Oefentoets Biologie: Ecologie - populaties | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 57 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

57

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

Populaties.

Men wil van een populatie van een bepaalde diersoort het aantal individuen schatten. Men vangt 200 exemplaren en merkt deze. Daarna worden ze vrijgelaten. Na een tijdje worden weer 200 dieren gevangen. Hiervan zijn er 40 gemerkt. Op grond hiervan kan worden berekend dat de populatie uit ongeveer 1000 individuen bestaat. Bij deze berekening wordt ervan uitgegaan dat het voor de vangkans niet uitmaakt of een dier al eerder is gevangen of niet. In werkelijkheid laten dieren van deze soort die al een keer eerder zijn gevangen, zich niet meer zo gemakkelijk opnieuw vangen.

Wat betekent dit voor het werkelijke aantal dieren waaruit deze populatie bestaat?

Ecologie

Een populatie?

Welke van de volgende groepen organismen is een voorbeeld van een populatie?

Ecologie

Een populatie Groene kikkers.
Zie figuur A 293 van de bijlage.

Een populatie Groene kikkers bevindt zich het grootste deel van het jaar in een bepaald bos. In de voortplantingstijd trekken deze in zeer korte tijd massaal naar een ven ten zuiden van dit bos. Een onderzoeker wil weten uit hoeveel dieren deze populatie Groene kikkers bestaat.
Hiervoor heeft hij de beschikking over een installatie om de kikkers te vangen. Deze installatie bestaat uit een barrière met emmers die worden ingegraven in de grond.

Zie figuur A 293 van de bijlage.

De onderzoeker plaatst de installatie tussen het bos en het ven voordat de kikkers van het bos naar het ven gaan trekken. De kikkers die proberen over te steken, vallen in de vangemmers.
In een dag vangt de onderzoeker zo 100 Groene kikkers. Hij merkt ze en zet ze terug in het bos. De volgende dag vangt hij op dezelfde manier opnieuw 100 Groene kikkers. Daarvan blijken er 8 te zijn gemerkt.

Bereken met behulp van deze vangstgegevens het totale aantal Groene kikkers waaruit de populatie bij benadering zal bestaan.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/5 Demoproject Patrijs.

Tussen 1992 en 1996 is een project gestart, waarbij akkerbouwers werd gevraagd om met milieuvriendelijke maatregelen de natuurkwaliteit van het akkerland te verbeteren. De patrijs is bij dit project als doelsoort gekozen omdat het een karakteristieke akkervogel is. Tijdens het project werden de akkerranden niet gebruikt voor de akkerbouw, maar zaaiden de boeren daar gras in of lieten ze de spontaan opkomende onkruiden tot ontwikkeling komen. De boeren maaiden deze akkerranden hoogstens één keer per jaar. Om vast te stellen of het project inderdaad een gunstige invloed had op de patrijzenstand, werden jaarlijks patrijzen in voor- en najaar geteld. Dit gebeurde zowel in de projectvelden als in een aantal controlevelden, waar de randen wèl voor de akkerbouw werden gebruikt. In tabel 1 en 2 staan de patrijzenvoorjaarsstand en de patrijzenherfststand gedurende een aantal jaren.

Tabel 1 Totaal aantal patrijzen in project- en controlevelden.
Voorjaarsstand (Projectperiode gearceerd)
afbeeldingafbeelding

Tabel 2 Totaal aantal patrijzen in project- en controlevelden.
Najaarsstand (Projectperiode gearceerd)
afbeeldingafbeelding

Zie volgende scherm

Ecologie

2/5 Demoproject Patrijs.

Uit de resultaten van beide tabellen is het broedsucces berekend. Dit broedsucces werd in dit project berekend door het aantal patrijzen in het najaar te delen door het aantal in het voorjaar. Dit getal is een maat voor het broedsucces.

Bereken het broedsucces voor de jaren 1993 tot en met 1996 van de patrijspopulaties in zowel de projectvelden als de controlevelden in één decimaal nauwkeurig. Zet je uitkomsten in de vakken hieronder.

afbeeldingafbeelding

A: [invulveld]
B: [invulveld]
C: [invulveld]
D: [invulveld]
E: [invulveld]
F: [invulveld]
G: [invulveld]
H: [invulveld]

Ecologie

3/5 Demoproject Patrijs.
Zie figuur A 835 van de bijlage.

