Oefentoets Biologie: Bloed - bloedgroepen | VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 29 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

29

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Bloed

Verkeerde menging.

Men heeft serum van bloedgroep A en serum van bloedgroep B. Men neemt van ieder serum een druppeltje en doet er een druppeltje bloed bij waarvan de bloedgroep niet bekend is.
Er vindt samenklontering plaats met het serum van bloedgroep A, maar niet met het serum van bloedgroep B.

Welke bloedgroep heeft het toegevoegde bloed?

Bloed

Bloedklontering.

Bij een konijn wordt om de drie dagen telkens een kleine hoeveelheid schapenbloed ingespoten. Na enkele weken wordt een druppel schapenbloed vermengd met een druppel serum van dit konijn (test 1). Ook wordt een druppel bloed van het konijn gemengd met een druppel serum van het schaap (test 2).

Zal er bij test 1 en/of test 2 klontering van rode bloedcellen optreden?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Bloedgroepantistoffen.

In het bloed van een bepaalde volwassen vrouw bevinden zich geen der antistoffen behorende bij het ABO-bloedgroepensysteem maar wel door haar zelf gemaakte antistoffen tegen het resus-antigeen.

Welke bloedgroepen heeft deze vrouw?

Bloed

Bloedtransfusie.
Zie figuur A 236 van de bijlage.

Bij bloedtransfusies wordt in het algemeen bloed gegeven van dezelfde ABO-bloedgroep als die van de patiënt.
In noodgevallen wordt soms een kleine hoeveelheid bloed gegeven van een andere bloedgroep. Bij sommige combinaties van bloedgroepen treedt echter altijd ernstige klontering op, ook wanneer een kleine hoeveelheid bloed druppelsgewijs wordt toegediend.

Zie figuur A 236 van de bijlage.

In de afbeelding zijn vier schema's getekend.

In welk van deze schema's is het optreden van ernstige klontering bij transfusies juist weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Bloedtransfusie.

Voor het geven van een bloedtransfusie is het van groot belang te weten, welke antistoffen er in het bloed van de ontvanger zitten.

De antistoffen in het bloed van een ontvanger met bloedgroep B worden aangetoond door de klontering die optreedt na het mengen van

Bloed

Resusfactor.

Als er rode bloedlichaampjes van een ongeboren kind in het bloed van de moeder terecht komen, kan in het lichaam van de moeder antistof tegen resusantigeen worden gevormd. Een bepaalde resusnegatieve vrouw met bloedgroep A is voor de eerste maal in verwachting. Haar ongeboren kind is resuspositief. Deze vrouw heeft nooit een bloedtransfusie gehad.
Bij deze vrouw treedt geen antistofvorming op, doordat rode bloedlichaampjes van haar ongeboren kind in haar bloed worden afgebroken voordat antistofvorming plaatsvindt.

Welke bloedgroep kan dit kind hebben?

Bloed

Resusfactor.

Het kan van belang zijn te weten of in het bloed van een bepaalde persoon resus-antistoffen voorkomen.

Het bloed van persoon P bevat resus-antistoffen als er klontering optreedt na het mengen van

Bloed

Bloedgroepen.

Bij het samenvoegen van bloed van verschillende bloedgroepen van ABO-systeem bestaat het risico dat de rode bloedcellen gaan samenklonteren (agglutineren). Toch kan bij een bloedtransfusie een ontvanger met bloedgroep AB een kleine hoeveelheid bloed krijgen van een donor met bloedgroep A zonder gevaar voor de ontvanger. Omgekeerd echter kan een ontvanger met bloedgroep A nooit bloed van bloedgroep AB verdragen, ook niet als de hoeveelheid gering is.
Naar aanleiding hiervan worden twee beweringen gedaan:

1. in twee gevallen wordt bloed aan iemand toegediend. De eerste persoon krijgt een kleine hoeveelheid bloed met antistoffen tegen antigenen die hij in zijn bloed heeft. De tweede persoon krijgt een even kleine hoeveelheid bloed met antigenen waartegen hij antistoffen heeft. Het gevaar voor de gezondheid is bij de tweede persoon groter dan bij de eerste persoon;
2. in geval van nood kan iemand met bloedgroep AB, zonder gevaar voor zijn gezondheid, een kleine hoeveelheid bloed krijgen van iemand met bloedgroep B of van iemand met bloedgroep 0.

Ga na of de beweringen juist zijn.

afbeeldingafbeelding

Bloed

Bloedgroepen.

Voor een onderzoek is het van belang te weten of in het bloed van een proefpersoon de anti-stof anti-A voorkomt.

Welke van de volgende methoden is geschikt om de aanwezigheid van de anti-stof anti-A vast te stellen?

