Deze oefentoets bevat 21 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
21
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
VWO 5, VWO 6
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Ademhaling
Slakkenademhaling.
Bij vele soorten landslakken vindt gaswisseling plaats door de wand van de ademholte (een soort long). Deze ademholte staat via de ademopening in verbinding met de buitenlucht. Het grootste deel van de tijd is deze ademopening gesloten.
De belangrijkste functie van dit gesloten zijn is, dat op deze wijze
Ademhaling
Waterkevers.
Bepaalde soorten waterkevers verkrijgen hun O2
uit een luchtbel die zich aan de buikzijde bevindt en door haren wordt vastgehouden. Uit proeven is gebleken dat deze kevers langer onder water actief kunnen blijven dan op grond van de voorraad O2
in de luchtbel verwacht kan worden.
Hoe is dit te verklaren?
Ademhaling
Kieuwplaatjes. Zie figuur B 2512 van de bijlage.
De schematische tekening toont een kieuwplaatje met de daarin liggende bloedvaten.
De meeste O2
zal door het bloed worden opgenomen als de waterstroom verloopt volgens de richting van pijl
afbeelding
Ademhaling
Vissenademhaling.
Vissen zijn in staat voldoende O2
uit het water op te nemen.
Hoe komt het dat in grootte vergelijkbare reptielen dit niet zouden kunnen?
Ademhaling
Ademhaling bij pinguïns.
Bij pinguïns, die in het zuidpoolgebied leven, is het volgende waar te nemen:
- de ingeademde lucht wordt in de neus verwarmd, - de ingeademde lucht wordt in de neus vochtig gemaakt, - de uitgeademde lucht wordt door het neusslijmvlies sterk afgekoeld, - de uitgeademde lucht verliest in de neus veel vocht door condensatie.
Om de gevolgen hiervan voor de pinguïns worden de volgende beweringen gedaan:
1. de pinguïn ademt weinig vocht uit, 2. het bloed in het neusslijmvlies wordt door de uitgeademde lucht verwarmd, 3. het verschil tussen de lichaamstemperatuur en de temperatuur van de uitgeademde lucht is groter dan bij de mens.
Welke beweringen zijn juist?
Ademhaling
Huidademhaling.
Salamanders hebben onder andere huidademhaling. Een groot verschil in O2
-concentratie tussen het milieu en het bloed in de huid bevordert de diffusie van O2
.
Welke van de volgende aanpassingen zorgen er voor dat een zo groot mogelijk verschil in O2
-concentratie gehandhaafd blijft?
Ademhaling
Waterspin.
Een waterspin maakt een web tussen ondergedoken waterplanten. Dit web wordt gevuld met lucht, die de spin tussen zijn haren vanaf het wateroppervlak meeneemt. De luchtbel doet dienst als O2
-voorraad voor de spin. Over deze luchtbel worden de volgende beweringen gedaan;
1. het oppervlak van de luchtbel doet dienst als diffusie-oppervlak voor de opname van O2
uit water, 2. de luchtbel wordt kleiner, 3. de O2
-verversing kan alleen verlopen in warm of in stromend water.
Welke bewering of beweringen is/zijn juist?
Ademhaling
Ademhaling bij vogels.
De ademhalingsorganen van vogels verschillen van die van zoogdieren door het bezit van luchtzakken, waarvan het volume door het maken van ventilatiebewegingen kan worden gevarieerd. In deze luchtzakken vindt geen gaswisseling plaats. Bij de inademing stroomt de lucht door enkele buizen naar de luchtzakken. Bij de uitademing wordt de lucht naar buiten geperst door een netwerk van zeer dunwandige buisjes die omsponnen zijn door haarvaten: de eigenlijke longen.
Welk gevolg heeft de aanwezigheid van luchtzakken bij vogels voor de werking van hun ademhalingsorganen, zodat de efficiëntie ervan groter is dan die van zoogdieren?
Hierdoor wordt bevorderd dat in verhouding
Ademhaling
Vissenademhaling.
In de kieuwen van een vis wordt het verschil tussen de O2
-spanning van het water en de O2
-spanning van het bloed onder andere gehandhaafd doordat
Ademhaling
Vissendelen. Zie figuur B 186 van de bijlage.
De tekeningen geven delen van een vis weer in telkens sterkere vergroting. De laatste vergroting laat onder andere haarvaten in een kieuwlamel en twee grotere bloedvaten zien.
Welke van de bloedvaten 1 en 2 zal het meest O2
-rijke bloed bevatten? Stroomt het bloed in dit bloedvat in richting P of in richting Q?
afbeelding
afbeelding
Ademhaling
Gaswisseling bij malariamuggen. Zie figuur B 1127 van de bijlage.