Teken op de uitwerkbijlage in één staafdiagram de broedsuccessen (uit de vorige vraag) voor de jaren 1993 tot en met 1996 van de patrijspopulaties in zowel de projectvelden als de controlevelden.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/5 Demoproject Patrijs.

Welke conclusie is te trekken uit de gevonden resultaten?

Ecologie

5/5 Demoproject Patrijs.

Afname van het aantal patrijzen tussen najaar en het voorjaar van het volgende jaar kan door een aantal factoren veroorzaakt worden. Naast natuurlijke sterfte heeft een aantal factoren invloed op de omvang van de populatie:

1. immigratie;
2. emigratie;
3. besmettelijke ziekten;
4. jacht door de mens.

Welke van deze factoren kunnen afname tussen najaar en voorjaar veroorzaken?

Ecologie

1/2 Een populatie geiten.
Zie de figuren B 1366 en B 1367 van de bijlage.

Op een eiland wordt een kleine kudde geiten losgelaten. Tot op dat moment bevonden zich geen geiten op het eiland. De populatie geiten groeit een aantal jaren tot een evenwicht wordt bereikt. In het diagram van de afbeelding is de verandering in de grootte van de populatie geiten op het eiland weergegeven.
In twee niet achtereenvolgende jaren P en Q wordt de leeftijdsopbouw van de populatie geiten onderzocht.

Zie figuur B 1367 van de bijlage.

De resultaten daarvan zijn in de vorm van staafdiagrammen in de afbeelding B 1367 weergegeven. In deze diagrammen geeft de breedte van elke horizontale staaf het percentage dieren in een bepaalde leeftijdsklasse aan.

Welk diagram geeft de situatie op tijdstip P weer? Geef een verklaring voor je antwoord.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Een populatie geiten.

Vanaf een gegeven moment neemt het aantal geiten niet meer toe. Het geboortecijfer en het sterftecijfer houden elkaar daarna ongeveer in evenwicht.

Noem twee mogelijke oorzaken voor het feit dat de grootte van de populatie niet meer toeneemt.

Ecologie

1/6 Grazen onder de grond.

Het is druk onder de grond. Onder een vierkante meter grasland leven alleen al miljoenen minuscule aaltjes. Sommige aaltjes leven van bodembacteriën, anderen zuigen aan plantenwortels en er bestaan ook 'roofaaltjes' die andere aaltjes eten, of zich te goed doen aan keverlarven of andere kleine bodembeestjes. Naast aaltjes en keverlarven leven er talloze soorten mijten en roofmijten, springstaarten, ritnaalden en andere diertjes in een ingewikkeld ondergronds voedselweb.
Samen vreten de ondergrondse grazers enorme hoeveelheden biomassa, misschien wel de helft van de primaire productie van de planten. Maar uit een onderzoek van ir. Gerlinde De Deyn blijkt, dat de bodemfauna ook een sleutelrol speelt in de ontwikkeling van de plantengroei.

Wat zuigen de aaltjes uit de plantenwortels op?

Ecologie

2/6 Grazen onder de grond.

Onder primaire productie verstaan we de totale massa aan alle organische stoffen die door producenten gemaakt wordt. Deze organische stoffen maakt de plant via een aantal processen.

Wat is de naam van het eerste proces?

Ecologie

3/6 Grazen onder de grond.

Bij het onderzoek van De Deyn is voor het eerst de koppeling gelegd tussen de diversiteit in soorten van de bodemdiertjes en het verschijnen en verdwijnen van opeenvolgende plantensoorten in de natuur.
Een gezonde bodemfauna versnelt de opeenvolging in de vegetatie. De bodemdieren vreten heel selectief bepaalde grassen aan, waardoor andere, zeldzamere planten meer kans krijgen.

Hoe noemt men dit verdwijnen en verschijnen van opeenvolgende soorten?
Dit noemt men [invulveld]

Ecologie

5/6 Grazen onder de grond.

Welke is in voorgaand experiment de onafhankelijke variabele?

Ecologie

6/6 Grazen onder de grond.

In welke pot zullen de grasklokjes na toevoeging van het bodemmonster het beste groeien, als het vermoeden van De Deyn juist is? Of zal er geen duidelijk verschil optreden?

Ecologie

1/3 Kabeljauw.
Zie figuur B 3810 van de bijlage.

