Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 1

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

5/7 Fytotelmata.

De kaardebol wordt ook bezocht door aanvliegende insecten.

Welke functie kunnen die insecten hebben voor de kaardebol?

Plantenfysiologie

6/7 Fytotelmata.

In fytotelmata kunnen ook jonge kreeften leven. De pH van het water van de fytotelmata is laag. Kreeftenmoeders brengen lege slakkenhuizen naar de fytotelmata. De kalk van de slakkenhuizen lost op, waardoor de pH van het water stijgt.

Noem een oorzaak van de lage pH van het water in de fytotelmata.

Plantenfysiologie

7/7 Fytotelmata.

Als de pH laag is, worden veel slakkenhuizen aangesleept. De kreeftenmoeders stoppen met het aanslepen als de pH 7 wordt.

Hoe wordt het gedrag van de moeders gestuurd?

Plantenfysiologie

Huidmondjes.

Waardoor gaan huidmondjes dicht?

Plantenfysiologie

Een bebladerde tak.
Zie figuur B 5788 van de bijlage.

Joey blaast langs een bebladerde tak, in de proefopstelling zoals hiernaast aangegeven, gedurende 5 minuten lucht van 15ºC en met een relatieve vochtigheid van 60%.
De proefopstelling staat in het licht.

Wat gebeurt er met het luchtbelletje dat zich in het capillair in de nulstand bevindt?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Het witte goud.
Zie figuur B 3807 van de bijlage.

Mei en juni zijn de maanden van de asperge. Vooral op de zandgronden in het noorden van Limburg worden grote hoeveelheden gekweekt. De aspergeplant behoort tot de leliefamilie. Het is een meerjarige plant met een wortelstok waaraan wortels en knoppen zitten. In het voorjaar lopen de knoppen uit om stengels te vormen: asperges.
Voordat deze witte stengels boven de grond komen worden ze geoogst. De asperge wordt met de hand uitgegraven en net boven de wortelstok doorgestoken. Er wordt geoogst tot 24 juni (feestdag van Sint Jan). Na deze datum mogen de asperges doorgroeien en worden de tot dan kale bedden snel groen.
De reden dat er na 24 juni niet meer wordt geoogst, is dat de oogst anders het volgende jaar veel slechter is.

Hoe komt het dat in het volgende jaar de oogst dan slechter is?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Zoutplanten.

Sommige soorten zoutplanten hebben een dichte beharing op de bladeren. In deze haren worden ook zouten opgeslagen.

Welke functie kan deze beharing nog meer hebben?

Plantenanatomie

Smeermiddelen uit planten.
Zie figuur A 289 van de bijlage.

In een landelijk ochtendblad stond een bericht over het gebruik van plantaardige olie als smeermiddel. Enkele delen uit dit bericht zijn weergegeven in de afbeelding.

Welk deel van planten levert per volume-eenheid de meeste olie en zal in verband daarmee worden gebruikt voor de oliewinning?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Groene daken.

Tekst:
De laatste jaren is er een toenemende tendens om platte daken te voorzien van vegetatie. De vegetatie mag niet te diep wortelen en moet makkelijk te onderhouden zijn. In 1995 werd er in ons land op zo'n zeven hectare dak vegetatie aangebracht; in Duitsland zelfs op negenhonderd hectare.
In een aaneengesloten dakvegetatie ontwikkelt zich een speciale levensgemeenschap van onder andere muurpeper (een vetplant), mossen en kleine dieren.

bron: Natuur en Techniek, 4 april 1996

Zie figuur B 2899 van de bijlage.

In de afbeelding is de gemiddelde temperatuurschommeling in de loop van een aantal zomer- en winterdagen te zien op een kaal plat dak en op een plat dak met vegetatie (in Oostenrijk).

Leg uit waardoor begroeiing ertoe bijdraagt dat de temperatuur op een plat dak met vegetatie in de zomer veel minder hoog oploopt dan op een kaal plat dak.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Rafflesia arnoldii.
Zie figuur B 448 van de bijlage.

