Oefentoets Biologie: Bloed | Omloop | VWO 5/VWO 6 | variant 1

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Bloed

De stroomsnelheid van het bloed.
Zie figuur B 1300 van de bijlage.

In de afbeelding zijn twee diagrammen getekend waarin de stroomsnelheid van het bloed in de grote en in de kleine bloedsomloop is weergegeven. De doorsnede van het begin van de aorta is 4 cm2 . De doorsnede van het begin van de longslagader is 6 cm2 .
Vier plaatsen zijn met cijfers aangegeven.

Met welk cijfer is het haarvatennet van de longen aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Eigenschappen van bloedvaten.

In de rechter kamer van het hart van een proefpersoon heerst maximaal een druk van 2,7 kPa. In de borstkas van deze proefpersoon bevindt zich een bloedvat P waarin de bloeddruk gemiddeld 14,6 kPa bedraagt. De bloedvaten R zijn vertakkingen van bloedvat P. De pO2 van het bloedplasma in de bloedvaten R bedraagt ongeveer 13,3 kPa. Ongeveer 95% van de hemoglobine in het bloed in de bloedvaten R is met O2 verzadigd.

Over de bloedvaten R worden de volgende beweringen gedaan:

1. deze bloedvaten zijn longadertjes;
2. deze bloedvaten zijn longslagadertjes;
3. deze bloedvaten zijn kransadertjes;
4. deze bloedvaten zijn vertakkingen van een slagader die onder andere de bronchiën van bloed voorziet.

Welke van deze beweringen is juist?

Bloed

1/4 Bloedsomloop.
Zie figuur A 277 en figuur A 285 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch de bloedsomloop bij een ongeboren kind weergegeven. De getallen geven de bloedstroom aan door de desbetreffende bloedvaten in mL/kg lichaamsgewicht/min.

Zie figuur A 285 van de bijlage.

Vergelijk afbeelding A 277 met afbeelding A 285.

Wat is de naam van het bloedvat dat in afbeelding A 277 met X is aangegeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Bloed

2/4 Bloedsomloop.
Zie figuur A 277 van de bijlage.

Wat is de naam van het bloedvat dat in afbeelding A 277 met Y is aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Bloed

3/4 Bloedsomloop.
Zie figuur A 277 van de bijlage.

Van de hoeveelheid bloed die het hart van het ongeboren kind per minuut verlaat, gaat per minuut een bepaald percentage naar de placenta.

Bereken dit percentage op grond van de gegevens in afbeelding A 277.

afbeeldingafbeelding

Bloed

4/4 Bloedsomloop.
Zie figuur A 277 van de bijlage.

De hoeveelheid bloed die per minuut bij een kind vóór de geboorte door de longen stroomt, wordt vergeleken met die dit kind enige dagen na de geboorte. Aangenomen wordt dat de totale hoeveelheid bloed die het hart per minuut verlaat, vóór en na de geboorte even groot is.

Bereken op grond van de gegevens in afbeelding A 277 de verhouding tussen de hoeveelheid bloed die per minuut vóór de geboorte door de longen stroomt en die enige dagen na de geboorte door de longen stroomt.

afbeeldingafbeelding

Bloed

1/4 Bloedsomloop.
Zie figuur C 113 van de bijlage.

Eén tot twee procent van het bloed dat de linker kamer verlaat, gaat via de bronchusslagaders naar de bronchiën. Dit bloed keert via de longaders in het hart terug.

Is, gelet op deze gegevens, de hoeveelheid bloed die per hartslag de linker kamer verlaat, kleiner dan, gelijk aan of groter dan die de rechter kamer verlaat?

afbeeldingafbeelding

Bloed

2/4 Bloedsomloop.

In de kleine bloedsomloop wordt per tijdseenheid minder weefselvloeistof gevormd dan in de grote bloedsomloop. Hiervoor worden drie verklaringen geopperd:

1. De bloeddruk in de haarvaten in de kleine bloedsomloop is lager dan die in de grote bloedsomloop.
2. De stroomsnelheid van het bloed in de haarvaten in de kleine bloedsomloop is lager dan die in de grote bloedsomloop.
3. De lengte van de slagaders van de kleine bloedsomloop is kleiner dan die van de grote bloedsomloop.

Welke van deze verklaringen is juist?

Bloed

3/4 Bloedsomloop.
Zie figuur B 1996 van de bijlage.

De afbeelding toont de bouw van de wand van een slagader.
Met toenemen van de leeftijd neemt de elasticiteit van de wand van de slagaders af.

Heeft de vermindering van de elasticiteit invloed op de hoogte van de systolische bloeddruk?
Zo ja wordt deze lager of hoger?

afbeeldingafbeelding

Bloed

4/4 Bloedsomloop.
Zie figuur A 371 van de bijlage.

In de afbeelding is een bepaalde dwarsdoorsnede van de romp van een mens weergegeven.
Een leerlinge vraagt zich af hoe deze doorsnede is gemaakt. Zij ziet het wanneer zij de organen nader bestudeert.