In de noordwestelijke Atlantische Oceaan, op het continentale plat van Canada en de Verenigde Staten, stortte de kabeljauwpopulatie begin jaren negentig volledig in. De Canadese overheid besloot daarom de vangst geheel te verbieden.
De kabeljauw leeft daar van lodde, een visje dat zich voedt met plantaardig en dierlijk plankton.

Tot welke twee schakels in de genoemde voedselketen kan de kabeljauw gerekend worden?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Kabeljauw.
Zie de figuren B 3810 en B 3811 van de bijlage.

Zelfs na tien jaar heeft dit vangstverbod nog niet geholpen. Ondanks het feit dat de dichtheid van de loddepopulatie in de noordwestelijke Atlantische Oceaan weer flink is toegenomen is de kabeljauwpopulatie toch niet in staat zich te herstellen.
Volgens André de Roos, hoogleraar te Amsterdam, komt dit toch door een tekort aan voedsel voor de kabeljauw. Hij bekeek de voedselketen waarvan kabeljauw en lodde deel uitmaken op een andere wijze. In het traditionele model van een voedselketen wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende afmetingen van de vissen in de loddepopulatie (zie de afbeelding B 3810). In het nieuwe model gebeurt dat wel (zie de afbeelding B 3811). Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen kleine, middelgrote en grote lodde. De kabeljauw eet alleen kleine lodde. Als er weinig kabeljauw is, kunnen veel loddes doorgroeien tot middelgroot formaat. De per lodde beschikbare hoeveelheid voedsel neemt dan af. Hierdoor worden weinig loddes volwassen. Alleen volwassen loddes krijgen nakomelingen.
De Roos stelt voor om de kabeljauw te redden door een groot deel van de middelgrote loddes weg te vangen.

Leg uit hoe de kabeljauwpopulatie door deze maatregel weer een kans krijgt toe te nemen.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

3/3 Kabeljauw.

In de Noordzee loopt de kabeljauwstand ook dramatisch terug. Dertig jaar geleden bedroeg de paaistand (dat is de hoeveelheid geslachtsrijpe kabeljauw) nog 250 duizend ton, nu is dat ongeveer 50 duizend ton.

Met welk percentage is de paaistand van kabeljauw afgenomen?

Ecologie

1/3 Koning der dieren.

Veel mensen willen de "koning der dieren" graag in zijn natuurlijke omgeving zien. De leeuwenpopulaties in West- en Centraal-Afrika zijn dan ook een belangrijke trekpleister voor toeristen. Maar hoe lang nog? De leeuwenpopulaties worden steeds kleiner en de vijftienhonderd leeuwen die nu nog in dat gebied leven, moeten niet verder in aantal teruglopen. In het grensgebied van Senegal, Mali en Guinee leeft een groep van tweehonderd leeuwen. Uitzonderlijk groot voor dit deel van West-Afrika. Een doorsnee groep bestaat uit vijftig tot honderd exemplaren. Groepen leven ver uit elkaar. Genetische diversiteit, die een populatie gezond houdt, wordt daarmee afgeremd. Mannetjes kunnen de vrouwtjes van verschillende populaties niet meer bereiken, laat staan bevruchten. Er komt dus geen vers bloed meer in zo'n populatie. We moeten er alles aan doen om de nog bestaande groepen in stand te houden. Want de tijd dat we de natuur zijn gang lieten gaan is voorbij', vindt ecoloog drs. Hans Bauer van het Centrum voor Milieukunde in Leiden.

Leg uit wat het effect van genetische diversiteit is op de overlevingskans van een populatie.

Ecologie

2/3 Koning der dieren.

Om uit de zorgelijke situatie te komen moeten de leefgebieden worden beschermd. Dat is eenvoudiger gezegd dan gedaan. Naast en in veel leefgebieden van de leeuw leven veeboeren, die koeien, geiten en schapen houden.
Jaarlijks verslinden de leeuwen duizenden van deze huisdieren.

Welke voedselrelatie bestaat er dan tussen de leeuwen en de mens?

Ecologie

3/3 Koning der dieren.

In de veestapel kan tuberculose heersen, waar het vee nauwelijks last van heeft, maar waar de leeuw zeer vatbaar voor is. Daarom is inenten van de veestapel een goede maatregel ter bescherming van de leeuw.
Hierover worden twee beweringen gedaan.

