Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | VWO 5/VWO 6 | variant 10

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenanatomie en -fysiologie

1/5 Groei en ontwikkeling van planten.
Zie figuur A 366 van de bijlage.

Van het Zonneroosje komt een bepaald fenotype voor in het laagland en een ander fenotype hoog in de Alpen. Beide fenotypen zijn weergegeven in de afbeelding.
Het volgende experiment werd gedaan. Zaden van Zonneroosjes werden gezaaid hoog in de Alpen: daar ontwikkelde zich uit deze zaden een groep Zonneroosjes met het alpiene fenotype. Deze Zonneroosjes werden geplaatst in het laagland: daar ontwikkelde een deel van de planten zich tot het laagland-fenotype en een deel behield het alpiene fenotype. Er zijn tijdens het experiment geen mutaties opgetreden.

Waardoor behield een deel van deze Zonneroosjes in het laagland toch een alpien fenotype?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/5 Groei en ontwikkeling van planten.
Zie figuur A 366 van de bijlage.

Noem twee uiterlijke kenmerken waarin het laagland fenotype en het alpiene fenotype van elkaar verschillen.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/5 Groei en ontwikkeling van planten.
Zie figuur A 366 van de bijlage.

Noem vier abiotische factoren die deze verschillen in uiterlijke kenmerken kunnen veroorzaken.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

4/5 Groei en ontwikkeling van planten.
Zie figuur A 367 van de bijlage.

Planten groeien onder invloed van het groeihormoon auxine. Over de invloed van auxine werden enkele experimenten gedaan.
In experiment 1 werd de eindknop van een plant verwijderd. Vervolgens bleken de okselknoppen uit te lopen.
In experiment 2 werd ook de eindknop van een plant verwijderd. Vervolgens werd op de afgesneden stengel een agarblokje met auxine geplaatst. In experiment 2 bleken de okselknoppen niet uit te lopen (zie de afbeelding).

Geef met behulp van bovenstaande gegevens een verklaring voor de resultaten van de experimenten 1 en 2.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

5/5 Groei en ontwikkeling van planten.
Zie figuur A 367 van de bijlage.

Planten groeien onder invloed van het groeihormoon auxine. Over de invloed van auxine werden enkele experimenten gedaan.
In experiment 1 werd de eindknop van een plant verwijderd. Vervolgens bleken de okselknoppen uit te lopen.
In experiment 2 werd ook de eindknop van een plant verwijderd. Vervolgens werd op de afgesneden stengel een agarblokje met auxine geplaatst. In experiment 2 bleken de okselknoppen niet uit te lopen (zie de afbeelding).

In bovenstaande gegevens is geen controle voor experiment 2 beschreven.

Beschrijf een controle voor experiment 2. Voor dit controle-experiment heb je dezelfde materialen ter beschikking als in de experimenten 1 en 2.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/5 Planten.
Zie figuur B 1652 van de bijlage.

In de wortel worden water en zouten opgenomen en naar de stengel getransporteerd. Delen van de wortel zijn onder andere bastvaten, endodermis, houtvaten, opperhuid en schorsparenchym (zie de afbeelding).

Door celmembranen van welk van de genoemde delen gaan water en zouten in elk geval heen op weg van de bodem naar de houtvaten in de stengel?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/5 Planten.

Een bepaalde cel van een zaadplant wordt optimaal belicht. In de cel wordt in die situatie zuurstof verbruikt, maar geen koolstofdioxide. Alle andere omstandigheden zijn ook optimaal.

Uit welk of uit welke van de organen blad, bloem, stengel en wortel kan deze cel afkomstig zijn?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/5 Planten.
Zie figuur A 331 van de bijlage.

In het diagram is de koolstofdioxide-opname en -afgifte van een plant bij verschillende verlichtingssterkten weergegeven. Aangenomen wordt dat de intensiteit van de dissimilatie niet wordt beïnvloed door de verlichtingssterkte.

Bereken bij welke verlichtingssterkte deze plant, bij fotosynthese, 20 µmol glucose per uur produceert.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

4/5 Planten.
Zie figuur B 1653 van de bijlage.