Bloed

Bloedgroepen.

Bloedserum van een proefpersoon wordt gemengd met rode bloedcellen, afkomstig van zes verschillende personen. De ABO-bloedgroep en de resus-bloedgroep van deze zes personen (de donors) en de resultaten van de menging zijn weergegeven in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding
N.B. + = samenklontering
- = geen samenklontering

Kan op grond van deze resultaten met zekerheid worden vastgesteld tot welke ABO-bloedgroep deze proefpersoon behoort?
En kan met zekerheid de aan- of afwezigheid van resus-antistoffen worden vastgesteld?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Bloedtransfusie.

In geval van nood is het mogelijk iemand zonder gevaar een bloedtransfusie te geven met een kleine hoeveelheid bloed van een andere bloedgroep van het ABO-systeem dan de ontvanger van de transfusie heeft. De volgende vier transfusie-combinaties worden genoemd:

1. iemand met bloedgroep A krijgt een transfusie met bloed van bloedgroep AB;
2. iemand met bloedgroep B krijgt een transfusie met bloed van bloedgroep 0;
3. iemand met bloedgroep AB krijgt een transfusie met bloed van bloedgroep A;
4. iemand met bloedgroep O krijgt een transfusie met bloed van bloedgroep AB.

Welke van deze transfusie-combinaties zijn zonder gevaar voor de ontvanger mogelijk met een kleine hoeveelheid bloed?

choiceInteraction

1/5 Bloedgroepen.

De tekst hieronder bestaat uit fragmenten die afkomstig zijn uit het boek 'Genoom, het recept voor een mens'.

... Op chromosoom 9 ligt een heel bekend gen: het gen dat uw AB0-bloedgroep bepaalt.
Bloedgroepen speelden een rol in rechtszaken lang voor de eerste genetische vingerafdruk werd afgenomen. Soms had de politie geluk en kon men het bloed van de verdachte vergelijken met bloed dat op de plaats van de misdaad was gevonden. Met bloedgroepen kun je alleen onschuld aantonen: een negatief resultaat bewijst met zekerheid dat je de moordenaar niet bent, een positief resultaat geeft hoogstens aan dat je de moordenaar zou kunnen zijn.
... De relatie vinden tussen bloedgroepen was niet eenvoudig. Mensen met A konden veilig bloed geven aan mensen met A of AB, die met B aan mensen met B en AB, maar die met AB konden alleen bloed geven aan anderen met AB, en die met O juist weer aan iedereen.
... Aan het eind van de jaren tachtig ontdekte men dat mensen met bloedgroep O heel kwetsbaar waren voor cholera-infecties. Niet alleen zijn mensen met bloedgroep 0 heel kwetsbaar, ook A, B en AB verschillen in hun onderlinge kwetsbaarheid. Het meest resistent zijn mensen met bloedgroep AB, gevolgd door A, dan B en flink wat later O. Die weerstand van mensen met AB is zo krachtig dat ze vrijwel immuun zijn voor cholera.
... Stel je nu een populatie voor met deze drie bloedgroepen: A, B en AB. Het allel voor bloedgroep A (IA ) is beter voor cholera-resistentie dan het allel voor bloedgroep B (IB ). Mensen met bloedgroep A zullen dus meer kinderen grootbrengen dan mensen met bloedgroep B. Het allel B heeft theoretisch een grote kans om uit te sterven. Maar de beste overlevers zijn mensen met bloedgroep AB. Het is een wereld van vreemd fluctuerende vooruitzichten. De combinatie van ouders die in de ene generatie het voordeligst is, leidt in de volgende generatie gegarandeerd tot een aantal kwetsbare kinderen.

bron: M. Ridley, Genoom, Het recept voor een mens, Amsterdam/Antwerpen, 1999, 121 e.v.

Zie volgende scherm

Bloed

2/5 Bloedgroepen.

Leg uit waardoor de politie door middel van bloedgroepenonderzoek - wel kan aantonen dat iemand onschuldig is - maar niet het bewijs kan leveren dat iemand schuldig is aan het plegen van een misdaad (zie de tekst eerste alinea).

Bloed

3/5 Bloedgroepen.

In de regel wordt bij een transfusie alleen bloed gebruikt van een donor die tot dezelfde bloedgroep behoort als de acceptor. Volgens de tekst (tweede alinea) zijn de mogelijkheden iets ruimer en kan bijvoorbeeld iemand met bloedgroep O bloed geven aan iedereen.

Leg uit waardoor iemand met bloedgroep O, wat betreft de ABO-bloedgroepen, ook bloed kan geven aan iemand met bloedgroep A. Vermeld in je antwoord de antigenen en antistoffen van donor en acceptor.