Bij insecten vindt gaswisseling plaats via tracheeën. Bij muggenlarven die in het water leven, staan de tracheeën via trachee-openingen die boven het water worden uitgestoken, in verbinding met de lucht. Malaria is een ziekte van de mens die wordt veroorzaakt door een parasiet. Deze parasiet wordt via bepaalde muggensoorten van mens op mens overgebracht. De larven van deze muggen leven in het water. In het kader van de malariabestrijding werd weleens zeep gespoten op het water waarin de muggenlarven leven. De muggenlarven zakken onder water en gaan dan dood doordat de tracheeën vol met water lopen. Op de diffusie van zuurstof van een trachee-opening naar de lichaamscellen hebben onder andere de volgende factoren invloed:
- de diffusie-afstand, - het zuurstofconcentratieverschil. - de diffusieconstante
Welke van deze factoren verandert of welke veranderen wanneer de tracheeën van de muggenlarven gevuld raken met water?
afbeelding
Ademhaling
Ademhaling bij dieren. Zie figuur A 53 van de bijlage.
Tekening 1 stelt een serie kieuwplaatjes van een vis voor, waarvan een gedeelte verder is uitvergroot. Tekening 2 stelt een gedeelte van een tracheeënstelsel van een insect voor.
Welke pijlen geven de richting van het zuurstoftransport aan?
afbeelding
Ademhaling
Tegenstroomprincipe. Zie figuur B 1469 van de bijlage.
De afbeelding geeft schematisch een deel van de kieuwen van een vis weer. Het bloed stroomt in de kieuwen van een vis in een richting, tegengesteld aan de stroomrichting van het water langs de kieuwen. Dankzij dit 'tegenstroomprincipe' neemt het bloed veel zuurstof uit het water op. Als het water en het bloed in dezelfde richting zouden stromen, zou het bloed minder zuurstof uit het water opnemen.
Wat zou de oorzaak daarvan zijn?
afbeelding
Ademhaling
1/3 Gassen in water.
De hoeveelheden gas die in water oplossen zijn onder meer afhankelijk van de temperatuur van het water en van de hoeveelheid opgeloste stoffen in water.
Maak met behulp van de BINAS-tabel een tabel waarin de oplosbaarheid van O2
en CO2
in normaal water (zie tabel uit BINAS) en de oplosbaarheid van O2
in zeewater in ml/l water (zie tabellen) worden weergegeven tegen de temperatuur (traject T = 0°C tot T = 30°C).
(N.B. 1 L O2
= 9/200 mol; getallen afronden op hele ml )
Ademhaling
2/3 Gassen in water. Zie figuur A 404 van de bijlage.
Teken nu de grafiek waarin het verband tussen de oplosbaarheid van O2
en CO2
in normaal water en de oplosbaarheid van O2
in zeewater wordt afgezet tegen de temperatuur van het water. Gebruik hetzelfde traject als bij de vorige vraag.
afbeelding
Ademhaling
3/3 Gassen in water.
Welke vis, een zeevis of een zoetwatervis zal de beste O2
-omstandigheden hebben volgens jouw grafiek bij T = 15°C? Leg je antwoord uit.
Ademhaling
1/2 Longvissen. Zie figuur B 1472 van de bijlage.
Bij longvissen vindt gaswisseling plaats in de kieuwen en in de long. De verhouding kieuwoppervlak : lichaamsvolume is bij longvissen kleiner dan bij andere vissen. De afbeelding geeft schematisch het bloedvatenstelsel van een longvis weer. Twee plaatsen zijn aangegeven met P en Q.
Is de pCO2
in het bloed op plaats P lager dan, gelijk aan of hoger dan die op plaats Q?
afbeelding
Ademhaling
2/2 Longvissen. Zie figuur B 1470 van de bijlage.
In de afbeelding geeft diagram 1 weer welk deel van de totale hoeveelheid uitgescheiden CO2
door de kieuwen (K) en welk deel door de longen (L) het lichaam van een longvis verlaat. Diagram 2 geeft weer welk deel van de totale hoeveelheid O2
door de kieuwen (K) en welk deel door de longen (L) wordt opgenomen. Over de gaswisseling bij een longvis worden twee beweringen gedaan:
1. door het kieuwepitheel diffundeert per tijdseenheid per cm2
minder O2
dan CO2
; 2. binding van O2
aan hemoglobine verloopt in de kieuwen sneller dan in de longen.
Welke van deze beweringen kan of welke kunnen juist zijn op grond van bovenstaande gegevens?
afbeelding
Ademhaling
Gaswisseling bij dieren.
Welk van de volgende beweringen over de gaswisselingsorganen van dieren is correct?
Ademhaling
Een poesje. Zie figuur B 4822 van de bijlage.
Een pasgeboren poesje ligt na de geboorte soms enkele ogenblikken stil, zonder te ademen. Plotseling komt de ademhaling op gang.
Wat zal van dit laatste de directe oorzaak zijn?
afbeelding
Ademhaling
Bloedgassen. Zie figuur B 282 van de bijlage.
Bij een inktvissoort S is de O2
-verzadiging van het bloed bij verschillende pO2
bepaald. De resultaten zijn in de diagrammen door de grafieken e en f weergegeven. Grafiek e geldt voor een pCO2
= 267 Pa en grafiek f voor een pCO2
= 800 Pa. (1 Pa = 7,5 x 10-3
mm Hg) Inktvissoort T leeft in een milieu met minder O2
en meer CO2
dan soort S. De dieren zijn goed aan hun milieu aangepast.
Hoe zullen de zuurstofdissociatiecurven van het bloed van inktvissoort T lopen bij pCO2
= 267 Pa en hoe bij pCO2
= 800 Pa?