Een boom in Nederland neemt gedurende een etmaal in de zomer een hoeveelheid water uit de bodem op. Van dit water wordt een deel verbruikt voor de stofwisseling, een deel wordt verbruikt voor de groei en een deel verdampt. Dit is in de afbeelding schematisch door pijlen weergegeven. De breedte van de pijl is een maat voor de hoeveelheid water die bij de genoemde processen is betrokken.

Welke van deze pijlen geeft de verdamping weer?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

5/5 Planten.

Gedurende hetzelfde etmaal wordt de waterstroom in de houtvaten van de boom bepaald. De boom kan steeds voldoende water opnemen en de luchtvochtigheid en de wind blijven gedurende dit etmaal constant. Tussen 6.00 uur en 10.00 uur 's ochtends neemt de snelheid van de waterstroom in de boom toe. De temperatuur en de verlichtingssterkte nemen in deze periode eveneens toe.

Is het aantal huidmondjes dat om 6.00 uur geopend is, kleiner dan, gelijk aan of groter dan het aantal dat om 10.00 uur geopend is?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Watertransport.
Zie figuur B 1680 van de bijlage.

De transportweg van water in een plant kan schematisch worden weergegeven zoals in de afbeelding. In dit schema geeft elk cijfer een deel van deze transportweg weer.

Is de endodermis van de plant in dit schema aangegeven met 2, 3 of 4?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Watertransport.
Zie figuur B 1680 van de bijlage.

Met cijfer 1 worden de bladeren aangegeven die door verdamping water afgeven.

Wordt water afgegeven door cellen van de epidermis, door cellen van het parenchym of door beide typen cellen?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Watertransport.
Zie figuur B 1680 van de bijlage.

Onder bepaalde omstandigheden verdwijnt water uit de plant bij P in de bodem.
Hierover worden drie beweringen gedaan:

1. dit wordt veroorzaakt door de capillaire werking van de houtvaten;
2. dit wordt veroorzaakt door actieve afgifte van ionen door cellen van de endodermis aan de houtvaten;
3. dit wordt veroorzaakt door verschil in concentratie van opgeloste deeltjes in de cellen van de wortelharen en die in het bodemwater.

Welke van deze beweringen is juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Een houtige plant.
Zie figuur B 1332 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch een deel van een dwarsdoorsnede van een takje van een houtige plant weer. Twee delen zijn met cijfers aangegeven.

Is het deel op plaats 1 eerder of later gevormd dan dat op plaats 2 of is dat niet te bepalen?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Een houtige plant.

Veranderingen in het milieu die invloed hebben op de opname van water door de houtige plant, zijn:

1. verhoging van de bodemtemperatuur van 5°C tot 15°C,
2. afname van de wind tot windstilte,
3. verlaging van de zuurstofconcentratie in de bodem.

Welke van deze veranderingen in het milieu doet of welke doen de opname van water door de houtige plant toenemen?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Een doorsnede van een wortel.
Zie figuur B 2370 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch een deel van een dwarsdoorsnede van een jonge wortel van een zaadplant weer.

Met welk van de cijfers 2, 3 of 4 is een bastvat aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Een doorsnede van een wortel.
Zie figuur B 2370 van de bijlage.

In celwanden kunnen onder andere cellulose, kurkstof en pectine voorkomen.

Welke van deze stoffen kunnen bij een intacte plant voorkomen in de celwanden van cellen aangegeven met 3?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Een doorsnede van een wortel.
Zie figuur B 2370 van de bijlage.

Wanneer in het voorjaar de knoppen beginnen uit te lopen, worden organische stoffen uit de wortel naar de knoppen getransporteerd.

Door welk van de delen 1, 2 of 4 vindt dit transport plaats?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Een wortel.
Zie figuur B 470 van de bijlage.

De afbeelding stelt schematisch een dwarsdoorsnede van een wortel van een jonge boom voor.
In de wortel komt een weefsel voor waarvan de cellen zich na de plasmagroei niet strekken.

Met welk cijfer is dit weefsel aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Een wortel.
Zie figuur B 470 van de bijlage.

Vindt transport van zouten door de wortel naar de stengel plaats in het deel dat is aangegeven met 1, met 2 of met 3?

afbeeldingafbeelding