Immuniteit
2/2 Afweer.
Noem een verteringssap dat stoffen bevat die micro-organismen in voedsel doden.
Dit sap is het [invulveld]
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4
NVON
cc-by-sa-40
2/2 Afweer.
Noem een verteringssap dat stoffen bevat die micro-organismen in voedsel doden.
Dit sap is het [invulveld]
1/2 Amandelen.
Keel-, neus- en tongamandelen zijn een deel van het lymfestelsel. Door de amandelen stroomt lymfe.
Bevinden zich bloeddeeltjes in lymfe?
2/2 Amandelen.
Zie figuur A 803 van de bijlage.
De keelamandelen bevinden zich links en rechts van de huig. In de afbeelding is een doorsnede van het hoofd weergegeven.
Welke letter geeft het gebied aan waarin zich de keelamandelen bevinden?
afbeelding
1/4 Geen griepprik maar neusspray.
Griep wordt veroorzaakt door bepaalde ziekteverwekkers die griepvirussen genoemd worden.
Om griep te voorkomen kan men zich laten inenten met een zogenaamde griepprik. Veel mensen zien op tegen het krijgen van die griepprik. Daarom ontwikkelt men ook een neusspray tegen griep. De neusspray lijkt nog beter te werken dan de griepprik.
De griepprik en de neusspray bevatten delen van griepvirussen. Die delen komen bij het gebruik van de neusspray in het slijmvlies van de neus terecht. Het lichaam maakt vervolgens antistoffen tegen de griepvirussen. Komt het echte griepvirus via het neusslijmvlies het lichaam binnen, dan wordt het virus onschadelijk gemaakt door de antistoffen.
Het neusslijmvlies beschermt het lichaam tegen ziekteverwekkers.
Noem twee andere functies van het neusslijmvlies.
2/4 Griepprik.
Door de aanwezigheid van griepantistoffen kan je lichaam sneller op een infectie van een griepvirus reageren.
Je wordt niet ziek of de ziekte duurt korter. Dat lijkt gunstig voor iedereen. Toch krijgt niet iedereen het advies om zich tegen griep te laten inenten.
De meeste ouderen krijgen dit advies wel.
Twee beweringen over dit advies zijn:
1. Ouderen krijgen dit advies omdat ze geen antistoffen tegen griepvirussen kunnen vormen.
2. Ouderen krijgen dit advies omdat ze een verminderde afweer hebben tegen griepvirussen.
Welke van deze beweringen is of welke van deze beweringen zijn juist?
3/4 Geen griepprik maar neusspray.
De griepprik en de neusspray bevatten delen van griepvirussen.
Leg uit waarom er geen complete griepvirussen in de griepprik en de neusspray mogen voorkomen.
4/4 Geen griepprik maar neusspray.
Het lichaam maakt antistoffen.
Zijn antistoffen eiwitten, koolhydraten of vetten?
1/2 Wespensteek.
Als je door een wesp gestoken wordt, doet dat even pijn. De huid wordt dan rood en zwelt wat op. Dit wordt veroorzaakt door het gif dat de wesp in de huid brengt.
Na de wespensteek gaat het lichaam ook antistoffen maken.
Hoe heten de bloeddeeltjes die antistoffen maken?
2/2 Wespensteek.
Sommige mensen zijn zeer gevoelig voor het gif. Na een wespensteek kan dan een zeer ernstige reactie optreden, de zogenaamde anafylactische shock. Hierbij daalt de bloeddruk sterk. Door de verlaagde bloeddruk stroomt er onder andere minder bloed door de haarvaten van de hersenen en kan de patiënt bewusteloos raken.
Leg uit waardoor iemand bewusteloos kan raken als er plotseling minder bloed naar de hersenen wordt gevoerd.
Bescherming tegen infecties.
De mens wordt beschermd tegen infecties door
Bescherming.
Enkele organen van het lichaam van de mens beschermen onder andere tegen:
1. uitdroging,
2. infecties,
3. temperatuurverandering.
Tegen welke van bovenstaande processen beschermt de huid en tegen welk(e) beschermen de lymfeknopen (lymfeklieren) het lichaam van de mens?
afbeelding
1/4 Pneumokokken.
