Oefentoets Biologie: Uitscheiding - algemeen | HAVO 4/HAVO 5 | variant 6

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Uitscheiding

1/3 Nierstenen.
Zie figuur B 2705 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
In de nieren kunnen onder bepaalde omstandigheden opgeloste stoffen uit de urine neerslaan en uiteindelijk zogenaamde nierstenen vormen. Bij een röntgenologisch onderzoek van de nieren spuit de arts röntgencontrastvloeistof in. De röntgencontrastvloeistof is ondoorlaatbaar voor röntgenstralen.
Na toediening van de röntgencontrastvloeistof wordt deze in de nieren aan de voorurine afgegeven en geconcentreerd. Door de contrastvloeistof kunnen delen van de nieren en de afvoerwegen worden gefotografeerd (zie de afbeelding).

Zie volgende scherm

Uitscheiding

2/3 Nierstenen.
Zie figuur A 582 van de bijlage.

De nieren zelf zijn niet zichtbaar. De arts die deze foto beoordeelt, constateert bij deze patiënt nierstenen die de ingang van een urineleider afsluiten, al zijn deze nierstenen niet op de foto zichtbaar.
De foto is gemaakt met behulp van röntgenstralen die vanaf de buikzijde een fotografische plaat op de rugzijde belichten (zie de afbeelding). De foto wordt daarna opgehangen en bekeken aan de zijde waarop de röntgenstralen terecht gekomen zijn.

Op grond van de foto in de afbeelding concludeert de arts dat de patiënt nierstenen heeft.

Wijst deze foto op nierstenen in de linkernier, in de rechternier of in beide nieren?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

Excretie.

In welk van de volgende gevallen is er geen sprake van excretie?

Uitscheiding

Nefron.
Zie figuur B 5741 van de bijlage.

In nevenstaande tekening is een nefron afgebeeld.
Bij de functie van de nier kunnen we twee processen onderscheiden. Zij spelen zich in de nefronen af op de plaatsen 1 en 2.

Welk alternatief is juist?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

1/4 Nefrotisch syndroom.

Lees de tekst hieronder.

December 2008 - Kim Groenveld (16) is op het eerste gezicht een normale puber. En dat is best bijzonder, want Kim lijdt aan het nefrotisch syndroom. Het gaat heel goed met haar, maar haar ziekte is wel altijd aanwezig.

Kun je kort uitleggen wat het nefrotisch syndroom precies is?
"Een nier is eigenlijk een grote filter die bestaat uit allemaal kleine filters. Bij mij zijn sommige kleine filters beschadigd en daardoor komen er afvalstoffen in mijn bloed die er niet horen."

Op welke leeftijd ontdekte je dat je het had?
"Toen ik zeven jaar was, kreeg ik opeens allerlei klachten. Ik kreeg bijvoorbeeld een opgezet oog. De huisarts ontdekte dat ik te veel eiwit in mijn urine had, een teken dat je nieren niet goed werken. Ik moest meteen door naar het ziekenhuis. Ik kreeg medicijnen: prednison en neoral. Na drie weken mocht ik naar huis. Ik weet nog precies het moment dat mijn moeder zei: je mag naar huis, maar je moet medicijnen blijven slikken. Toen dacht ik letterlijk: ik ben dus echt ziek. Het drong toen pas goed tot me door."

Hoe ziet je toekomst eruit?
"Het gaat nu goed met me, maar mijn nier werkt maar voor 20 procent. Dat is een feit waar ik niet omheen kan. Als een nier voor 12 procent werkt moet je aan transplantatie of dialyse gaan denken. We hebben pas geleden de eerste verkennende gesprekken gevoerd over een transplantatie. Mijn vader heeft dezelfde bloedgroep als ik. Hij laat nu onderzoeken of hij mogelijk een nier aan mij kan afstaan. Als dat het geval is, zou ik over twee jaar zijn nier kunnen krijgen. Dat is natuurlijk heel heftig, ook voor mijn vader. Gelukkig kunnen we er thuis goed over praten."

