Oefentoets Biologie: Ecologie - tolerantie | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 16 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

16

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

Meeltorren.
Zie figuur B 1280 van de bijlage.

Meeltorren zijn insecten die hun gehele levenscyclus kunnen doormaken in potten, met meel als enige voedselbron. In een experiment werd de overlevingskans onderzocht van larven van twee soorten meeltorren P en Q die samen in potten met meel werden gehouden. De cultures werden gehouden bij verschillende temperaturen en verschillende relatieve vochtigheden van de lucht. Als larven van soort P en soort Q in een pot meel werden samengebracht, overleefden steeds bijna alleen de larven van een soort: de ene keer van P, de andere keer van Q. In het diagram in de afbeelding is weergegeven in welk percentage van de gemengde cultures soort P overleefde en welk percentage soort Q.
Drie beweringen over de tolerantie van de soorten P en Q in een gemengde culture zijn:

1. soort P heeft bij een relatieve luchtvochtigheid van 30% een grotere tolerantie voor een temperatuur van 24°C dan soort Q,
2. soort P heeft bij een relatieve luchtvochtigheid van 70% een grotere tolerantie voor een temperatuur van 34°C dan soort Q,
3. beide soorten hebben een even grote tolerantie voor temperaturen boven 24°C, onafhankelijk van de relatieve luchtvochtigheid.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/6 Tolerantie.

Tekst:
De externe omstandigheden waaraan een dier wordt blootgesteld worden veelal weerspiegeld in omstandigheden in het dier. Bij het effect van uitwendige omstandigheden op het inwendige milieu kunnen we een tweetal extreme reacties onderscheiden: soms verandert het inwendige milieu op gelijke wijze als het uitwendige milieu (bijvoorbeeld de lichaamstemperatuur van 'koudbloedige' dieren die de buitentemperatuur volgt), in het andere uiterste geval blijft het inwendige milieu constant, ongeacht de uitwendige omstandigheden (bijvoorbeeld de lichaamstemperatuur van 'warmbloedige' dieren).
Vaak worden er echter tussenvormen gevonden: binnen bepaalde grenzen blijft de inwendige toestand constant, bij extreme uitwendige omstandigheden gaat de inwendige toestand de uitwendige veranderingen volgen. De beide uiterste reactietypen duidt men respectievelijk aan met 'conformiteit' en 'regulatie'; bij combinaties tussen deze beide uitersten spreekt men van 'beperkte regulatie'.

Zie volgende scherm

Ecologie

2/6 Tolerantie.
Zie figuur A 6 van de bijlage.

In de figuur is voor verschillende temperaturen de hoeveelheid opgeloste stoffen in het bloed van de koningsgarnaal, de gewone garnaal en de schol (y-as) bepaald bij verschillende zoutgehaltes (S = saliniteit op x-as) van het zeewater.

Geef voor elk dier aan of er sprake is van conformiteit, regulatie dan wel beperkte regulatie. Verklaar je antwoord.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/6 Tolerantie.

De plant lamsoor (veel voorkomend in de Slufter op Texel, op de Zoute Wieden op Ameland en de kwelders van Schiermonnikoog) vertoont aan de onderzijde van de bladeren witte vlekjes van zout bij de huidmondjes (adem- en transpiratie-openingen).
Zeekraal (eveneens te vinden in deze gebieden) zwelt op bij afnemend zoutgehalte van de omgeving.

Geef voor beide planten apart aan of zij aan conformatie dan wel aan regulatie doen. Verklaar je antwoord.

Ecologie

4/6 Tolerantie.
Zie figuur A 14 van de bijlage.

Optimale omstandigheden en tolerantiegrenzen voor milieufactoren blijken niet zo scherp omlijnd te zijn. Het lijkt meer aannemelijk dat voor iedere milieufactor een zekere variatie zonder gevaar kan worden verdragen.
Daarbuiten worden de omstandigheden geleidelijk slechter; daarom zou men het begrip tolerantiegrens beter kunnen vervangen door gevarenzone. Buiten de gevarenzone ontstaat een letaal gebied, de voor het dier dodelijke omstandigheden.

Zie figuur A 14 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding

De strandkrab produceert een hoeveelheid warmte die bij verschillende zoutgehalten van de omgeving een andere waarde heeft. De ononderbroken lijn geeft de totale warmteproductie van het dier aan: de gestreepte curve toont het energieverbruik ten behoeve van de regulatie van de ionenconcentraties in het bloed. In het normale saliniteitsgebied wordt de ionenconcentratie in het bloed gestabiliseerd; daarbuiten vertonen de dieren conformiteit. De waarden zijn bij een temperatuur van 20°C gemeten.

Zie volgende scherm

Ecologie

5/6 Tolerantie.
Zie figuur A 688 van de bijlage.

Teken aan de hand van de gegevens in de grafiek en de bijbehorende tekst de grafiek die het verband laat zien tussen het zoutgehalte van het water (x-as) en de zoutconcentratie in het bloed van de strandkrab (y-as). GEEN getallen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

6/6 Tolerantie.
Zie de figuren A 15, A 6 en A 687 van de bijlage.

