Zenuwstelsel
De taken van de hersenstam.
De hersenstam is dat deel van de hersenen dat de centra bezit voor de regeling van o.a.
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 4, VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
De taken van de hersenstam.
De hersenstam is dat deel van de hersenen dat de centra bezit voor de regeling van o.a.
Temperatuurregeling.
Bij opkomende koorts reageert het temperatuurcentrum in de hersenstam alsof op dat moment de temperatuur van het lichaam te laag is. Het temperatuurcentrum stimuleert dan het bereiken van een hogere lichaamstemperatuur.
Zal een patiënt met opkomende koorts transpireren of niet?
Zal hij zich warm of koud voelen?
Neuronuitlopers.
In een arm van een mens bevinden zich vele uitlopers van neuronen. Sommige zijn verbonden met drukzintuigjes, andere met spierspoeltjes (zintuigjes in de spieren) en weer andere met spiercellen. De genoemde neuronuitlopers zijn in het ruggenmerg door middel van synapsen verbonden met andere neuronen.
Welke van deze neuronuitlopers zijn, eventueel via schakelneuronen, verbonden met neuronen in de hersenstam?
Beschadiging van de kleine hersenen.
Beschadiging van de kleine hersenen zal tot gevolg hebben
Hallucineren door LSD.
Gebruik van de drug LSD kan onder andere leiden tot de illusie van het zien van geluiden en het horen van kleuren.
Deze storing zou men het best kunnen uitleggen als een effect van LSD op
Een reflexboog schematisch weergegeven.
Zie figuur B 208 van de bijlage.
Schematisch is weergegeven een reflexboog waarvan de impulsen niet via de hersenen verlopen. Deze reflexboog bestaat uit een zintuig, vier zenuwcellen en een spier.
Welke cellichamen liggen in het ruggenmerg?
afbeelding
Kernen in de witte stof van het ruggenmerg.
In het ruggenmerg van zoogdieren bevinden zich celkernen van onder andere
1. motorische neuronen;
2. schakelneuronen;
3. myelineschede-vormende cellen.
Welke van bovengenoemde kernen bevinden zich in de witte stof?
Cellen in het ruggenmerg.
Zie figuur B 475 van de bijlage.
De afbeelding geeft aan de linkerkant een schematische dwarsdoorsnede weer van het ruggenmerg van de mens met een deel van de bijbehorende zenuwen.
De afbeelding geeft aan de rechterkant een gedeelte van een zenuwcel weer met een aantal synapsen. Dit gedeelte bevindt zich in het weefsel dat in de linker afbeelding is gestippeld.
Kan de zenuwcel in de rechter afbeelding een motorische zenuwcel zijn?
Of een sensorische zenuwcel?
Of een schakelcel?
afbeelding
Ligging van zenuwcellen.
Van welke neuronen zijn de cellichamen in de grijze stof van het ruggenmerg aanwezig?
Prikkeling van een bepaalde warmtereceptor.
Bij prikkeling van een bepaalde warmtereceptor op de arm blijken ten gevolge van een reflex impulsen op te treden in motorische zenuwvezels die op verschillende hoogten het ruggenmerg verlaten.
Dit moeten we als volgt verklaren:
Zenuwceluitlopers.
Zie figuur B 1691 van de bijlage.
Drie zenuwceluitlopers in de rechter onderarm van een man zijn:
1. een zenuwceluitloper, verbonden met een drukzintuigje in de huid van deze arm;
2. een zenuwceluitloper, verbonden met een rekreceptor in een pees van een spier van deze arm;
3. een zenuwceluitloper die door middel van synapsen is verbonden met een spiervezel in dezelfde spier van deze arm.
In de afbeelding is schematisch een dwarsdoorsnede van het ruggenmerg getekend. De genoemde zenuwceluitlopers staan hier in verbinding met het ruggenmerg.
Welke van de genoemde zenuwceluitlopers kan of welke kunnen voorkomen in een dwarsdoorsnede bij P?
afbeelding
Drempelwaarde en spierspanning.