Welk van de cijfers 1, 2, 3 en 4 is in de linker long geplaatst?

afbeeldingafbeelding

Bloed

1/2 Bloed en bloedvaten.

Het bloedvatenstelsel van de mens kan ingedeeld worden in de kleine en de grote bloedsomloop.

Is de hoeveelheid bloed die per minuut de kleine bloedsomloop instroomt kleiner dan, gelijk aan of groter dan de hoeveelheid bloed die per minuut de grote bloedsomloop instroomt?

Bloed

2/2 Bloed en bloedvaten.

Het aantal verschillende weefseltypen in de wand van de longslagaders wordt vergeleken met het aantal weefseltypen in de wand van een longhaarvat.

Is het aantal verschillende weefseltypen in de wand van een longslagader kleiner dan, gelijk aan of groter dan het aantal verschillende weefseltypen in de wand van een longhaarvat?

Bloed

1/4 Bloedsomloop.

Een proefpersoon (man, 30 jaar, 72 kg) doet mee aan een onderzoek naar de invloed van inspanning op het hartminuutvolume. De massa van zijn bloed is die van een gemiddelde man van zijn leeftijd: ongeveer zeven procent van het lichaamsgewicht. Het onderzoek begint met metingen in rust. Zijn hartslagfrequentie is 70 per minuut en het slagvolume van zijn linker hartkamer is in rust 70 mL.
Na de rustperiode fietst hij met volle kracht vijf minuten op een hometrainer. Zijn hartslagfrequentie neemt toe tot 200. Uit metingen blijkt dat zijn hartminuutvolume bij die hartslagfrequentie vijfmaal zo hoog is. Ook het slagvolume is tijdens het fietsen op de hometrainer veranderd.

Met welk percentage is het slagvolume van de linkerkamer toegenomen?

Bloed

2/4 Bloedsomloop.

De omlooptijd van een rode bloedcel is de tijd die verstrijkt tussen vertrek uit de linkerkamer en terugkomst in die kamer. Met de gegevens van de proefpersoon en de meetresultaten in rust en bij inspanning (zie inleiding) is het mogelijk een inschatting te maken van de gemiddelde omlooptijd van het bloed door zijn lichaam in rust. Je mag aannemen dat de snelheid van de rode bloedcellen hetzelfde is als die van het bloedplasma.

Hoe lang duurt het bij deze proefpersoon in rust gemiddeld voordat de rode bloedcel terug is in de linkerkamer?

Bloed

3/4 Bloedsomloop.

De omlooptijd van het bloed is afhankelijk van de route. Alle routes beginnen in de aorta. Het toeval bepaalt of een rode bloedcel een lange of een korte route aflegt voordat hij vanuit de aorta in de rechter hartkamer arriveert.

Welke slagader hoort bij de kortste route vanuit de aorta naar de rechter hartkamer?

Bloed

4/4 Bloedsomloop.

Twee routes van het bloed, vanuit de aorta naar de rechterkamer, worden vergeleken.
De ene route blijkt driemaal langer te zijn (qua lengte) dan de andere. Het is niet zo dat de omlooptijd via die ene route ook driemaal langer (qua tijd) is.

Leg dit uit.

Bloed

1/2 Bloedsomloop.

Er zijn verschillen in de bloedsomloop van de mens vóór en na de geboorte. In het hart van een embryo bestaat een verbinding tussen rechter en linker boezem, die zich na de geboorte sluit. Datzelfde geldt voor een embryonale verbinding tussen de longslagader en de aorta. De navelstreng-ader en -slagaders behoren tot de grote bloedsomloop van het embryo.
Bij een vrouw is tegen het einde van de zwangerschap de zuurstofspanning in de bloedruimtes van de placenta gemiddeld 7 kPa. De zuurstofspanning in het bloed dat in de navelstreng naar het hart van het ongeboren kind stroomt, is gemiddeld 4 kPa.

Is de gemiddelde zuurstofspanning in het bloed dat naar de hersenen van het ongeboren kind stroomt, kleiner dan, gelijk aan of groter dan 4 kPa?

Bloed

2/2 Bloedsomloop.

Is de gemiddelde zuurstofspanning in het bloed in een longader vóór de geboorte kleiner dan, gelijk aan of groter dan de zuurstofspanning in het bloed in die longader na de geboorte?

Bloed

Bloedvoorziening van de lever.
Zie figuur B 4984 van de bijlage.

Nevenstaand schema geeft de verbindingen weer van de lever met het bloedvatenstelsel en het spijsverteringskanaal.

Zet de namen van de verschillende structuren in de rechterkolom bij de juiste cijfers in de linkerkolom.

afbeeldingafbeelding
  • poortader

  • leverader

  • leverbuis

  • galbuis

  • 2

  • 3

  • 5

  • 6

Bloed

Foramen ovale.

Bij de geboorte sluit zich het foramen ovale (de opening tussen de linker- en rechterboezem) onder invloed van