In de figuur is de sterfte weergegeven van gewone garnalen bij verschillende temperaturen en zoutgehalten in hun omgeving. Hoge zoutgehalten kunnen goed worden doorstaan in combinatie met lage temperaturen. Lage zoutgehalten gecombineerd met lage temperaturen geven een grote sterfte. De getallen in de figuur geven de sterfte in procenten aan.

Zie figuur A 6 van de bijlage.
Zie figuur A 687 van de bijlage.


Teken in de gegeven grafiek met alleen de 0% sterftelijn van de gewone garnaal (A 687) de vermoedelijke ligging van de 0% sterftelijn van de koningsgarnaal.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Rijn-Donaukanaal.

Twee leerlingen doen over de boven beschreven situatie een uitspraak:

Jette: "De snoek zal vooral in het voordeel zijn in heldere delen van beide rivieren."
Lene: "In snelstromende delen van beide rivieren kan de snoekbaars het best prooi bemachtigen."

Wie doet of wie doen een juiste uitspraak?

Ecologie

1/2 Verzuurde meren.
Zie figuur A 1163 van de bijlage.

In Zweden heeft men veel last gehad van verzuring van meren.
In de afbeelding hiernaast staan de tolerantiegebieden ten opzichte van de pH van verschillende groepen organismen.
Normaal schommelt de pH in de Zweedse meren tussen 4,5 en 6,5.

Welke groepen raken in de problemen als de pH onder de 4,5 daalt?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Verzuurde meren.
Zie figuur A 1163 van de bijlage.

Groep 8 bestaat uit insecten die vaak door vissen worden gegeten. Groep 9 bestaat uit insectenetende vogels.

Verklaar met behulp van de afbeelding hun tolerantiegebied.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/3 Mangroven.
Zie de figuren B 5193 en B 5194 van de bijlage.

Mangroven zijn kustplanten die met hun (lucht)wortels lange tijd in zoutwater kunnen staan. Een groep studenten onderzocht het voorkomen van mangroven aan de kust van Hongkong. Dit deden ze door langs transecten (lijnen die van de zee naar en over het strand lopen) te kijken hoe de soorten over dit transect verdeeld waren. De resultaten zie je in het diagram (afbeelding 2).
In het diagram is de boomhoogte uitgezet tegen het voorkomen van de bomen in het transect. Op de tweede Y-as zie je de relatieve hoogte van het strand ten opzichte van het gemiddelde zeeniveau.

Naast de bomen in dit mangrovebos is ook gekeken naar een aantal diersoorten.
Onder de grafiek is in een balk aangegeven of de betreffende diersoort er wel voorkomt (het donkere deel, present) of dat de diersoort er niet voorkomt (witte deel, absent).

Een verschil in zouttolerantie bepaalt het voorkomen van de bomen in dit gebied in Hongkong.

Welk soort van de mangrovebomen is op basis van bovenstaande gegevens het meest zouttolerant?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

Tolerantiegebieden.
Zie figuur B 5228 van de bijlage.

In nevenstaande grafiek zijn tolerantiegebieden voor de factor zoutgehalte weergegeven van drie verschillende soorten waterorganismen, met de lijnen I, II en III.

Zet de organismen in de rechter kolom bij het juiste cijfer in de linker kolom.

afbeeldingafbeelding
  • kikker

  • paling

  • blauwe zeedistel

  • I

  • II

  • III

Ecologie

Milieufactoren.

Voor twee soorten I en II wordt de waarde van een aantal milieufactoren in een levensgemeenschap bepaald.

Voor soort I blijkt dat alle milieufactoren tussen het minimum en maximum liggen, maar geen enkele factor ligt in het optimum.
Voor soort II liggen alle factoren op één na in het optimum. Deze ene factor stijgt op een gegeven moment boven het maximum.

Voor deze twee organismen geldt dan

Ecologie

Extremofiele bacteriën.
Zie de figuren B 5241, B 5229 en B 5242 van de bijlage.

De meeste bacteriën (mesofielen) kunnen niet tegen extreme omstandigheden, maar extremofiele soorten kunnen tegen b.v. hoge zoutconcentratie, een hoge druk of een hoge temperatuur, zoals te zien in de afbeeldingen 1, 2 en 3.

Zet de groeipatronen A t/m F in de rechter kolom bij het juiste type bacterie in de linker kolom.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding
  • D

  • E

  • F

  • B

  • C

  • A

  • barofiel (bestand tegen hoge druk)

  • mesofiel

  • thermofiel (bestand tegen hoge temperatuur)

  • halofiel (bestand tegen veel zout)

  • psychrofiel (bestand tegen lage temperatuur)

  • thermofiel en halofiel tegelijk

Ecologie

3/4 Sterfte van zeebaarzen.

Welk probleem doet zich blijkbaar in de zeebaarzen voor, als de temperatuur boven de 25,0ºC komt?

Ecologie

Algen in verschillende milieus.
Zie figuur B 5281 van de bijlage.

In de grafiek hiernaast is de dichtheid van drie verschillende algen weergegeven in een rivier, een riviermonding en in zee.

Welke alg heeft de breedste tolerantie voor zout?

afbeeldingafbeelding