Voor zover bekend is Rafflesia arnoldii de plantensoort met de grootste bloemen ter wereld. De plant bestaat uit kleine, dunne draden in de wortels van een gastheerplant. Op de wortels van de gastheerplant vormt Rafflesia jaarlijks één bloemknop. Na het uitkomen bloeit de bloem slechts één dag. De rode bloem heeft een diameter van ongeveer 1 meter en verspreidt een doordringende geur van rottend vlees. In een bloem worden òf stuifmeelkorrels òf eicellen gevormd.

Voor de groei van de bloemknop heeft een Rafflesia onder andere water nodig.

Op welke wijze kan de plant water verkrijgen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Grazen onder de grond.

Het is druk onder de grond. Onder een vierkante meter grasland leven alleen al miljoenen minuscule aaltjes. Sommige aaltjes leven van bodembacteriën, anderen zuigen aan plantenwortels en er bestaan ook 'roofaaltjes' die andere aaltjes eten, of zich te goed doen aan keverlarven of andere kleine bodembeestjes. Naast aaltjes en keverlarven leven er talloze soorten mijten en roofmijten, springstaarten, ritnaalden en andere diertjes in een ingewikkeld ondergronds voedselweb.
Samen vreten de ondergrondse grazers enorme hoeveelheden biomassa, misschien wel de helft van de primaire productie van de planten. Maar uit een onderzoek van ir. Gerlinde De Deyn blijkt, dat de bodemfauna ook een sleutelrol speelt in de ontwikkeling van de plantengroei.

Wat zuigen de aaltjes uit de plantenwortels op?

Plantenfysiologie

1/2 Een bekerplant.
Zie figuur B 461 van de bijlage.

Een bepaalde bekerplant vangt insecten in bekervormige bladeren.
De wandcellen van de beker produceren een vloeistof met enzymen. De gevangen insecten worden verteerd door deze enzymen en door rottingsbacteriën, die in de vloeistof van de beker leven. De produkten van deze vertering worden door de plant en door de rottingsbacteriën opgenomen. De bekerplant en de rottingsbacteriën hebben beide voordeel van dit samenlevingsverband. Door deze voedingswijze kunnen bekerplanten leven op een bodem die weinig van een bepaalde stof bevat. Deze stof wordt door de meeste planten met de wortels uit de bodem opgenomen.

Zullen door de bekerplant uit de bekers vooral moleculen aminozuur, moleculen chitine of moleculen eiwit worden opgenomen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

2/2 Een bekerplant.

Welke stof wordt bedoeld in de laatste twee zinnen van de inleiding?

Plantenfysiologie

1/2 Meeldauw.
Zie figuur B 6819 van de bijlage.

Meeldauw is een verzamelnaam voor een groep schimmels die op planten parasiteert. Er wordt onderscheid gemaakt tussen valse meeldauw en echte meeldauw. Beide typen kunnen op bladeren van de druif voorkomen.
Tot de valse meeldauw behoren soorten die met myceliumdraden de plant via de huidmondjes binnendringen en zich tussen de cellen uitbreiden. Voor de voortplanting en verspreiding vormen ze sporenkapsels, die via de huidmondjes naar buiten steken.
De meeste echte meeldauwsoorten dringen met myceliumdraden op verschillende plaatsen alleen de opperhuid van een plant binnen. Daar onttrekken ze stoffen aan de cellen.

Kunnen de beschreven echte meeldauwsoorten alleen maar voorkomen op de bovenkant, alleen maar op de onderkant of op beide kanten van een druivenblad?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

2/2 Meeldauw.

Waar dringt valse meeldauw een druivenblad vooral binnen?

Plantenfysiologie

De Kardinaalsmuts.
Zie figuur B 2710 van de bijlage.

In de vaatbundels bestaat een sapstroom met water en vooral voedingszouten en een sapstroom met water en vooral organische stoffen. In de afbeelding is een doorsnede van een blad schematisch weergegeven. In de vaatbundel zijn twee delen met vaten aangegeven.

Welke van de getekende vaten 1 en 2 worden door de luizen aangeboord? Verklaar je antwoord.

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Sapspechten.

De spechten hakken de gaten tot in het hout. In een bepaald seizoen blijken uit het hout van de bladverliezende loofbomen organische voedingsstoffen te stromen die via de houtvaten omhoog worden vervoerd.

In welk seizoen is dit het geval?