Zie figuur B 292 van de bijlage.
Het schema geeft enkele zenuwcellen en een spier weer.
In zenuwceluitloper 1 neemt de impulsfrequentie toe.
Welk effect hebben impulsen van zenuwceluitloper 3 op de drempelwaarde van cel 2?
Neemt door een toename van de impulsfrequentie van zenuwceluitloper 3 de spanning van de spier meer of minder toe dan zonder inschakeling van cel 3 het geval zou zijn?
afbeelding
afbeelding
autonome zenuwstelsel en het bijniermerg.
Welk deel van het autonome zenuwstelsel heeft een vergelijkbaar effect als een hormoon van het bijniermerg?
Leidt verhoogde activiteit van dit deel van het autonome zenuwstelsel tot een toename of tot een afname van de dissimilatie van het organisme?
afbeelding
Iemand, die plotseling erg boos wordt.
Vier mogelijke verschijnselen bij de mens zijn:
1. het glucosegehalte van het bloed stijgt;
2. het glucosegehalte van het bloed daalt;
3. de activiteit van het bijniermerg neemt toe;
4. het sympathisch zenuwstelsel wordt geactiveerd.
Welke van deze verschijnselen doen zich voor als iemand plotseling erg boos wordt, maar geen actie onderneemt?
Bijniermerg en het autonome zenuwstelsel.
In het bijniermerg van de mens bevinden zich de uiteinden van bepaalde neuronen van het autonome zenuwstelsel.
Impulsen die via deze neuronen het bijniermerg bereiken, hebben tot gevolg dat het bijniermerg een hormoon gaat afgeven. Dit hormoon zorgt voor een verhoging van het glucosegehalte van het bloed. De afgifte van dit hormoon kan heel snel gebeuren, bijvoorbeeld wanneer iemand schrikt.
Behoren de betrokken neuronen tot het parasympatische of tot het (ortho)sympathische deel van het zenuwstelsel?
Welk hormoon wordt er gevormd ten gevolge van impulsen langs deze neuronen?
afbeelding
Het hartritme van een kikker.
Het hartritme van een kikker kan worden beïnvloed door:
1. temperatuurstijging van het lichaam (b.v. van 10°C tot 20°C).
2. toename van de impulsfrequentie in een (ortho)sympathische zenuw.
3. toename van de impulsfrequentie in een parasympathische zenuw.
4. stijging van het adrenalinegehalte van het bloed.
Waardoor wordt het hartritme versneld?
Temperatuurregeling.
In het lichaam van de mens kunnen de volgende gebeurtenissen plaatsvinden:
1. de concentratie van schildklierhormoon in het bloed stijgt;
2. de concentratie van adrenaline in het bloed stijgt;
3. de impulsfrequentie in het (ortho)sympathische zenuwstelsel neemt toe.
Welke van deze gebeurtenissen bevorderen de warmteproductie?
Impuls in een zenuwcel.
Zie figuur B 301 van de bijlage.
Op plaats Q van een neuron (zie tekening) wordt een prikkel van een zodanige sterkte toegediend, dat een impuls wordt opgewekt.
In welke richting(en) verloopt de impuls?
Kan de impuls aankomen in P en/of R?
afbeelding
afbeelding
De sterkte van een prikkel & de impulsfrequentie.
Zie figuur B 235 van de bijlage.
Het verband wordt bepaald tussen de sterkte van een prikkel die aan een zintuigcel wordt toegediend en de impulsfrequentie in het neuron dat met deze zintuigcel verbonden is.
Zie figuur B 235 van de bijlage.
Welke van de afgebeelde grafieken geeft dit verband juist weer?
afbeelding
De actie-potentiaal bij een axon.
Zie figuur B 236 van de bijlage.
Bij een axon wordt op negen naast elkaar geleden plaatsen de actie-potentiaal bepaald. De resultaten hiervan
worden in een diagram weergegeven, waarbij op de verticale as de actie-potentiaal (____/\____) is uitgezet.
Welke van de onderstaande figuren geeft de resultaten op de juiste wijze weer?
afbeelding