Oefentoets Biologie: Ecologie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 13

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

2/4 Groei in biomassa.
Zie de figuren B 2730 en A 599 van de bijlage.

Er is tussen de salamander en de spitsmuis een verschil in het percentage voedsel dat gebruikt wordt voor verbranding.
afbeeldingafbeelding

Geef daarvoor een verklaring op basis van de gegevens in de tabel hierboven en de afbeelding.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 Groei in biomassa.

afbeeldingafbeelding

Welk dier heeft de hoogste productiviteit?

Ecologie

4/4 Groei in biomassa.
Zie figuur A 599 van de bijlage.

Het percentage van het voedsel dat terechtkomt in de urine en/of de feces is bij de rups groter dan bij de salamander en bij de eekhoorn groter dan bij de spitsmuis.

Geef hiervoor een verklaring.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/6 De Atitlánfuut.
Zie figuur B 3616 van de bijlage.

afbeeldingafbeelding

Tekst:
In Midden-Amerika komen futensoorten voor, die niet kunnen vliegen. Eén daarvan was de Atitlánfuut, Podylimbus gigas, nauw verwant aan de gewone Amerikaanse fuut, Podylimbus podiceps, die wel kan vliegen. De Atitlánfuut is sinds 1990 niet meer waargenomen. Zijn verspreidingsgebied was beperkt tot het Atitlánmeer in Guatemala. Hij leefde er van vis. Er wordt aangenomen dat hij is uitgestorven. Elders, in Zuid-Amerika, komen nog wel niet-vliegende futen voor.
Aangenomen wordt dat het verspreidingsgebied van de gewone Amerikaanse fuut in de IJstijden zuidelijker heeft gelegen. De Atitlánfuut is, zo denkt men, na de laatste IJstijd ontstaan uit een populatie achterblijvers, die langzamerhand het vliegvermogen heeft verloren. De niet-vliegende futen hebben in het voedselarme meer waarschijnlijk meer voordeel gehad doordat zij geen grote vleugels en zware vliegspieren aanlegden. De Atitlánfuut bezit wel vleugels maar ze zijn te klein om er mee te vliegen. En zelfs al zou hij dat kunnen dan is op 2000 meter hoogte de lucht te ijl en zijn de bergen rond het Atitlánmeer te hoog voor hem om weg te vliegen. In de jaren zestig werd de Atitlánfuut voor het eerst bedreigd met uitsterven. Oorzaak was toen het maaien van de rietvelden.
De fuut had riet nodig, niet alleen om in te nestelen maar ook als beschutting tegen de wind. De indianen gebruikten het riet om er matten en meubels van te maken en maaiden het riet aanvankelijk op ieder moment. Toen ze overgingen tot het regelmatig, ééns per jaar maaien van het riet, herstelde de populatie zich weer.

Zie volgende scherm

Ecologie

2/6 De Atitlánfuut.

In andere meren in Guatemala is geen nieuwe soort fuut ontstaan. Bij soortvorming in het algemeen zijn naast natuurlijke selectie nog andere processen nodig.

Welke twee processen zijn samen met natuurlijke selectie noodzakelijk voor het ontstaan van een nieuwe soort als de Atitlánfuut?

Ecologie

3/6 De Atitlánfuut.

Factoren die van invloed zijn op de omvang van populaties zijn:

1. emigratie;
2. immigratie;
3. geboortecijfer;
4. sterftecijfer.

Welk van deze factoren werd of welke werden bevorderd toen de indianen overgingen van het op ieder willekeurig moment maaien naar het maaien eens per jaar?

Ecologie

4/6 De Atitlánfuut.

Aan het eind van de jaren zestig werd roofbaars in het meer uitgezet. Dit leidde aanvankelijk niet tot problemen. Voor de indianen betekende het eten van die vis een aanzienlijke aanvulling op hun eenzijdige maïsmenu.

Noem een voedingsstof uit de roofbaars die een aanzienlijke aanvulling betekende op het éénzijdige maïsmenu van de indianen.

Ecologie

5/6 De Atitlánfuut.

In 1976 vond een ramp plaats: bij een grote aardbeving moet er een barst in de bodem van het meer zijn ontstaan. Sinds die tijd zakt het water gemiddeld 30 cm per jaar. De rietvelden verdwenen doordat ze het tempo van het zakken van het water niet bij konden houden. De roofbaarzen aten de kleinere vissen op. De futen verloren hun broedgelegenheid en stierven letterlijk van de honger. De jongen van de futen die nog uit het ei kwamen werden bovendien opgegeten door de roofbaars.

Met welk begrip of met welke begrippen kunnen de relaties tussen de Atitlánfuut en de roofbaars worden aangeduid?

Ecologie

6/6 De Atitlánfuut.

Noem twee biotische factoren die medeverantwoordelijk zijn geweest voor het uitsterven van de Atitlánfuut. Zet erachter waaruit die invloed bestond.

