Oefentoets Biologie: Dierfysiologie | VWO 1/VWO 2/VWO 3 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2, VWO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Stofwisseling

Veranderingen bij diepe kniebuigingen.

Hieronder staan vier veranderingen die in het lichaam van de mens kunnen optreden:

1. Het aantal ademhalingsbewegingen per minuut neemt toe.
2. De warmteproductie stijgt.
3. De beenspieren ontvangen meer zuurstof.
4. Het ademhalingscentrum in de hersenen ontvangt meer signalen van de koolzuurzintuigen in de wand van bepaalde slagaders.

Welke van deze veranderingen vormen oorzaak en gevolg tijdens het maken van een aantal diepe kniebuigingen?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

Lichaamstemperatuur op verschillende plaatsen.
Zie figuur B 3164 van de bijlage.

De afbeelding geeft de temperatuur op verschillende plaatsen in het lichaam van de mens weer.

In welk orgaan is de temperatuur het hoogst?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

Verbranding bij insecten.
Zie figuur B 3322 van de bijlage.

Bij verbranding komt een deel van de energie vrij in de vorm van warmte. Om dit aan te tonen wordt in een klas een demonstratieproef gedaan. De docente zet enkele insecten in een geïsoleerde pot (zie de afbeelding). Om de proefopstelling compleet te maken, gebruikt de docente nog een pot als controle.

Wat moet de docente bij deze tweede pot weglaten?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

1/4 Kamelensoorten.
Zie figuur B 3588 van de bijlage.

Op de wereld komen verschillende soorten kamelen voor. In Afrika leven kamelen met één bult: de dromedarissen. Ze worden vaak als rijdier gebruikt, maar ook voor wol en vlees.
In Zuid-Amerika zijn kamelen zónder bult: de lama's. Ook dit zijn rijdieren en ze leveren ook wol en vlees.

In de afbeelding zijn - bij dezelfde vergroting - de koppen van een dromedaris en een lama weergegeven.
Een dromedaris heeft één bult. Een lama heeft geen bulten.

Noem nog twee verschillen in bouw tussen een dromedaris en een lama. Gebruik hierbij de afbeelding.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

2/4 Kamelensoorten.
Zie figuur B 3589 van de bijlage.

In koude streken in Midden-Azië leeft de tweebultige kameel. Opvallende kenmerken van deze soort zijn de twee bulten en de dikke vacht.

Leg uit waarvoor dit dier een dikke vacht nodig heeft.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

3/4 Kamelensoorten.

Alle kamelensoorten eten alleen maar plantaardig voedsel.

Welk type kiezen hebben kamelen?

Dierfysiologie

4/4 Kamelensoorten.

Veel mensen denken dat in de bult van kamelen water zit. Dat is niet waar.
De bult van een kameel is een opslagplaats van vet.

Waarvoor gebruikt een kameel dit vet?

Dierfysiologie

1/4 Zeehonden.
Zie figuur B 3371 van de bijlage.

Zeehonden zijn aangepast aan het leven in zee. Ze kunnen zich soepel door het water bewegen. Daarbij halen ze snelheden van wel 35 kilometer per uur. Zo jagen ze bijvoorbeeld op hun voedsel.

In de afbeelding B 3371 zijn enkele voedselrelaties weergegeven. Daar is te zien dat een zeehond onder andere haring eet.

Welke twee andere soorten voedsel eet een zeehond volgens de afbeelding?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

2/4 Zeehonden.

Doordat het bloed van een zeehond veel bloeddeeltjes bevat die zuurstof transporteren, kan het dier lang onder water blijven.

Welke bloeddeeltjes worden hier bedoeld?

Dierfysiologie

3/4 Zeehonden.
Zie figuur B 3372 van de bijlage.

In een verslag is te lezen hoeveel zeehonden in verschillende jaren in een bepaald gebied zijn geteld. Deze resultaten zijn in de grafiek van de afbeelding weergegeven.
In de jaren 70 van de vorige eeuw hadden zeehonden veel te lijden onder milieuvervuiling. Doordat bepaalde maatregelen werden genomen, verbeterde de situatie.

