Oefentoets Biologie: Celleer | VWO 5/VWO 6 | variant 2

Deze oefentoets bevat 41 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

41

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Celleer

Celeigenschappen.

Levende cellen worden gekenmerkt door verschillende eigenschappen:

1. het bezit van cellulose en pectine,
2. het bezit van een membraan,
3. de afbraak van glucose, maar niet de productie ervan,
4. het bezit van eiwit in de membranen,
5. de productie van glucose,
6. het bezit van chromosomen,
7. het bezit van vacuolen in de cellen,
8. de productie van enzymen in de cellen.

Welke eigenschappen zijn niet geschikt om plantaardige van dierlijke cellen te onderscheiden?

Celleer

Celeigenschappen.

Gegeven de volgende eigenschappen:

1. duidelijke celwand
2. plasmodesmen
3. geen plastiden
4. geen stippels
5. grote, centrale vacuole
6. altijd chloroplasten

Bovenstaande 6 kenmerken kunnen wij als volgt indelen:

afbeeldingafbeelding

Celleer

Aardappelcel.

Gegeven de volgende feiten:

1. de cellen hebben een celwand,
2. de cellen hebben geen vacuolen,
3. de cellen bezitten soms chloroplasten,
4. de cellen bezitten amyloplasten,
5. de cellen zijn vierkant.

Welke van deze eigenschappen gelden voor een aardappelcel?

Celleer

Plantenrijk.

Spirogyra (een in water levend organisme) wordt ingedeeld bij het plantenrijk.

Welke van de volgende gegevens betreffende dit organisme ondersteunt deze indeling?

Celleer

Zuurstofverbruik in spiervezels.

Dwarsgestreepte spiervezels verbruiken vaak veel O2 per tijdseenheid.

Wat betreft hun structuur wordt deze bewering het meest gesteund door het voorkomen per spiervezel van

Celleer

Dwarsgestreepte spiervezels.

Dwarsgestreepte spiervezels verbruiken vaak veel O2 per tijdseenheid.

Wat betreft hun structuur wordt deze bewering het meest gesteund door het voorkomen per spiervezel van

Celleer

Opbouw in een plantencel.

Een plantaardige cel heeft onder andere de volgende celdelen:

1. tonoplast,
2. middenlamel,
3. celmembraan,
4. cytoplasma,
5. verdikkingslaag van cellulose.

Als we vanuit het centrum van een volgroeide plantencel naar het centrum van een naastgelegen plantencel gaan, komen we achtereenvolgens tegen:

Celleer

Omschrijving cel.

De duidelijkste omschrijving van een cel is:

Celleer

Eiwit in een plantencel.
Zie figuur B 59 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch een plantencel weer.

Op welke van de aangegeven plaatsen kunnen eiwitten worden aangetroffen?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Celeigenschappen.
Zie figuur B 1712 van de bijlage.

In de afbeelding staan twee foto's van cellen afgebeeld (foto 1 en 2). De foto's zijn met behulp van een elektronenmicroscoop gemaakt.

Uit de foto's is af te leiden dat

afbeeldingafbeelding

Celleer

Chromosomen.

I. In de chromosomen ligt de informatie voor de erfelijke eigenschappen van een organisme.
II. Het aantal chromosomen in een spiercelkern van persoon P verschilt van het aantal chromosomen in een spiercelkern van persoon Q.

Celleer

Chromosomen.

De kern van een zenuwcel van een huisvlieg bevat 12 chromosomen.

Twee beweringen:

I. Al deze chromosomen zijn verschillend van vorm.
II. De kern van een spiercelkern van een huisvlieg bevat 12 chromosomen.

Celleer

Chromosomen.

De kern van een zenuwcel van een huisvlieg bevat 12 chromosomen.

Twee beweringen:

I. Al deze chromosomen zijn hebben dezelfde vorm en grootte.
II. Voor een huisvlieg geldt: 2n = 24.

Celleer

Een cel.
Zie figuur B 1331 van de bijlage.