Waar zie je het meest tegenop?
"Mocht ik straks een transplantatie krijgen dan moet ik weer een hoge dosis prednison slikken. Dat ik dan weer zo opgeblazen word, dat vind ik het allerergste. Gek hè? Daar ben ik veel meer mee bezig dan met de vraag of het lukt of niet. Ik hoop gewoon dat ze tegen die tijd een ander medicijn hebben gevonden. Het is misschien niet realistisch, maar ik blijf het hopen."

Zie volgende scherm

Uitscheiding

2/4 Nefrotisch syndroom.
Zie figuur B 5744 van de bijlage.

Kim zegt: "Een nier is eigenlijk een grote filter die bestaat uit allemaal kleine filters. Bij mij zijn sommige kleine filters beschadigd en daardoor komen er afvalstoffen in mijn bloed die er niet horen."

- Geef de naam van de kleine filters waar Kim het over heeft.
- Leg uit dat de conclusie in haar tweede zin niet geheel juist is.

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

3/4 Nefrotisch syndroom.

Kim zegt: "De huisarts ontdekte dat ik te veel eiwit in mijn urine had, een teken dat je nieren niet goed werken."

Leg deze uitspraak van Kim met behulp van andere informatie uit de tekst uit.

Uitscheiding

4/4 Nefrotisch syndroom.

Prednison is een ontstekingsremmer. Een van de bijwerkingen is dat prednison de zoutafgifte van de nieren remt.

Leg uit wat dat te maken heeft met Kim's opmerking dat ze van prednison zo 'opgeblazen' wordt.

Uitscheiding

Voorurine.

Vier vloeistoffen P, Q, R en S worden onderzocht op de aanwezigheid van bepaalde stoffen en witte bloedcellen. De resultaten staan in de tabel: + betekent duidelijk aanwezig, - betekent niet of nauwelijks aanwezig.

afbeeldingafbeelding

Welke van de vloeistoffen P, Q, R en S kan voorurine van de mens zijn?

De vloeistof

Uitscheiding

Organen.
Zie figuur B 1352 van de bijlage.

Welke van de stoffen suiker, keukenzout (NaCl) en ureum bevinden zich doorgaans aantoonbaar in de vloeistof in de holte van orgaan 3?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

2/2 Bloedsomloop.
Zie figuur B 1285 van de bijlage.

Op welke van de plaatsen 2, 4 en 7 is de ureumconcentratie in het bloed het laagst?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

Hepatitis-A.
Zie figuur B 3619 van de bijlage.

Tekst:
Hepatitis-A is een infectieziekte van de lever, veroorzaakt door het hepatitis-A-virus. Opvallende symptomen van hepatitis-A zijn onder andere: koorts, hoofdpijn, vermoeidheid en diarree, gevolgd door donkere urine en lichtgekleurde ontlasting. Hepatitis-A is erg besmettelijk. Het virus bevindt zich in de ontlasting. Overal waar de hygiëne en de sanitaire voorzieningen te wensen overlaten, bestaat een risico op hepatitis-A infectie. Water waarin riolen uitkomen en waarin gezwommen wordt, is niet alleen een directe infectiebron voor zwemmers, maar ook een indirecte wanneer schaal- en schelpdieren zoals garnalen, oesters en mosselen gegeten worden.
Deze dieren voeden zich onder andere met materiaal uit ontlasting. Mensen uit welvarende landen, zoals Nederland, hebben meestal geen weerstand tegen hepatitis-A. Daarom wordt iedere Nederlander die naar een risicogebied gaat en als kind geen hepatitis-A heeft gehad, geadviseerd zich te laten inenten. Voor een reiziger die een enkele keer voor korte tijd en onder goede hygiënische omstandigheden in een risicoland verblijft, kan passieve immunisatie afdoende zijn. Actieve immunisatie wordt geadviseerd aan degenen die geregeld of langdurig reizen naar risicolanden.