Bloed

4/5 Bloedgroepen.

Over de combinatie van twee partners die de grootste kans geeft op kinderen met de hoogste resistentie voor cholera (in een populatie waarin de vier bloedgroepen van het ABO-systeem voorkomen) verschillen twee leerlingen van mening.

Leerling 1 vindt dat twee willekeurige partners die allebei bloedgroep AB hebben de grootste kans hebben op kinderen met de hoogste resistentie voor cholera.
Leerling 2 vindt dat een combinatie van iemand met bloedgroep A en een partner met bloedgroep B de grootste kans geeft op kinderen met de hoogste resistentie voor cholera.

Welke leerling heeft gelijk of is dat vanwege onvoldoende gegevens niet te bepalen?

Bloed

5/5 Bloedgroepen.

In de vierde alinea van de tekst staat dat de combinatie van ouders die in de ene generatie het voordeligst is, in de volgende generatie gegarandeerd tot een aantal kwetsbare kinderen leidt.

Verklaar dit verschijnsel voor een theoretische populatie waarin alleen de bloedgroepen A, B en AB voorkomen.

Bloed

1/2 Bloedgroepen.

Behalve de ABO- en resus-bloedgroepen komen bij de mens nog andere bloedgroepen voor. Er zijn bijvoorbeeld de Kell-bloedgroepen, die overeenkomst hebben met de resus-bloedgroepen. Kell-positieve mensen bezitten een antigeen Kell, Kell-negatieve mensen bezitten dit niet. Kell-negatieve mensen kunnen slechts eenmaal zonder problemen Kell-positief bloed ontvangen. Het gen Kell-positief (K) is dominant over het gen Kell-negatief (k). Het gen resus-positief (Rh+) is dominant over het gen resus-negatief (Rh-). De ABO-bloedgroepen worden bepaald door de genen IA , IB en i. Geen van de genoemde genen is X-chromosomaal. In onderstaande tabel zijn de bloedgroepen van een aantal mensen weergegeven. Het is niet bekend of deze mensen ooit een bloedtransfusie hebben gehad.

afbeeldingafbeelding

Twee bloeddonoren hebben bloedgroep A en zij zijn resus-negatief en Kell-positief. Ze geven samen een liter bloed voor een bloedtransfusie.

Aan welke van de personen uit de tabel hierboven kan, op grond van de gegevens uit de tabel, deze liter bloed worden gegeven zonder dat enig risico van klontering met het bloed van de ontvanger bestaat?

Bloed

2/2 Bloedgroepen.

afbeeldingafbeelding
De vrouw uit de tabel heeft drie kinderen. De jongen uit de tabel is haar oudste kind uit haar eerste huwelijk. Na de geboorte van deze jongen is zij hertrouwd met een van de mannen uit de tabel. Haar tweede en derde kind hebben direct na de geboorte een wisseltransfusie nodig gehad, omdat zij verschijnselen vertoonden van antistof-antigeenreacties. De vrouw heeft nooit antistoffen toegediend gekregen.
Er wordt van uitgegaan dat geen mutatie en crossing-over heeft plaatsgevonden.

Welke van de in de tabel genoemde mannen kan vader van zowel het tweede als van het derde kind zijn?

Bloed

Bloedgroepen.

Bij de bespreking van een practicum bloedgroepenbepaling op het ziekenhuis zeggen vier leerlingen de onderstaande resultaten te hebben verkregen (zie tabel).

afbeeldingafbeelding

+ betekent: klontering van het bloed;
- betekent: geen klontering van het bloed.

Welke leerling heeft naar aanleiding van de resultaten de juiste conclusie getrokken?

Bloed

Resusfactoren.

In welke situatie kan een tweede kind te maken krijgen met immunologische hemolyse (tijdens de zwangerschap)?

Bloed

Bloedgroepen.
Zie figuur A 1106 van de bijlage.

Lees onderstaande tekst.

"Hé, schatje, wat is je bloedgroep?'' Dit mag een tamelijk wonderlijke vraag zijn in het Westen. Maar in Japan is het een doodnormale manier om elkaar beter te leren kennen.
Van het antwoord kan veel afhangen. Veel Japanners zijn ervan overtuigd dat de bloedgroep, ofwel ketsuaki-gata, bepalend is voor iemands karakter en temperament.
Zo staat bloedgroep A voor netjes en betrouwbaar, 0 voor strijdlustig en gepassioneerd, B voor dominant en doelgericht en AB voor ondernemend en creatief.

bewerkt naar het artikel ''Hé, schatje, wat is je bloedgroep?" van Joan Veldkamp in De Volkskrant, 30-9-2008 (zie hiernaast)

Leg uit dat die koppeling tussen de bloedgroepen en het karakter van mensen niet erg voor de hand ligt, uitgaande van de biologische verklaring voor het verschil tussen A, B, AB en 0.

afbeeldingafbeelding

3Bloed

Bloedtransfusie op een onbewoond eiland.