In welke periode bleek dat de genomen maatregelen succesvol waren?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling dieren

1/2 De eekhoorn.
Zie figuur B 4571 van de bijlage.

In een artikel staat: Eekhoorns leven in bossen. Ze hebben een korte snuit en grote ogen. Aan hun poten hebben ze stevige nagels, waarmee ze vlug in bomen kunnen klimmen. In de bomen voelen ze zich thuis. Met hun krachtige achterpoten kunnen ze enorme sprongen maken, bijvoorbeeld naar een andere boom. Als eekhoorns van boom tot boom springen, gebruiken ze hun grote staart om het evenwicht te bewaren. Eekhoorns eten eikels, beukennootjes en dergelijke. Hierbij gebruiken ze soms hun voorpoten.

De lichaamsbouw van een eekhoorn is aangepast aan het leven in bossen.

Schrijf twee van zulke aanpassingen op. Gebruik de bovenstaande informatie.

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling dieren

2/2 De eekhoorn.

Eekhoorns zijn planteneters.

Welk soort kiezen hebben eekhoorns?

Stofwisseling dieren

1/5 Olifanten.
Zie figuur B 3259 van de bijlage.

Er bestaan twee soorten olifanten: de Afrikaanse en de Indische olifant.
De Indische olifant is gemakkelijker tam te maken dan de Afrikaanse olifant. Hij wordt daarom veel gebruikt voor het vervoeren van hout en andere spullen. Circusolifanten zijn allemaal Indische olifanten.
Enkele verschillen tussen de beide soorten zijn:
afbeeldingafbeelding

In de afbeelding zijn – bij dezelfde vergroting – de koppen van een Afrikaanse en een Indische olifant weergegeven.
In de tabel staan enkele verschillen tussen de beide soorten olifanten.

Noem nog twee verschillen in bouw tussen een Afrikaanse en een Indische olifant. Gebruik hierbij de afbeelding.

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling dieren

2/5 Olifanten.
Zie figuur B 3260 en B 3259 van de bijlage.

In afbeelding zijn de botten van een poot van een olifant weergegeven.

Is deze poot van een Afrikaanse olifant of van een Indische olifant? Leg je antwoord uit met behulp van de informatie in afbeelding B 3259.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Stofwisseling dieren

3/5 Olifanten.

Alle olifantensoorten eten alleen maar plantaardig voedsel.

Welk type kiezen hebben olifanten?

Stofwisseling dieren

4/5 Olifanten.

Vooral in de oren geven bloedvaten warmte af. Door met de oren te wapperen kunnen olifanten daardoor afkoelen.

Noem nog een andere functie van de oren.

Stofwisseling dieren

5/5 Olifanten.
Zie figuur B 3261 van de bijlage.

Olifanten hebben een slurf. Dit is een vergroeiing van de neus met de bovenlip. Met een slurf kan een olifant iets vastpakken.

Is een slurf een weefsel, een orgaan of een organisme?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling dieren

Vogels.
Zie figuur B 4567 van de bijlage.

Vogels hebben geen zweetklieren. Bij warm weer zie je vogels daarom vaak stilzitten en met open snavel zeer snel ademhalen.

Waarvoor dient deze snelle manier van ademhalen bij warm weer vooral?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling dieren

1/2 De galago.
Zie figuur B 4574 van de bijlage.

Galago's zijn apen die 50 centimeter groot kunnen worden. Het zijn nachtdieren die in bomen leven. De dieren komen voor in de bossen in Afrika. Galago's eten vooral insecten en vruchten. Galago's kunnen vliegende insecten als sprinkhanen en motten uit de lucht grijpen met hun voorpoten. Soms eet een galago ook een hagedis of een vogeltje. Overdag slapen galago's in holle bomen of in zelfgebouwde nesten.

Welk type kiezen heeft een galago?

afbeeldingafbeelding