Pneumokokken zijn eencellige ziekteverwekkers die bij veel mensen in de slijmvliezen van neus- en keelholte voorkomen. Meestal veroorzaken ze geen ziekteverschijnselen, maar soms hebben ze ernstige ziekten tot gevolg zoals hersenvliesontsteking of longontsteking.
Pneumokokken hebben wel een celwand, maar geen celkern.
Tot welke groep behoren deze organismen?
2/4 Pneumokokken.
Zie figuur A 1025 van de bijlage.
Sinds 1999 worden kinderen in de Verenigde Staten ingeënt tegen zeven typen pneumokokken. Om na te gaan of deze vaccinaties goed beschermen, zijn gegevens verzameld over het aantal ziektegevallen bij kinderen jonger dan vijf jaar (zie het diagram A 1025).
Hoeveel procent was het aantal ziektegevallen in 2003 minder dan in 1999? Leg je antwoord uit met een berekening.
afbeelding
3/4 Pneumokokken.
In 2006 is ook in Nederland begonnen met het inenten van kinderen tegen pneumokokken. Hiervoor wordt hetzelfde vaccin gebruikt als in de Verenigde Staten. In dit vaccin bevinden zich delen van de zeven typen pneumokokken waartegen het beschermt. Deze delen verschillen onderling in de stoffen waaruit ze zijn opgebouwd.
Bevat dit pneumokokkenvaccin antigenen?
4/4 Pneumokokken.
In de Verenigde Staten worden alleen jonge kinderen ingeënt.
Toch blijkt het aantal gevallen van pneumokokkenziekten onder mensen boven de vijftig jaar sinds 1999 afgenomen te zijn met ongeveer 25 procent.
Leg uit waardoor inenting van kinderen tot gevolg kan hebben dat minder ouderen die ziekten oplopen.
1/2 Rodehond.
Rodehond is een zeer besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door het zogenaamde rubellavirus. Het virus wordt door speeksel- en slijmdruppeltjes overgedragen. De verschijnselen lijken op griep en meestal is er ook een uitslag van rode vlekjes op de huid.
Sinds 1987 worden kinderen in Nederland tegen rodehond ingeënt als ze veertien maanden oud zijn, tegelijk met de inenting tegen bof en mazelen.
Deze gecombineerde inenting wordt de BMR-vaccinatie genoemd.
De BMR-vaccinatie wordt op negenjarige leeftijd herhaald. Door inenting ontstaat levenslange immuniteit.
Hoeveel verschillende soorten antigenen bevat een BMR-vaccin minimaal?
2/2 Rodehond.
Zie figuur C 405 van de bijlage.
Sinds de invoering van de inenting tegen rodehond komt de ziekte haast niet meer voor in Nederland. Eind 2004 traden er toch weer meerdere gevallen van de ziekte op. Tussen 1 september 2004 en 13 september 2005 werden 387 gevallen gemeld.
In de afbeelding C 405 is de verdeling van deze gevallen over Nederland weergegeven. Daarnaast is weergegeven hoeveel procent van de inwoners in verschillende gebieden was ingeënt met een BMR-vaccin.
In de afbeelding C 405 is te zien dat onder andere in het midden van het land veel gevallen van rodehond voorkwamen.
Geef met behulp van de rechter afbeelding een mogelijke verklaring voor het uitbreken van de ziekte in dit deel van het land.
afbeelding
Beroepsziekten.
Werknemers in de gezondheidszorg worden ingeënt tegen hepatitis B.
Welke reactie treedt op in het lichaam als gevolg van zo'n inenting?
Beroepsziekten.
Zie figuur B 2969 van de bijlage.
Martin heeft in de vakantie op een boerderij gewerkt. Hij voelt zich al weken niet lekker. De huisarts laat onderzoeken of zich in zijn bloed leptospirosen bevinden. In het laboratorium worden twee druppels bloed op een glaasje gelegd: druppel P en druppel Q. Aan beide bloeddruppels wordt wat vloeistof toegevoegd: aan druppel P vloeistof met antistoffen tegen melkerskoorts en aan druppel Q vloeistof met antistoffen tegen modderkoorts (zie de afbeelding).
Naar aanleiding van de uitslag van dit bloedonderzoek wordt vastgesteld dat Martin besmet is met melkerskoorts.
In welke druppel hebben de antistoffen een reactie veroorzaakt?
afbeelding