Ecologie

1/5 PLANTEN STERVEN UIT DOOR BOSBRANDEN.
'Smog boven regenwoud Amazone veel erger dan die boven Zuidoost-Azië'
De bosbranden op de Indonesische eilanden zullen tot gevolg hebben dat planten- en insectensoorten voorgoed van de aardbodem verdwijnen.

De bosbranden in Sumatra en Kalimantan worden ieder jaar veroorzaakt door grote houtvesterijen die minder lucratieve houtsoorten in het regenwoud in brand steken. Dit jaar zijn de effecten extra hevig door de lang aanhoudende droogte, veroorzaakt door 'El Niño', een warme golfstroom die tijdelijk het klimaat beïnvloedt.
Tienduizend brandweerlieden, onder wie duizend man uit Maleisië, doen verwoede pogingen de meer dan honderd vuurhaarden te bestrijden. Tot nu toe lijken zij geen enkele vooruitgang te boeken. Geschat wordt dat er inmiddels tussen de 500.000 en 800.000 hectare bos en struikgewas in vlammen is opgegaan.
(NRC-Handelsblad, 16 september 1997).

[...] Ongetwijfeld zijn door de branden al bepaalde planten en dieren verdwenen. Sommige planten zijn endemisch, wat betekent dat ze slechts op één bepaalde plek in de wereld voorkomen. Wanneer zo'n gebied door brand wordt verwoest, verdwijnen ze voorgoed, meestal samen met een insectensoort die uitsluitend deze plant bestuift."
[...] "In Maleisië is een kentering aan de gang. De plaatselijke kranten schrijven dagelijks over nieuwe en meer milieuvriendelijke methoden van houtkap. Een van die methoden bestaat hierin dat zware helikopters omgekapte woudreuzen oppakken en wegbrengen. Een methode met een prijskaartje, maar je hoeft dan niet hele bosgebieden plat te branden om een paar bomen weg te slepen." [...]
(Brabants Dagblad, 1 oktober 1997).

[...] De bosbranden zullen tot een natuurramp van onvoorstelbare omvang leiden, meent Rizal Roy van het Maleisische Natuurgenootschap. Dieren en vogels kunnen misschien wel aan de vlammen ontsnappen, maar niet aan de smog. De bijen in Noord-Borneo verliezen door de smog hun oriëntatievermogen. Ze eten minder, produceren minder honing en verder bestuiven ze minder gewassen, zodat uiteindelijk de planteneters minder te eten zullen krijgen. Gevreesd wordt ook voor het leefgebied van de op Sumatra en Borneo levende orang-oetans.
(De Telegraaf, 27 september 1997).

Amazone
De zwarte rookwolken die oprijzen uit bosbranden in het regenwoud in het Amazonegebied zijn trouwens nog veel omvangrijker en dikker dan de dampen die het gevolg zijn van de bosbranden in Indonesië. Dit zegt het Braziliaanse Nationale Instituut voor Ruimte-onderzoek (INPE). "In het Amazonegebied stichten de boeren steeds vaker bosbranden om hun land zaaiklaar te maken. Op beelden van een Amerikaanse satelliet is volgens het INPE te zien dat vorige maand in de Amazonewouden 13.200 branden en brandjes woedden. De immense rookwolken belemmeren het zicht in het miljoenen vierkante kilometers grote gebied zodanig dat vliegvelden het grootste deel van de tijd gesloten zijn. De lucht is er nog smeriger dan in de grote industriestad Sao Paolo.
Op sommige plaatsen is de hoeveelheid zonlicht die de aarde bereikt 30 procent lager dan normaal.
(Brabants Dagblad, 1 oktober 1997).

Zie volgende scherm

Ecologie

2/5 PLANTEN STERVEN UIT DOOR BOSBRANDEN.

[...] "Die smogwolken kunnen nog wel een maand blijven hangen, misschien wel drie maanden", vreest dokter Paul Leeflang. Ze verwachten de moesson niet eerder dan medio oktober.
(De Telegraaf, 26 september 1997).

[...] De autoriteiten hebben in een brief gewaarschuwd dat de problemen nog kunnen verergeren door het uitblijven van de regens. Morgen zal in de buurt van de stad Pekanbaru op Sumatra worden geprobeerd op kunstmatige manier regenval te veroorzaken. Volgens de krant The Indonesian Times zullen daartoe twee militaire vliegtuigen gedurende dertig dagen acht maal per dag opstijgen om telkens 800 kilo van een zoutoplossing in de wolken te verspreiden. De hoop is dat de rook door de kunstmatige regen zal neerslaan. Meteorologen voorspellen dat de droogte dit jaar zal voortduren tot november.
(NRC-Handelsblad, 16 september 1997).

Zie volgende scherm

Ecologie

3/5 PLANTEN STERVEN UIT DOOR BOSBRANDEN.
Zie figuur C 174 van de bijlage.

Gesteld dat de verwachte droogte inderdaad tot november aanhoudt en de smogwolken de gevreesde drie maanden blijven hangen, zal dat onder andere van invloed zijn op de assimilatie in planten in de getroffen gebieden (Zie figuur C 174 van de bijlage.)

