Terugkruising en Genotypebepaling
1/3 Terugkruising.
Wat wordt bij een terugkruising bepaald?
Deze digitale toets over genetica richt zich op leerlingen in het voortgezet onderwijs en behandelt onderwerpen zoals terugkruising, genotypebepaling en erfelijkheid bij verschillende organismen, waaronder runderen, cavia's en kippen. Test je kennis met uitdagende vragen over genetische variatie, fenotypes en de overerving van eigenschappen. - 20 vragen
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
1/3 Terugkruising.
Wat wordt bij een terugkruising bepaald?
2/3 Terugkruising.
Welke soort eigenschap moet het organisme hebben, waarmee wordt teruggekruist?
Dit moet een [invulveld] eigenschap zijn.
3/3 Terugkruising.
Welke soort eigenschap moet het organisme hebben, dat wordt teruggekruist?
Dit moet een [invulveld] eigenschap zijn.
1/2 Melkvet.
Bij runderen komt het vetgehalte van de melk onder andere tot stand door drie onafhankelijk overervende genenparen, P1
en P2
, Q1
en Q2
en R1
en R2
. Het vetgehalte is hoger naarmate er meer genen van type1 aanwezig zijn.
Een bepaalde koe geeft melk met een gemiddeld vetgehalte; deze koe heeft het genotype: P1
P2
Q1
Q2
R1
R2
.
Hoeveel verschillende eicellen met betrekking tot deze drie genen samen kunnen maximaal door deze koe worden gevormd?
2/2 Melkvet.
De koe met genotype P1
P2
Q1
Q2
R1
R2
wordt geïnsemineerd met sperma van een stier met hetzelfde genotype.
De koe krijgt een kalf dat als volwassen dier melk geeft met een vetgehalte dat hoger is dan dat van de melk van haar moeder.
Hoeveel genen van het type1 heeft de stier minimaal aan het kalf doorgegeven?
1/2 Dresie en Casie.
Zie figuur B 3746 van de bijlage.
De afbeelding is een foto van Dresie en Casie uit West-Transvaal, Zuid-Afrika: een blanke eeneiige tweeling.
Over deze tweeling worden twee beweringen gedaan:
1. Het verschil in bouw van de oren bij Dresie en Casie bestond al bij de geboorte en berust dus op een verschil in genotype.
2. Deze tweeling heeft zeker dezelfde bloedgroep.
Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?
afbeelding
2/2 Dresie en Casie.
In hun woongebied, West-Transvaal, is het aantal zonuren per jaar hoog, waardoor daar veel UV-straling de aarde bereikt. Beide blanke mannen lopen daarbij meer gezondheidsrisico dan hun zwarte landgenoten.
Welk risico lopen ze en leg uit waardoor dit risico groter is voor de beide blanke mannen dan voor hun zwarte landgenoten.
Definities.
Geef de definitie van de volgende begrippen:
1. allel
2. DNA
3. polyhybride kruising
4. X-chromosomaal
5. gen
6. heterozygoot
7. intermediair
8. genotype
9. genlocus
10. terugkruising
11. recessief
12. gameet
Fenotype.
Wat is een fenotype en waardoor wordt het bepaald?
Definities.
Geef de definitie van de volgende begrippen:
1. allel,
2. DNA,
3. gameet,
4. recessief,
5. gen,
6. heterozygoot,
7. intermediair,
8. genotype,
9. genlocus,
10. zaadvast,
Definities.
Geef de definitie van de volgende begrippen:
1. allel;
2. gen;
3. genlocus;
4. zaadvast;
5. gameet.
1/4 Kippen kruisen.
Gegeven een kruising van homozygote kippen:
- wit x zwart.
In de F2 komen 3 fenotypen voor:
49 zwart-wit gespikkelde,
27 zwarte en
24 witte dieren.
Welk gegeven is overbodig?
2/4 Kippen kruisen.
Hoe erft de kleur over?
3/4 Kippen kruisen.
Wat is het fenotype en wat het genotype van de F1 ?
4/4 Kippen kruisen.
Wat zijn de genotypen van de F2 -dieren?
Nachtschones kruisen.
Variëteiten van de plantensoort Nachtschone worden gekruist:
- witte bloemen x rode bloemen.
Na zelfbestuiving van de F1 ontstaat een F2 met:
83 rode,
164 roze en
78 witte bloemen.
Geef een verklaring voor deze getallen.
Cavia's kruisen.
Gegeven de kruising van cavia's:
- bruingeel x wit.
De F1 hieruit wordt lichtgeel.
Hoe ziet de F2 eruit na onderlinge kruising van de F1 -dieren? Verklaar.
Controlekruising.
Men heeft een zwarte cavia. Men wil weten of dit dier homozygoot dan wel heterozygoot is.
Bedenk een kruising waarmee dit probleem is op te lossen. Schrijf de kruisingsschema's op.
Jongen of meisje?
In een gezin zijn er al zes jongens.
Hoe groot is de kans dat het volgende kind een meisje is?
Die kans is
%.
Selectie.
Selectie in een kloon of zuivere lijn heeft geen zin, omdat de individuen hiervan