De foto in de afbeelding geeft een gedeelte van een zoogdiercel weer.
Vier plaatsen zijn met cijfers aangegeven.

Op welke van de aangegeven plaatsen is de pO2 in de levende cel het laagst?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Microscopische foto's van cellen.

Van dezelfde cellen worden foto's gemaakt volgens de methodes A en B.

A. Een foto die gemaakt is via een lichtmicroscopische vergroting van 1500 x en een fotografische vergroting van 100 x.
B. Een foto die gemaakt is van een elektronenmicroscopische vergroting van 15000 x en een fotografische vergroting van 10 x.

Welk van de onderstaande beweringen is juist?

Celleer

Plantencel.
Zie figuur B 1360 van de bijlage.

Op welke van de aangegeven plaatsen P, Q en R in de afbeelding kunnen zouten worden aangetroffen?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Processen in een chloroplast.
Zie figuur A 359 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een plantencel weergegeven.

Drie processen zijn: productie van ATP, verbruik van ATP en het vastleggen van CO2 .

Welk van deze processen komt of welke komen in een chloroplast voor?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Organellen en hun functies.

Geef in het overzicht van de verschillende organellen in cellen hun functies.

  • isolatie en vervoer van eiwitten
  • aanmaak van eiwitten
  • energieproductie
  • afbreken en/of uitstoten van afval uit de cel
  • opslag van celproducten
  • besturing en voortplanting van de cel
  • vorming van draden bij de kerndeling
  • endoplasmatisch reticulum
  • ribosomen
  • mitochondriën
  • lysosomen
  • golgi-apparaat
  • kern
  • centrosomen

Celleer

1/2 Menselijke cel

Menselijke cel ontwikkeld in laboratorium.

Amerikaanse onderzoekers zijn erin geslaagd embryonale stamcellen van de mens in het laboratorium te kweken om ze te laten doorgroeien tot speciale celsoorten. Het is een eerste stap op weg naar de mogelijkheid tot het transplanteren van grote aantallen gespecialiseerde cellen zoals hartspier-, alvleesklier- en hersencellen. Ook opent zich de mogelijkheid tot het creëren van celbanken voor basaal wetenschappelijk onderzoek en het ontwikkelen en testen van nieuwe medicijnen. Een groep onderzoekers van de universiteit van Wisconsin onder leiding van James Thomson heeft zijn resultaten gepubliceerd in Science.
Een tweede groep, van de John Hopkins University in Baltimore onder leiding van John Gearhart, komt maandag met zijn resultaten naar buiten in de Proceedings of the National Academy of Sciences. Thomsons groep ging uit van zeer jonge embryonale cellen, blastocysten genoemd, afkomstig van embryo's die waren 'overgebleven' na een ivf-behandeling. Gearharts groep werkte met de nog primitieve geslachtscellen van geaborteerde foetussen. Embryonale stamcellen en embryonale kiemcellen zijn nog niet gespecialiseerde cellen met een krachtig groeipotentieel, die 'nog alle kanten uit kunnen'. In een bepaald stadium van de embryonale ontwikkeling gaat de stamcel zich differentiëren tot bijvoorbeeld een spiercel, een huidcel of een zenuwcel, een stap in z'n ontwikkeling die onomkeerbaar is.
Thomson en Gearhart wijzen erop dat er nog wel tien jaar kan duren voordat deze technische doorbraak praktische toepassing krijgt bij patiënten.

(De Volkskrant, 7 november 1998).

Zie volgende scherm

Celleer

2/2 Menselijke cel

Het kweken van embryonale cellen heeft als doel grote aantallen gespecialiseerde celsoorten te krijgen.

Noem 3 toepassingen van deze gespecialiseerde celsoorten. Bespreek het antwoord.

Celleer

1/2 Apoptose.
Lees het volgende krantenartikel.

Nijmeegs stofje remt Parkinson
Onderzoekers van het Universitair Medisch Centrum St Radboud in Nijmegen hebben een stof ontdekt die de ziekte van Parkinson in apen geheel tot stilstand kan brengen. De stof, THC346, remt het afstervingsproces, ofwel apoptose, van zenuwcellen in de hersenen van Parkinsonpatiënten. Apoptose treedt ook op bij andere neurodegeneratieve ziekten, zoals dementie van Alzheimer.
Uit het reageerbuisonderzoek van dr. G. Andringa en prof. dr. A. Cools blijkt dat THC346 zich bindt aan het enzym GAPDH (glyceraldehyde-3-phosphaat-dehydrogenase). De aanmaak van GAPDH neemt toe als gevolg van de apoptose, terwijl remming van GAPDH deze geprogrammeerde celdood tegengaat. Op grond daarvan wordt aangenomen dat THC346 via de remming van het GAPDH apoptose tegengaat.
THC346 is in Zwitserland bij gezonde mensen onderzocht en veilig bevonden.
Onderzoek bij Parkinsonpatiënten zal binnen drie maanden beginnen.

afbeeldingafbeelding

Welk schema laat de beste 'vertaling' zien van de invloed van THC346 op de apoptose volgens het krantenartikel?


-

Celleer

2/2 Apoptose.

Beredeneer of de stof THC346 invloed heeft op bestaande ziekteverschijnselen bij een patiënt met de ziekte van Parkinson.
Leg uit of de stof het verergeren van ziekteverschijnselen van de ziekte van Parkinson kan voorkomen.

Celleer

Pantoffeldiertje.

Bij observatie door een 100 x vergrotend lichtmicroscoop ziet men een pantoffeldiertje dat rechtlijnig van linksboven naar rechtsonder door het beeldveld zwemt. Het diertje heeft in het beeld een schijnbare snelheid van 1 cm/s.

Hoe zwemt het diertje in werkelijkheid?

Celleer

Groen materiaal.

Een botanicus vindt tijdens een excursie op een boomstam wat groen materiaal. Hij neemt het mee naar huis ter bestudering.

Als er cellen worden aangetroffen, wanneer is er dan zeker sprake van levend materiaal?

Celleer

2/2 Cytologie.
Zie figuur B 4922 van de bijlage.

Betreft het een plantaardige, een dierlijke of een schimmelcel?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Chloroplasten.

Wat is het belangrijkste proces dat zich in de chloroplasten afspeelt?

Celleer

Foto's van epitheelcellen.

Van dezelfde epitheelcellen worden foto's gemaakt volgens de methoden I en II.

I. Een foto die gemaakt is via een lichtmicroscopische vergroting van 1500 x en een fotografische navergroting van 100 x.
II. Een foto die gemaakt is via een elektronenmicroscopische vergroting van 15.000 x en een fotografische navergroting van 10 x.

Welk van de onderstaande beweringen is juist?

Celleer

Een 'black-box'.
Zie figuur B 1129 van de bijlage.

Het proces van de glycolyse wordt in de afbeelding door een zogenaamde black-box voorgesteld. De stoffen die de black-box ingaan, staan aan de input-kant, de stoffen die er uitgaan, staan aan de output-kant.

In welk deel van een cel van een mens vindt glycolyse plaats?

afbeeldingafbeelding

Celleer

1/2 Aërobe dissimilatie.
Zie figuur A 655 van de bijlage.

Bij de aërobe dissimilatie van koolhydraten wordt een drietal deelprocessen onderscheiden:

- de glycolyse;
- de citroenzuurcyclus;
- de oxidatieve fosforylering.

In de afbeelding is een dierlijke cel schematisch weergegeven. Een aantal plaatsen is met cijfers (1 t/m 9) aangegeven.

Op welke van deze plaatsen vindt de citroenzuurcyclus plaats?

afbeeldingafbeelding

Celleer

2/2 Aërobe dissimilatie.
Zie figuur A 655 van de bijlage.

In de afbeelding is een dierlijke cel schematisch weergegeven. Een aantal plaatsen is met cijfers (1 t/m 9) aangegeven.

Op welke van deze plaatsen vindt glycolyse plaats?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Eutrofiëring.
Zie figuur B 1314 van de bijlage.

In de afbeelding is een cel van een draadwier getekend. Een aantal delen is met cijfers aangegeven.

In welk of in welke van de aangegeven delen kan ATP worden omgezet?

afbeeldingafbeelding

Celleer

1/3 Een minidarm kweken uit één stamcel.
Zie figuur B 4708 van de bijlage.

In het Utrechtse Hubrecht Instituut voor ontwikkelingsbiologie en stamcelonderzoek hebben ze het als eerste klaargespeeld: uit één enkele darmstamcel van een muis hebben ze volwassen darmweefsel gekweekt dat zelfs na acht maanden nog intact was. Een functionerende minidarm, gekweekt uit menselijke darmwandcellen zou gebruikt kunnen worden om bij patiënten de beschadigde darm te herstellen.
Hoofdonderzoeker Hans Clevers is verrast over het gemak waarmee het ging.
"Het was een kwestie van de juiste voedingsstoffen", zegt hij. "Daarna ging alles vanzelf op de juiste plek zitten."
Eerder werd gedacht dat stamcellen alleen in een zeer speciale omgeving konden uitgroeien tot stabiel darmweefsel.
In de afbeelding is zo'n minidarm te zien, in elf dagen gegroeid uit één darmstamcel.
Uiteindelijk moet de gekweekte darm bij patiënten worden ingebracht. Daarvoor zijn nog wel een paar hordes te nemen. Zo is de huidige gekweekte darm nog maar een paar millimeter lang en bestaat hij alleen uit darmepitheel.
Om in vitro (buiten het lichaam) een stukje huid te kweken is, naast de juiste dosering van groeifactoren, meestal ook een drager met myofibroblasten vereist. De stukjes dunne darm in de experimenten van Clevers konden acht maanden lang groeien zonder deze drager. Kennelijk hebben de darmstamcellen een zelforganiserend vermogen. Een van de daarvoor benodigde eigenschappen is dat de cellen zich snel en vaak delen.

Noem nog twee eigenschappen van de darmstamcellen die noodzakelijk zijn voor het zelforganiserend vermogen tot een minidarm.

afbeeldingafbeelding

Celleer

2/3 Een minidarm kweken uit één stamcel.

Waaraan is onder de microscoop te zien dat er zelforganisatie plaatsvindt?

Celleer

3/3 Een minidarm kweken uit één stamcel.
Zie figuur C 419 van de bijlage.

In 2007 werd ontdekt dat in de dunne darm onderin elke ‘crypte van Lieberkühn' zes basale darmstamcellen zitten (zie de afbeelding). Omdat het darmepitheel sterk aan slijtage onderhevig is deelt zo'n darmstamcel zich elke dag.
De cellen in het darmepitheel bevinden zich op een soort roltrap. Wanneer een darmstamcel in de crypte zich deelt stapt één van beide dochtercellen op de roltrap. Deze dochtercel bevindt zich in de loop van haar korte leven steeds dichter bij de top van de darmvlok. Cellen die met de roltrap boven aankomen gaan over tot een vorm van geprogrammeerde celdood (apoptose). De tweede dochtercel blijft de rol van darmstamcel vervullen.
Tijdens de verplaatsing in de richting van de top van de darmvlok (het stijgen op de roltrap) ondergaan de dochtercellen van de stamcellen allerlei veranderingen.

Hoe wordt dit proces genoemd?
. Wat is de functie van dit proces in de dunne darm?

afbeeldingafbeelding