Teken een grafiek met op de x-as de tijd, te beginnen op 1 september en eindigend op 1 maart, waarin de vermoedelijke hoeveelheid gevormde glucose door planten wordt weergegeven (geen glucosegetallen geven).

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/5 PLANTEN STERVEN UIT DOOR BOSBRANDEN.

In de tekst worden twee effecten genoemd die de groep van de geleedpotigen treffen.

Welke effecten zijn dat?

Ecologie

5/5 PLANTEN STERVEN UIT DOOR BOSBRANDEN.

Normaal groeit een afgebrand bos in verloop van ± 10 jaar weer uit tot nieuw bos. De branden in Indonesië woeden zolang omdat het bos niet alleen bovengronds brandt maar de bodem ter plaatse vooral uit veen bestaat en zelf ook gaat branden.

Waarom zal het opgroeien van nieuw bos in Indonesië door de omstandigheden extra vertraagd kunnen worden?

Ecologie

1/2 Reducenten.
Zie figuur B 3733 van de bijlage.

Onderzoekers hebben een nieuwe bacteriesoort ontdekt: Desulfomusa hansenii (zie de afbeelding). Deze leeft in de zeebodem in een anaërobe omgeving bij de wortels van zeegras. De reducent profiteert van de organische afvalstoffen die het zeegras uitscheidt. Uit de omzetting van deze stoffen haalt de bacterie energie. Bij die omzetting worden zwavelverbindingen omgezet (vandaar het eerste deel van Desulfomusa; het tweede deel, musa, slaat op de banaanvorm van de bacterie).
De bacterie beweegt zich voort met behulp van een flagel.

Bereken aan de hand van de afbeelding de gemiddelde lengte van de flagel op 1 micrometer nauwkeurig. Noteer je berekening.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Reducenten.

Noteer uit de gegeven informatie de zin waaruit blijkt dat deze bacterie niet veel energie kan vrijmaken per hoeveelheid uit zeegras afgegeven organische stof.

Ecologie

1/2 Biologische reiniging.
Zie figuur C 14 van de bijlage.

Op een aantal plaatsen in een rivier werd op een bepaalde dag de chemische en biologische samenstelling van het water onderzocht. De resultaten van het onderzoek zijn in drie diagrammen in figuur C 14 van de bijlage weergegeven. Op plaats L bevindt zich een uitmonding van een riool in deze rivier, het lozingspunt. Langs de X-as is een traject van deze rivier afgezet voor en na de uitmonding van het riool. Langs de Y-as staat de concentratie van de desbetreffende stof of het aantal organismen per liter water aangegeven.
Naar aanleiding van deze diagrammen worden drie uitspraken gedaan:

1. De daling van de zuurstofconcentratie direct stroomafwaarts van plaats L is te verklaren doordat er veel zuurstof wordt verbruikt door bacteriën.
2. De stijging van de zuurstofconcentratie verder stroomafwaarts is onder andere te verklaren doordat algen zuurstof produceren.
3. De stijging van de nitraatconcentratie is te verklaren doordat ammonium in nitraat wordt omgezet.

Welke van deze uitspraken is of zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Biologische reiniging.
Zie figuur C 14 van de bijlage.

Zal de stijging van de ammoniumconcentratie na punt L vooral worden veroorzaakt door omzetting van eiwitten, van koolhydraten of van vetten?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 Bos.

In een bos worden bomen gekapt en verwijderd. Daardoor ontstaat een open plek. Wanneer men deze open plek vergelijkt met een dichtbegroeid deel van het bos, dan blijken er aanzienlijke verschillen te bestaan in een aantal abiotische en biotische factoren.
Bepaalde abiotische factoren variëren sterker in waarde op de open plek dan in het dichtbegroeide deel. Zo zal op een open plek de factor lichtintensiteit sterker variëren dan in het dicht begroeide deel doordat op een open plek het zonlicht minder wordt tegengehouden door de bomen.

Noem nog drie van die abiotische factoren. Geef voor elke factor aan waardoor de sterkere variatie op de open plek wordt veroorzaakt.

Ecologie

2/4 Bos.

Op de open plek waar de bomen zijn gekapt, zullen mossen een deel van de bodem bedekken en er zullen zaden ontkiemen. Kleine éénjarige plantensoorten zoals Vogelmuur en Klein springzaad zullen binnen een paar maanden op de onbegroeide plek groeien. Na verloop van tijd groeien er ook grotere plantensoorten zoals Gewoon vingerhoedskruid en Wilgenroosje. Na enkele jaren zullen deze plantensoorten verdrongen zijn door struiken en bomen. Onder de bomen en struiken groeien dan bijvoorbeeld varens en Dalkruid.
Over de beschreven veranderingen in de plantengroei op de plek waar de bomen zijn gekapt, doen twee leerlingen een bewering:

Leerling 1: "De beschreven veranderingen in de plantengroei op die plek zijn een voorbeeld van successie."
Leerling 2: "Dat er veranderingen zijn in de plantengroei op die plek is uitsluitend een gevolg van veranderingen in biotische factoren."

Van welke leerling of van welke leerlingen is de bewering juist?