1. Door de veestapel in te enten verdwijnt de tuberculosebacterie uit het gebied, zodat de leeuw niet meer besmet kan worden.
2. Door het eten van ingeënt vee, wordt de leeuw immuun tegen tuberculose.

Welke van bovenstaande beweringen is of zijn juist?

Ecologie

1/5 Korhoenders.

Tekst:
Korhoenders zijn in ons land bijzonder schaars geworden. Alleen op de Sallandse heuvelrug komt nog een levensvatbare populatie voor. Jarenlang schommelde de stand daar rond de 30 broedparen, maar de populatie lijkt geleidelijk in omvang af te nemen. Vorig jaar werden in Salland nog maar 16 korhanen geteld.
Vroeger gebruikten de korhoenders vooral de randen van het natuurgebied, waarbij braakliggende landbouwgrond en kruidenrijke akkers een belangrijke rol speelden. Maar de moderne landbouw biedt geen levensmogelijkheden meer voor het korhoen. De soort is nu vooral op de Sallandse heuvelrug zelf aangewezen, waar de rode bosbes de belangrijkste voedselbron vormt. Bij de achteruitgang van het korhoen zou de hogere vossenstand een rol kunnen spelen. Anderen wijzen op de zachte kwakkelwinters, waarin veel larven en poppen van insecten beschimmelen, zodat er in het volgende voorjaar als de kuikens uit het ei kruipen, een te laag voedselaanbod voor de kuikens kan zijn. De kuikens leven de eerste weken vooral van dierlijk voedsel, zoals rupsen, spinnen, kevers, pissebedden en mieren. De volwassen dieren eten jonge heidescheuten, boomknoppen en rode en blauwe bosbessen.

bewerkt naar: Marion de Boo, Korhoenders gaan ook op de Sallandse heuvelrug achteruit', NRC Handelsblad, 3 maart 2001

Zie volgende scherm

Ecologie

2/5 Korhoenders.

Teken een voedselweb met uit bovenstaande tekst de volgende schakels: boomknoppen, kevers, korhoenders, korhoenkuikens, rode bosbesplanten, rupsen, vossen. Neem korhoenders en korhoenkuikens als aparte schakels op.

Ecologie

3/5 Korhoenders.

Kuikens eten de eerste weken vooral dierlijk voedsel, maar schakelen later over op plantaardig voedsel.

Welke twee voordelen heeft dierlijk voedsel voor de opgroeiende kuikens?

Ecologie

4/5 Korhoenders.

Door moderne landbouwtechnieken zijn de kruidenrijke akkers bij de Sallandse heuvelrug verdwenen. Juist een hoge plantaardige diversiteit is van belang voor het korhoen.

Stoffen die in voedsel voorkomen zijn:

1. aminozuren
2. DNA
3. koolhydraten
4. vetten
5. mineralen

Voor welke stoffen is de plantaardige diversiteit in het voedsel voor het korhoen essentieel? Je mag ervan uitgaan dat het korhoen dezelfde eisen stelt aan het voedselpakket als de mens.

Ecologie

5/5 Korhoenders.

Als een populatie te klein wordt, neemt de overlevingskans van de populatie sterker af dan op grond van het probleem van paarvorming mag worden verwacht.

Waardoor neemt de kans op overleven af als de populatie kleiner wordt?

Ecologie

1/2 Mezen.

In een bepaalde mezenpopulatie schommelt het aantal individuen van jaar tot jaar rond een bepaald gemiddelde. Elk mezenpaartje bezit een broedterritorium waarin het nest wordt gebouwd. Het aantal territoria in het gebied van deze populatie blijkt van jaar tot jaar vrijwel gelijk te zijn. Ook in het voorjaar van 1992 is het aantal territoria ongeveer gelijk aan dat van het voorgaande jaar. Toch zijn er in 1992 door bepaalde omstandigheden veel meer volwassen mezen dan in het jaar ervoor.
De grootte van een mezenpopulatie wordt bepaald door abiotische en biotische factoren.

Noem twee van deze biotische factoren.

Ecologie

2/2 Mezen.

Leg uit waardoor in 1992 agressief gedrag in de mezenpopulatie een selectievoordeel kan opleveren.

Ecologie

1/3 Neushoorns in Afrika.
Zie figuur A 318 van de bijlage.

