Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | VWO 1/VWO 2/VWO 3 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2, VWO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Koolstofdioxideproductie.
Zie figuur B 680 van de bijlage.

De tekening stelt een doorsnede van een deel van een blad voor. De bladgroenkorrels zijn niet getekend.
Het blad bevindt zich aan een plant die in het zonlicht staat.

In welke van de aangegeven cellen ontstaat CO2 ?
En in welke O2 ?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Doorsnede blad.
Zie figuur B 681 van de bijlage.

De tekening stelt een doorsnede van een deel van een blad met bladgroen voor.

Welk gas of welke gassen verbruikt cel P in het licht?
Welk gas of welke gassen verbruikt cel Q in het licht?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Doorsnede van blad.
Zie figuur B 676 van de bijlage.

De tekening stelt een doorsnede van een deel van een blad voor. De bladgroenkorrels zijn niet getekend.

In welke van de aangegeven cellen kan fotosynthese plaatsvinden?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Groei van waterplantjes.

In twee glazen buisjes bevindt zich water met een waterplantje. De temperatuur van het water in beide buisjes wordt op 25°C gehouden. Buisje 1 staat in het donker. Buisje 2 staat in het licht.
Na enige tijd blijkt, dat het plantje in buisje 1 het meest in lengte is toegenomen.
Hier volgen twee beweringen over deze lengtegroei:

1. Voor de lengtegroei is een constante temperatuur nodig,
2. Voor de lengtegroei is licht nodig.

Welke van deze beweringen wordt (worden) door deze proef bevestigd?

Plantenfysiologie

Kiemplantjes van maïs.
Zie figuur B 1701 van de bijlage.

In de potten 1 en 2 bevinden zich vijf dagen oude kiemplantjes van maïs.
Pot 1 heeft al die tijd in het licht gestaan. Pot 2 stond steeds in het donker.

Welke van onderstaande conclusies uit dit experiment is juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Een huidmondje.
Zie figuur B 2860 van de bijlage.

In de afbeelding is tweemaal hetzelfde huidmondje van een blad getekend Via de huidmondjes worden gassen opgenomen en afgegeven. Er zijn sluitcellen en andere opperhuidcellen getekend. Het verschil tussen beide tekeningen is de opening van het huidmondje.

In welke stand zullen de huidmondjes de plant het best tegen het verlies van water beschermen?
Of heeft de stand van de huidmondjes geen invloed?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Doorsnede van blad.
Zie figuur B 1847 van de bijlage.

De tekening stelt een doorsnede voor van een deel van een blad.

Welk van de aangegeven delen speelt een rol bij het regelen van de verdamping door het blad?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kieming.

Wanneer de kiem die in een boon aanwezig is, gaat uitgroeien, verbruikt deze daarvoor energie.

Waaruit krijgt de kiem deze energie?

Plantenfysiologie

Kiemproeven.

In afgesloten schalen zijn vier proeven (1 t/m 4) met zaden gedaan.

afbeeldingafbeelding

Uit de resultaten van deze vier proeven is af te leiden, dat

Plantenfysiologie

Kieming bonenzaad.
Zie figuur B 775 van de bijlage.

In de tekeningen zijn vier stadia van de ontkieming van een zaad van een bonenplant weergegeven.
De zaadlobben in de stadia 1, 2 en 3 bevatten zetmeel.
De bladeren in de stadia 3 en 4 bevatten bladgroen.

Heeft het zaad water nodig voor de ontkieming?
En zuurstof?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kieming bonenzaad.
Zie figuur B 775 van de bijlage.

In welke stadia vindt verbranding plaats?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kieming van zaad.

Als zaden kiemen krijgen ze de energie die ze daarvoor nodig hebben uit

Plantenfysiologie

Kiemingsproeven.

Het volgende experiment wordt uitgevoerd.

We nemen 2 glazen potten (I en II). In elke pot doen we evenveel bonen die door wateropname gezwollen zijn.
Pot I zetten we op een warme plaats (25°C). Pot II zetten we op een koude plaats (10°C).
Alle bonen ontvangen evenveel licht.

Welke van onderstaande beweringen met betrekking tot dit experiment is juist?

Plantenfysiologie

Kiemingsproef.
Zie figuur B 1911 van de bijlage.

Iemand heeft twee reageerbuizen die zijn gevuld zoals in de afbeelding is aangegeven.

In welke van de weergegeven buizen zullen de zaden ontkiemen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kieming.

Om te kunnen kiemen moeten zaden opnemen:

Plantenfysiologie

Kiemende boon.

Het worteltje van een kiemende bruine boon groeit de vochtige grond in.

Uit welke stof(fen) verkrijgen de cellen van dit worteltje de energie voor deze groei?

Plantenfysiologie

Kiemingsproef.

In een met lucht gevulde, afgesloten thermosfles bevindt zich een aantal kiemende bonen.
Tijdens de kieming worden regelmatig de temperatuur en het koolstofdioxidegehalte van de lucht in de thermosfles gemeten.

Welke veranderingen treden op?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kieming.

Is voor het kiemen van zaden koolstofdioxide nodig?
En licht?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kiemingsproeven.
Zie figuur B 726 van de bijlage.

In vier opstellingen worden droge maïskorrels op natte watten gelegd (zie tekening).

In welke opstellingen zullen zich uit de maïskorrels kiemplantjes gaan ontwikkelen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Groei van bonenplanten.

Enkele factoren die een rol spelen bij de groei van bonenplanten zijn:

1. licht,
2. water,
3. zuurstof,
4. voedsel in zaadlobben.

Welke van deze factoren zijn noodzakelijk voor de kieming van bonen?