmen. In de bomen voelen ze zich thuis. Met hun krachtige achterpoten kunnen ze enorme sprongen maken, bijvoorbeeld naar een andere boom. Als eekhoorns van boom tot boom springen, gebruiken ze hun grote staart om het evenwicht te bewaren. Eekhoorns eten eikels, beukennootjes en dergelijke. Hierbij gebruiken ze soms hun voorpoten.

De lichaamsbouw van een eekhoorn is aangepast aan het leven in bossen.

Schrijf twee van zulke aanpassingen op. Gebruik de bovenstaande informatie.

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling dieren

2/2 De eekhoorn.

Eekhoorns zijn planteneters.

Welk soort kiezen hebben eekhoorns?

Stofwisseling dieren

1/5 Olifanten.
Zie figuur B 3259 van de bijlage.

Er bestaan twee soorten olifanten: de Afrikaanse en de Indische olifant.
De Indische olifant is gemakkelijker tam te maken dan de Afrikaanse olifant. Hij wordt daarom veel gebruikt voor het vervoeren van hout en andere spullen. Circusolifanten zijn allemaal Indische olifanten.
Enkele verschillen tussen de beide soorten zijn:
afbeeldingafbeelding

In de afbeelding zijn – bij dezelfde vergroting – de koppen van een Afrikaanse en een Indische olifant weergegeven.
In de tabel staan enkele verschillen tussen de beide soorten olifanten.

Noem nog twee verschillen in bouw tussen een Afrikaanse en een Indische olifant. Gebruik hierbij de afbeelding.

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling dieren

2/5 Olifanten.
Zie figuur B 3260 en B 3259 van de bijlage.

In afbeelding zijn de botten van een poot van een olifant weergegeven.

Is deze poot van een Afrikaanse olifant of van een Indische olifant? Leg je antwoord uit met behulp van de informatie in afbeelding B 3259.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Stofwisseling dieren

3/5 Olifanten.

Alle olifantensoorten eten alleen maar plantaardig voedsel.

Welk type kiezen hebben olifanten?

Stofwisseling dieren

4/5 Olifanten.

Vooral in de oren geven bloedvaten warmte af. Door met de oren te wapperen kunnen olifanten daardoor afkoelen.

Noem nog een andere functie van de oren.

Stofwisseling dieren

5/5 Olifanten.
Zie figuur B 3261 van de bijlage.

Olifanten hebben een slurf. Dit is een vergroeiing van de neus met de bovenlip. Met een slurf kan een olifant iets vastpakken.

Is een slurf een weefsel, een orgaan of een organisme?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling dieren

Vogels.
Zie figuur B 4567 van de bijlage.

Vogels hebben geen zweetklieren. Bij warm weer zie je vogels daarom vaak stilzitten en met open snavel zeer snel ademhalen.

Waarvoor dient deze snelle manier van ademhalen bij warm weer vooral?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling dieren

1/2 De galago.
Zie figuur B 4574 van de bijlage.

Galago's zijn apen die 50 centimeter groot kunnen worden. Het zijn nachtdieren die in bomen leven. De dieren komen voor in de bossen in Afrika. Galago's eten vooral insecten en vruchten. Galago's kunnen vliegende insecten als sprinkhanen en motten uit de lucht grijpen met hun voorpoten. Soms eet een galago ook een hagedis of een vogeltje. Overdag slapen galago's in holle bomen of in zelfgebouwde nesten.

Welk type kiezen heeft een galago?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling dieren

Een goudvis.
Zie figuur B 4585 van de bijlage.

De lichaamstemperatuur van een goudvis wisselt met de omgeving. Zo gaat de lichaamstemperatuur van een goudvis omhoog als het water rond het dier warmer wordt. Hij wordt dan actiever en zwemt sneller heen en weer dan in koud water.

Verandert de snelheid van ademhaling van een goudvis als de lichaamstemperatuur hoger wordt?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Mammoeten.
Zie figuur B 5083 van de bijlage.

Vroeger leefden er mammoeten. Dit waren enorme beesten, groter dan olifanten.
Ze hadden een huid met een dikke laag onderhuids vetweefsel van wel 8 tot 10 cm.

Leefden deze dieren in warme, tropische gebieden, in een gematigd klimaat zoals in Nederland of in koude gebieden met een regelmatig bevroren bodem of is dit op grond van deze gegevens niet te zeggen?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

3/5 Duikeenden en Aalscholvers.

Waarom krijgen deze duikende eenden het eerder koud op grotere diepten?

Dierfysiologie

Kevers.
Zie figuur B 5723 van de bijlage.

Een goliathkever weegt ongeveer 100 gram en past net in je hand.
Kevers kunnen niet groter worden dan 30 cm.

Wat zal de meest waarschijnlijke reden zijn dat er geen grotere kevers zijn, ook niet in warme gebieden?

afbeeldingafbeelding