Leg uit waardoor als gevolg van diarree de urine donkerder van kleur kan worden.

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

A dog called Wanda.

In de 19e eeuw werd het ziektebeeld acromegalie bij de mens beschreven. Bij dit ziektebeeld hoort onder andere het vrijkomen van grote hoeveelheden groeihormoon. Groeihormoon wordt door de hypofyse gemaakt. Kaken, handen en voeten worden door de hoge concentratie groeihormoon in het bloed sterk vergroot. Een tumor in de hypofyse kan dit ziektebeeld veroorzaken.
In 1964 toonde de dierenarts Joannes Juda Groen aan dat dit ziektebeeld ook bij honden voorkomt. Hij beschreef de geschiedenis van een herdershond waarbij zich na een loopsheid diabetes (suikerziekte) had ontwikkeld. De hond had dikke poten en een kop met grote kaken.

Welke stof als gevolg van diabetes vond Groen in de urine van deze hond?

Uitscheiding

Enkele organen.

Is de ureumconcentratie van het bloed in bloedvat S lager dan, gelijk aan of hoger dan de ureumconcentratie van het bloed in bloedvat P?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

2/2 Een survivaltocht.

Behalve reservestoffen is Prosperi ook eiwitten gaan dissimileren.

Welke stof wordt daardoor in verhoogde concentratie door de nieren uitgescheiden?

Lever

Uitscheiding.

Een van de stoffen die de mens uitscheidt, is ureum. Ureum wordt gevormd bij de afbraak van bepaalde organische stoffen.

Noem het orgaan waarin de vorming van ureum plaatsvindt.
- Bij afbraak van welke groep organische stoffen wordt ureum gevormd?

Uitscheiding

Jeugddiabetes.
Zie de figuren A 839 en B 3625 van de bijlage.

In de afbeelding met het schema van de werking van een kunstnier is te zien dat de stroomrichting van de spoelvloeistof tegengesteld is aan die van het bloed (dit heet het tegenstroomprincipe).

Zie figuur B 3625 van de bijlage.

In de afbeelding wordt de afgelegde weg van de bloedstroom en de vloeistofstroom aangegeven met een lijn met pijlen. De concentratie van afvalstoffen is verticaal uitgezet.

Welke afbeelding is juist?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Uitscheiding

Hersencentra.
Zie figuur B 4688 van de bijlage.

Een Groningse arts deed onderzoek naar incontinentie. Hij ontdekte dat er in de hersenen drie centra bij het plassen zijn betrokken. Als bij een gezond persoon de blaas vol is, gaan er via het ruggenmerg impulsen naar de hersenen. In het Emotioneel Motorisch Centrum (EMC) wordt bepaald of het veilig is om te plassen. Is dat het geval, dan gaan er impulsen naar het Plascentrum (PC). Via het ruggenmerg wordt nu het plassen in gang gezet: de sluitspier van de blaas wordt ontspannen en de blaaswandspier aangespannen. Is de situatie onveilig, dan gaan er impulsen naar het Continentiecentrum (CC): de plas moet worden opgehouden. Als dat laatste centrum niet goed werkt, kan de plas niet worden opgehouden: er is sprake van incontinentie.
In de afbeelding is een model geschetst van de drie centra, EMC, PC en CC, de sluitspier, de blaaswandspier en de zintuigen in de blaas.
De genummerde pijlen geven effecten aan: een + betekent een stimulerend effect, een - een remmend effect.

Iemand plast op een ‘veilige' plek.

Geef in de goede volgorde aan:

- de nummers van de banen die dan impulsen doorgegeven van de zintuigen naar de sluitspier, en
- de nummers van de banen die impulsen doorgegeven van de zintuigen naar de blaaswandspier.

afbeeldingafbeelding