In Afrika komen twee soorten neushoorns voor: de Puntlipneushoorn (Diceros bicornis) en de Breedlipneushoorn (Ceratotherium simum). Beide diersoorten worden met uitsterven bedreigd. De neushoorns leven in geïsoleerde populaties en ze worden intensief bejaagd door stropers. Van de oorspronkelijk meer dan 65.000 Puntlipneushoorns bijvoorbeeld zijn er nu minder dan 2500 over. Op het kaartje in de afbeelding is aangegeven waar de Puntlipneushoorns vroeger voorkwamen en waar ze nu nog voorkomen.

Diersoorten die nauw aan elkaar verwant zijn, worden tot hetzelfde genus (ofwel geslacht) gerekend.

Behoren de genoemde neushoornsoorten tot hetzelfde genus? Geef een verklaring voor je antwoord op basis van de gegevens uit de tekst.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Neushoorns in Afrika.

Op grond van de gegevens op het kaartje kan worden gezegd hoeveel populaties van de Puntlipneushoorn er minimaal in Afrika voorkwamen toen dit kaartje werd gemaakt.

Hoeveel waren dit er?

Ecologie

3/3 Neushoorns in Afrika.

Ook al zouden er geen Puntlipneushoorns meer worden gedood door stropers en ook al hebben ze voldoende ruimte en voedsel, dan nòg loopt deze soort gevaar in de loop van een aantal generaties uit te sterven.

Leg uit dat het gevaar voor uitsterven samenhangt met het feit dat de dieren in zeer kleine populaties leven.

Ecologie

1/5 Afname aantal sneeuwhoenders is nog onduidelijk.

Het aantal sneeuwhoenders in Groot-Brittannië is in de twintigste eeuw gehalveerd tot de huidige 500.000 vogels. Over de oorzaak hiervan wordt verschillend gedacht. Biologen wijzen erop, dat de afname van het sneeuwhoen parallel liep met de achteruitgang van de heidevelden, waardoor het oppervlak aan sneeuwhoen-leefgebied halveerde. Jagers wijten de terugloop aan de toename van vossen en roofvogels zoals de slechtvalk en de kiekendief. De kiekendief is de beruchtste sneeuwhoenjager. 's Zomers, als beide soorten jongen hebben, jaagt hij op sneeuwhoenkuikens. 's Winters jaagt hij op woelmuizen en kleine vogels zoals de graspieper. Sneeuwhoenders doen het het best in gebieden waar alleen maar heide groeit. Zij kunnen alle onderdelen van de heideplanten eten. Woelmuizen en graspiepers leven van grassen. Omdat het sneeuwhoen zo'n populaire jachtvogel is, wordt er alles aan gedaan om hun aantal zo hoog mogelijk te houden. Behalve het legaal en illegaal afschieten van alles wat sneeuwhoenders eet, brandt men gefaseerd heidevelden af, zodat er heidegebieden ontstaan van verschillende leeftijd en andere planten geen kans krijgen.

Teken het voedselweb van de organismen die in bovenstaande tekst genoemd worden.

Ecologie

2/5 Afname aantal sneeuwhoenders is nog onduidelijk.

De schatting van de populatiegrootte op 500.000 vogels, is gebaseerd op een berekening na merken en terugvangen. Men heeft eerst een aantal dieren gevangen. Deze dieren hebben een ring om de poot gekregen en zijn vervolgens teruggezet. Na verloop van tijd ving men 2496 dieren, waarvan er 25 een ring hadden.

Hoeveel dieren van de populatiegrootte van 500.000 vogels heeft men de eerste keer gevangen, geringd en teruggezet in de populatie?

Ecologie

3/5 Afname aantal sneeuwhoenders is nog onduidelijk.

Als men de heidevelden niet zou afbranden, zouden er na verloop van tijd berkenbossen en naaldbossen ontstaan, waardoor de sneeuwhoenders zouden verdwijnen.

Welke biologische term wordt gebruikt voor het verschijnsel dat de heidevegetatie langzaam verandert in een vegetatie van berken- en naaldbomen? [invulveld]

Ecologie

4/5 Afname aantal sneeuwhoenders is nog onduidelijk.

De populatiedichtheid van het sneeuwhoen wordt onder andere bepaald door het territoriumgedrag van de hanen. