Oefentoets Biologie: Bloed - lymfe | VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 29 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

29

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Bloed

Zuurstofafgifte van spierweefsel.
Zie figuur A 79 van de bijlage.

In een bepaald spierweefsel heersen de volgende omstandigheden:

in rust: pO2 = 40 mm Hg, pCO2 = 60 mm Hg,
bij arbeid: pO2 = 20 mm Hg, pCO2 = 80 mm Hg.

In de haarvaten die deze spier van bloed voorzien, geldt in het begin van het haarvatennet:

pO2 = 100 mm Hg, pCO2 = 40 mm Hg. Zie figuur A 79 van de bijlage.

Leid uit de afgebeelde curven af hoeveel mL zuurstof er per 100 mL bloed wordt afgegeven aan bovengenoemd spierweefsel bij rust en bij arbeid.
afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Bloed

CO2 en O2 in het bloed.
Zie figuur B 225 van de bijlage.

De afgebeelde grafieken gelden voor bloed in longhaarvaten.

Uit deze grafieken valt af te leiden dat bij een gelijkblijvende pCO2 de hoeveelheid

afbeeldingafbeelding

Bloed

O2 -afgifte door bloed.
Zie figuur A 90 van de bijlage.

Het diagram geeft bij een gewerveld dier het verband weer tussen de partiële zuurstofspanning (pO2 ) van het plasma en de hoeveelheid zuurstof die in het bloed gebonden is aan hemoglobine.
In het orgaan daalt de pO2 van het bloed van 3 kPa tot 1,5 kPa, terwijl de pH daalt van 7,2 naar 7,1 (1kPa = 7,7 mm Hg).

Hoeveel mL O2 wordt door 100 mL bloed in dit orgaan afgegeven?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Hemoglobine van lama's en mensen.
Zie figuur B 180 van de bijlage.

Lama's zijn goed aangepast aan het leven in het hooggebergte. Het zuurstofverzadigingspercentage van hemoglobine van een lama bij variërende zuurstofspanning van het milieu werd gemeten. De resultaten zijn uitgezet in het diagram.
Ter vergelijking zijn ook de zuurstofverzadigingspercentages van hemoglobine van de mens uitgezet. De CO2 -spanning is in alle gevallen gelijk.
Op grond van de gegevens, weergegeven in het diagram, worden de volgende uitspraken gedaan:

1. Bij zuurstofspanning P is het hemoglobine van een lama meer verzadigd met zuurstof dan het hemoglobine van de mens.
2. Een rode bloedcel van een lama kan meer zuurstof binden dan een rode bloedcel van de mens.
3. Bij een zuurstofspanning hoger dan Q is hemoglobine van een lama volledig verzadigd met zuurstof.

Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn op grond van de gegevens in het diagram juist?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Zuurstofverzadigingskrommen van twee personen.
Zie figuur B 2507 van de bijlage.

Bij twee personen wordt het zuurstoftransport door het bloed onderzocht. Normaal kan in 100 mL bloed maximaal 20 cm3 zuurstofgas opgelost zijn.
In het diagram zijn de zuurstofverzadigingskrommen van deze twee personen weergegeven. Elke grafiek geldt bij de heersende pO2 in de weefsels van de desbetreffende persoon. Persoon P heeft een koolstofmonoxidevergiftiging; hierdoor kan in zijn bloed per 100 mL maximaal 12 cm3 zuurstofgas opgelost zijn. Dit is voor persoon P 100% verzadiging. Persoon Q heeft bloedarmoede; hierdoor kan in zijn bloed per 100 mL maximaal 16 cm3 zuurstofgas opgelost zijn. Dit is voor persoon Q 100% verzadiging.
Bij beide personen bedraagt de zuurstofspanning (pO2) in de longlucht 12 kPa en in de weefsels 2 kPa.

Hoe groot is het verschil in zuurstofafgifte in de weefsels tussen beide personen?

Persoon P geeft per 100 mL bloed

afbeeldingafbeelding

Bloed

Afgite van O2 bij rust en bij arbeid.
Zie figuur A 403 van de bijlage.

In een bepaald spierweefsel heersen de volgende omstandigheden:

in rust: pO2 = 5,3 kPa, pCO2 = 7,5 kPa,
bij arbeid: pO2 = 2,7 kPa, pCO2 = 10 kPa.

In de haarvaten die deze spier van bloed voorzien, geldt in het begin van het haarvatennet: pO2 = 13,3 kPa, pCO2 = 5 kPa.

Leid uit de afgebeelde curven af hoeveel mL zuurstof per 100 mL bloed ongeveer wordt afgegeven aan bovengenoemd spierweefsel bij rust en bij arbeid.

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Bloed

Vorming van weefselvocht.

Aan het begin van een haarvatennet treedt vocht uit de bloedvaten en vormt weefselvocht.
Dit geldt alleen voor de haarvatennetten van de grote bloedsomloop. In haarvatennetten van de kleine bloedsomloop gebeurt dit vrijwel niet.

Hoe kan dit verschil verklaard worden?

Bloed

Weefselvloeistof en de osmotische waarde van bloed.

In een experiment laat men de bloeddruk in een bepaald haarvat plotseling toenemen. Als gevolg daarvan verandert de hoeveelheid vloeistof die per tijdseenheid vanuit het bloed naar het omliggende weefsel gaat. Ook de osmotische waarde van het bloed in dit haarvat verandert.

In welke regel zijn de veranderingen juist weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Hongeroedeem.

Ten gevolge van ondervoeding kan hongeroedeem ontstaan. Daarbij zijn veel weefsels sterk opgezwollen doordat het weefselvocht zich ophoopt.

Wat is de directe oorzaak van deze vochtophoping?

In vergelijking met de normale situatie is

Bloed

Eiwitten in het bloedplasma.

In bloedplasma van de mens komt een aantal eiwitten voor. Hieronder wordt van vier van deze eiwitten het aantal mg per 100 mL bloedplasma en de moleculemassa vermeld. De genoemde eiwitten komen niet of nauwelijks in weefselvocht voor.

afbeeldingafbeelding

Deze eiwitten spelen een rol bij het tot stand komen van de osmotische waarde van het bloedplasma.

Welk eiwit speelt hierbij de belangrijkste rol?

Bloed

Eiwitten in het weefselvocht.

Bij een mens bevindt zich vocht tussen de cellen: weefselvocht.

Is de concentratie van eiwitten in het weefselvocht lager dan, gelijk aan of hoger dan die in het bloedplasma?

Bloed

Vochtophoping in het spierweefsel.

Na ongewone spieractiviteit bij ongetrainde mensen kan vochtophoping in het spierweefsel optreden.

De verklaring hiervoor is dat de osmotische waarde van het bloed relatief onvoldoende is om water terug te nemen uit het spierweefsel, ten gevolge van

Bloed

Afvoer van lymfe.

Bij de mens wordt lymfe uit weefsels in de benen afgevoerd via lymfevaten. Beweerd wordt dat de volgende handelingen de afvoer van lymfe uit een been beïnvloeden:

1. op een hoge kruk gaan zitten en het been laten hangen;
2. het been omhoog op een stoel leggen;
3. een wandelingetje maken.

Welke van deze handelingen bevorderen de afvoer van lymfe?

Bloed

Weefselvloeistof.
Zie figuur B 1479 en figuur C 95 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch een haarvat weer en de stroomrichting van het bloed door het haarvat tussen de plaatsen P en Q. De gebogen pijlen geven de vorming van weefselvloeistof en het terugstromen van weefsel vloeistof naar het bloed schematisch weer. Deze processen worden beïnvloed door de bloeddruk en door de druk die ontstaat door het verschil tussen de concentratie van opgeloste stoffen in het bloedplasma en die in de weefselvloeistof (de colloïd-osmotische druk). Het verloop van de bloeddruk en van de colloïd-osmotische druk tussen P en Q kan in een diagram worden weergegeven.

In de afbeelding C 95 zijn vier diagrammen A, B, C en D getekend.

In welk van deze diagrammen is het bedoelde verloop tussen P en Q juist weergegeven?
In diagram

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Bloed

Vloeistoftransport.
Zie figuur B 1275 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch twee systemen weer waarin vloeistoffen in het lichaam van zoogdieren stromen.
Vier vaten zijn: de bovenste holle ader, de onderste holle ader, een longader en een lymfevat.

Welk van deze vaten wordt in de afbeelding met P aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Hongeroedeem.

Hongeroedeem zoals dat in vele ontwikkelingslanden voorkomt en waarbij vochtophoping in weefsels optreedt, is te verklaren als gevolg van het feit dat

Bloed

1/8 Rekenen met bloedkrommes.
Zie figuur A 401 en A 402 van de bijlage.

De beide afgebeelde krommes stellen O2 -dissociatiekrommes van bloed voor. In de figuur A 401 is op de X-as de pO2 weergegeven in kPa, in figuur A 402 in mm Hg.

Bereken in figuur A 402 voor de punten A t/m E de waarde in mm Hg.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Bloed

2/8 Rekenen met bloedkrommes.

Bij een volwassene worden er dagelijks gemiddeld honderd miljard witte bloedcellen, tweehonderd miljard rode bloedcellen en ook nog eens dezelfde hoeveelheid bloedplaatjes aangemaakt. Deze aanmaak geschiedt in het beenmerg, dáár bevinden zich onze eigen stamcellen. Deze cellen kunnen zich onder invloed van regelende factoren vermenigvuldigen en verder uitrijpen tot de zeer gespecialiseerde cellen die men in het bloed kan aantreffen. Nu blijkt uit laboratoriumonderzoek dat deze vermenigvuldiging en deze uitrijping van jonge bloedcellen gestimuleerd kan worden als men er bepaalde weefselextracten aan toevoegt.
Inmiddels zijn in deze extracten factoren gevonden die de groei van bloedcellen stimuleren, hematopoïtische groeifactoren genoemd, die in zuivere vorm beschikbaar zijn gekomen via recombinant-DNA-technieken. Daardoor kunnen deze eiwitten niet alleen in zuivere vorm worden verkregen, maar ook in de benodigde hoeveelheden aan patiënten worden toegediend. De groeifactor die de aanmaak van rode bloedcellen aanzet heet erytropoïtine (EPO), dat voor negentig procent in de nieren wordt gemaakt.
Het belangrijkste verboden dopingmiddel waar veel atleten in Atlanta zich mee hebben voorbereid is EPO. EPO kan bij de sporter het zuurstoftransport naar zijn spieren verhogen zonder op hoogtestage (toegestaan) te zijn geweest of bloeddoping (verboden) te hebben gehad.

Zie volgende scherm

extendedTextInteraction

3/8 Rekenen met bloedkrommes.
Zie figuur A 401 van de bijlage.

Teken in figuur A 401 van de bijlage de kromme die ontstaat indien een sporter zoveel EPO heeft gebruikt dat zijn aantal rode bloedcellen met 10% is verhoogd.

afbeeldingafbeelding

Bloed

4/8 Rekenen met bloedkrommes.
Zie figuur A 401 van de bijlage.

Het synthetische EPO is de kunstmatige variant van de ordinaire bloeddoping. Een methode waarover in 1972 tijdens de Olympische Spelen in Munchen al gefluisterd werd. De Finse lange-afstandsloper Lasse Viren, die twee gouden medailles won in Munchen, zou zich ervan bediend hebben. Het was een even simpele als doeltreffende methode: de atleet gaat een maand de bergen in, op hoogtestage. De ijle en dus zuurstofarmere lucht zorgt voor een reactie: het percentage rode bloedcellen neemt toe, het bloed wordt verrijkt. Vervolgens wordt een liter bloed afgenomen en bevroren. Klaar voor later gebruik.
Vlak voor een wedstrijd wordt die liter sterk ingedikt en weer bijgetankt. Resultaat: een extra lading rode bloedlichamen en daarmee een extra zuurstofopname-capaciteit.

Teken in figuur A 401 van de bijlage de kromme die ontstaat indien door bloeddoping een verzadigingspercentage wordt bereikt dat 10% hoger ligt dan normaal.

afbeeldingafbeelding

Bloed

5/8 Rekenen met bloedkrommes.
Zie figuur A 401 van de bijlage.

Bij ernstige bloedarmoede is het Hb-gehalte van het bloed zover gedaald dat het O2 -gehalte bij pO2 van 14 kPa tot 10 ml per 100 ml bloed lager kan liggen dan normaal.

