Assimilatie en dissimilatie
1/6 Een experiment.
In een plant kan zowel verbranding als fotosynthese optreden.
Is voor verbranding koolstofdioxide nodig?
En is voor fotosynthese koolstofdioxide nodig?
Deze oefentoets bevat 18 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
18
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VMBO kaderberoepsgerichte leerweg, 4
NVON
cc-by-sa-40
1/6 Een experiment.
In een plant kan zowel verbranding als fotosynthese optreden.
Is voor verbranding koolstofdioxide nodig?
En is voor fotosynthese koolstofdioxide nodig?
2/6 Een experiment.
Bij een experiment wordt een indicator gebruikt die in kraanwater aangeeft of de hoeveelheid koolstofdioxide toeneemt of afneemt. In gewoon kraanwater is de kleur van de indicator oranje. In de tabel hieronder staat aangegeven hoe de kleur verandert als de hoeveelheid koolstofdioxide verandert.
afbeelding
Zie figuur B 3301 van de bijlage.
Drie reageerbuizen worden gevuld met kraanwater, waaraan wat van de indicator wordt toegevoegd. In twee buizen wordt ook een waterplantje gedaan.
Eén van de buizen met een plantje wordt ingepakt, zodat er geen licht meer bij kan (zie de afbeelding). De buizen worden de hele dag voor het raam in de zon gezet.
Welke kleur zal het water in buis 1 na enkele uren hebben? Leg je antwoord uit.
afbeelding
3/6 Een experiment.
Treedt er fotosynthese op in het plantje in buis 2?
En treedt er verbranding op in het plantje in buis 2?
afbeelding
4/6 Een experiment.
Leg uit wat de functie is van buis 3 tijdens het experiment.
afbeelding
5/6 Een experiment.
Zie figuur B 3302 van de bijlage.
Bij een volgend experiment worden twee andere buizen gevuld met kraanwater en wat van dezelfde indicator: buis 4 en buis 5. In buis 4 worden enkele slakjes gedaan en in buis 5 enkele slakjes en een waterplantje (zie de afbeelding hiernaast). Beide buizen worden voor het raam in het licht gezet.
Wat zal de kleur van het water in buis 4 na enkele uren zijn? Leg je antwoord uit.
afbeelding
6/6 Een experiment.
De kleur in buis 5 verandert niet. Dit betekent dat de hoeveelheid koolstofdioxide in het water gelijk blijft.
Leg uit waardoor de hoeveelheid koolstofdioxide in het water van buis 5 gelijk blijft.
afbeelding
Asperges.
Zie figuur B 3277 van de bijlage.
De aspergeplant is bekend omdat de witte, jonge stengels eetbaar zijn. Deze groeien uit een wortelstok die diep in de grond zit. Zo worden de asperges lang en blijven ze wit.
Vindt in deze aspergestengels fotosynthese plaats?
En vindt er verbranding plaats?
afbeelding
Energie in een ecosysteem.
Welke van de onderstaande beweringen over de energie in een ecosysteem is of welke zijn juist?
I. Een ecosysteem blijft alleen bestaan als er voortdurend nieuwe energie van buiten het ecosysteem wordt opgenomen.
II. Een ecosysteem verliest voortdurend energie in de vorm van verbrandingswarmte.
1/4 Wiertjes in een pantoffeldiertje.
Zie figuur B 914 van de bijlage.
Het komt voor dat bepaalde organismen in andere organismen leven.
In sommige eencellige diertjes, zoals het pantoffeldiertje (zie de afbeelding), kunnen bijvoorbeeld groenwiertjes voorkomen.
Deze wiertjes bezitten bladgroen en onttrekken bepaalde stoffen aan het pantoffeldiertje. De wiertjes gebruiken deze stoffen voor hun fotosynthese. Het pantoffeldiertje krijgt op zijn beurt bepaalde stoffen van de wiertjes.
Welke stof geven de pantoffeldiertjes en de wiertjes beide af wanneer ze in het donker leven?
afbeelding
2/4 Wiertjes in een pantoffeldiertje.
In welk of in welke van deze organismen wordt energie vrijgemaakt door verbranding?
3/4 Wiertjes in een pantoffeldiertje.
Welke zijn de 'bepaalde stoffen' die aan het pantoffeldiertje worden onttrokken?
4/4 Wiertjes in een pantoffeldiertje.
Welke zijn de 'bepaalde stoffen' die aan het pantoffeldiertje worden gegeven?
Een aardappelplant.
In een veld met aardappelplanten komen bacteriën in de bodem voor.
Twee beweringen over de activiteiten van bacteriën in dat ecosysteem zijn:
1. bacteriën zetten stoffen waaruit aardappelplanten zijn opgebouwd, om in zouten die door de aardappelplanten opgenomen kunnen worden;
2. bacteriën zetten stoffen uit de lucht en de bodem om in stoffen die door aardappelplanten opgenomen kunnen worden.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
afbeelding
Hoe je aardappelen kunt kweken.
Een aardappelplant staat nog in de grond, maar de bovengrondse delen zijn al helemaal geel en verdord.
Vindt in deze plant nog fotosynthese plaats?
En verbranding?
afbeelding
Asperges.
Zie figuur A 398 van de bijlage.
Kweken van asperges.
Asperges kunnen alleen op lichte, droge grond geteeld worden. In april moeten de jonge aspergeplantjes uitgeplant worden. Hiervoor wordt de grond diep gespit en wordt een geul gegraven van 25 cm diep. De plantjes 40 cm uit elkaar planten. Oogsten kan pas in het 3e jaar, van ca. 20 april tot eind mei - later tot de 3e week van juni. De planten daarna groen laten vormen boven de grond tot november.
Heeft in een aspergeplant tussen het stadium van tekening 3 en het stadium van tekening 4 fotosynthese plaats gevonden?
En verbranding?
afbeelding
Rozen.
Floortje koopt op een zaterdagmorgen een bos rozen en zet deze meteen in een vaas voor het raam.
Kan er in de bladeren van een rozentak dan fotosynthese plaatsvinden?
En verbranding?
Een blad.
Zie figuur B 875 van de bijlage.
De afbeelding geeft een doorsnede weer van een blad van een plant met bladgroen.
Wordt in cel 1 in het licht glucose gevormd?
En wordt in deze cel in het licht glucose verbrand?
afbeelding
2/2 Kiemende bonen.
Zie figuur B 3390 van de bijlage.
In welke bak zal het koolstofdioxidegehalte het laagst zijn na afloop van deze proef?
afbeelding