Op een tropisch eiland heeft op dit moment 44% bloedgroep O, 25% A, 25% B en 6% AB.
Een arts en zijn zwangere vrouw die beiden geboren en getogen zijn op dit eiland maken een tochtje in hun zeilboot. Na een zware storm stranden ze met hun kapotte boot op een ander, maar onbewoond eiland. De vrouw is zwaargewond en de kans is groot dat zij door bloedverlies zal komen te overlijden.
De arts heeft gelukkig wel genoeg apparatuur in de boot voor een eventuele bloedtransfusie. Helaas heeft hij niets bij zich waarmee hij hun bloedgroepen kan bepalen. Een bloedtransfusie lijkt haar enige kans.
Hij weet niets over de AB0-bloedgroep van zijn vrouw. Hij weet wel dat eventuele AB0-antistoffen in het bloed van de donor zelden problemen geven bij een bloedtransfusie; dus daar wil hij geen rekening mee kan gaan houden.

Hoe groot is de kans dat hij zijn vrouw kan redden wanneer deze arts weet dat hij zelf bloedgroep A heeft?

Die kans is [invulveld] %.(Hele procenten invullen)

Bloed

Bloedklontering.

De hieronder genoemde personen zijn nooit zwanger geweest en hebben nog nooit een bloedtransfusie gehad.

Erytrocyten van een persoon met bloedgroep A en resuspositief, gesuspendeerd in een fysiologische oplossing, vertonen klontering met kleine hoeveelheden

(Erytrocyten = rode bloedcellen.)

Bloed

Wisselbaby’s.

Vier baby’s werden geboren in een ziekenhuis op een nacht waarin een elektrische storing optrad. In de daarop volgende verwarring zijn de identificatie-armbandjes van de baby’s verwisseld. Dankzij vergelijking van de bloedgroepen werden de baby’s aan hun echte ouders teruggegeven.

Baby 1 heeft bloedgroep B.
Baby 2 heeft bloedgroep A.
Baby 3 heeft bloedgroep O.
Baby 4 heeft bloedgroep AB.

Ouderpaar P heeft de bloedgroepen O en O.
Ouderpaar Q heeft de bloedgroepen AB en O.
Ouderpaar R heeft de bloedgroepen A en B
Ouderpaar S heeft de bloedgroepen O en B.

Zet de ouderparen in de rechter kolom bij de juiste baby links.

  • Ouderpaar S
  • Ouderpaar Q
  • Ouderpaar P
  • Ouderpaar R
  • Baby 1
  • Baby 2
  • Baby 3
  • Baby 4

Bloed

MN-bloedgroepensysteem.

In de USA heeft 29% van de blanke bevolking bloedgroep M en afgerond 21% bloedgroep N. De genen voor deze eiwitten zijn co-dominant, heterozygoten hebben dus bloedgroep MN.

Welke twee stoffen heb je nodig om op een eenvoudige manier aan de hand van een kleine hoeveelheid bloed vast te stellen welke bloedgroep van het MN-systeem je hebt?

Bloed

Afweer en resusfactor.

Een resusnegatieve moeder is zwanger van haar eerste kind, dat resuspositief is. Kort vóór de bevalling wordt deze moeder ingeënt met anti-resus.

Wat is het doel van deze inenting?

Bloed

Antistoffen en resusfactor.

In zeldzame gevallen kan HZPG ontstaan als de ABO-bloedgroep van de moeder anders is dan die van het kind dat geboren wordt.

Bij welke van de volgende combinaties van bloedgroepen is de kans op HZPG bij het kind het grootst?

Bloed

Voor en na een zwangerschap.
Zie figuur A 330 van de bijlage.

Tijdens haar zwangerschap wordt van een vrouw P de bloedgroep bepaald. In het celmembraan van haar rode bloedcellen komen antigenen B voor en geen antigenen A. Na haar bevalling heeft zij een bloedtransfusie met een halve liter bloed nodig. Eerst wordt ter controle een zogenaamde kruisproef gedaan: rode bloedcellen van de donor worden gemengd met bloedserum van vrouw P. Als er klontering van de rode bloedcellen optreedt, is het donorbloed ongeschikt voor vrouw P. Alleen de bloedgroepen van het ABO-systeem worden in beschouwing genomen.

Leg van de bloedgroepen AB en O uit of vrouw P daarmee een bloedtransfusie kan krijgen en waardoor dat al dan niet mogelijk is.

afbeeldingafbeelding