Teken in figuur A 401 van de bijlage de kromme die ontstaat indien door bloedarmoede dit lagere O2 -transport wordt bereikt.

afbeeldingafbeelding

Bloed

6/8 Rekenen met bloedkrommes.

Beredeneer of de vermoeidheid en kortademigheid die optreden bij bloedarmoede het gevolg zijn van een verandering in het O2 -transport, een verandering in het CO2 -transport of van beide.

Bloed

7/8 Rekenen met bloedkrommes.

Bepaal met behulp van de BINAS-tabel welke vitamines verantwoordelijk kunnen zijn voor het ontstaan van bloedarmoede.

Bloed

8/8 Rekenen met bloedkrommes.
Zie figuur A 403 van de bijlage.

In een bepaald spierweefsel heersen de volgende omstandigheden:

in rust : pO2 = 5,3 kPa, pCO2 = 7,5 kPa.
bij arbeid: pO2 = 2,7 kPa, pCO2 = 10 kPa.

In de haarvaten die deze spier van bloed voorzien, geldt in het begin van het haarvatennet:

pO2 = 13,3 kPa, pCO2 = 5 kPa.

Zie figuur A 403 van de bijlage.

Leid uit de afgebeelde curven af hoeveel ml zuurstof per 100 ml bloed ongeveer wordt afgegeven aan bovengenoemd spierweefsel bij rust en bij arbeid.

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Bloed

Lymfevaatstelsel.

Welk van de volgende uitspraken over het lymfevaatstelsel is of welke zijn juist?

Bloed

Integratie.
Zie figuur E 38 van de bijlage.

In de afbeelding is een bepaald segment met 'inwendig milieu' aangeduid. In dit segment bevindt zich een vloeistof.

Hoe wordt deze vloeistof genoemd?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Rust en arbeid.
Zie figuur B 1324 van de bijlage.

De afbeelding geeft de zuurstofverzadiging van hemoglobine weer bij verschillende waarden van de pO2 en bij een pCO2 van 5, van 7 en van 9 kPa.

In een experiment verricht een proefpersoon gedurende een bepaalde tijd steeds zwaardere arbeid.

Wordt, ten gevolge van de verandering van de pCO2 tijdens inspanning, de hoeveelheid O2 die per ml bloed aan de weefsels van de proefpersoon wordt afgegeven, kleiner, blijft die gelijk of wordt die groter ?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Vloeistofverplaatsing.
Zie figuur C 1 van de bijlage.

In de linker afbeelding is een schematische doorsnede van een nierkapsel en bijbehorende haarvaten uit een nier van de mens weergegeven.
In de rechter afbeelding is dat nierkapsel, met één van de haarvaten gestrekt, onder de horizontale as van het diagram getekend. Drie plaatsen in het nierkapsel en in het haarvat zijn in de afbeeldingen en aangegeven met P, Q en R.
Grafiek 1 geeft de buitenwaarts gerichte kracht in het haarvat weer. Door deze kracht wordt vloeistof uit het haarvat in het nierkapsel gedreven.
Grafiek 2 geeft de binnenwaarts gerichte kracht weer. Door deze kracht keert vloeistof uit het nierkapsel in het haarvat terug.
De uiteindelijke netto-vloeistofverplaatsing wordt veroorzaakt door de plaatselijke verschillen tussen deze buitenwaarts en binnenwaarts gerichte krachten.

Waardoor is de binnenwaarts gerichte kracht bij P kleiner dan bij Q ?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Darmvlokken.
Zie figuur B 1133 van de bijlage.

In de afbeelding zijn schematisch overlangse doorsneden van drie darmvlokken weergegeven.
In darmvlok 1 zijn alleen spieren, in darmvlok 2 alleen bloedvaten en in darmvlok 3 is alleen een lymfevat getekend.
In werkelijkheid bevinden zich al deze structuren in elke darmvlok.
Met R en S zijn twee verschillende lagen spieren aangegeven.

Twee plaatsen zijn aangegeven met P en Q.

Op welke van deze plaatsen kunnen zich in een levende darmvlok witte bloedcellen bevinden?

afbeeldingafbeelding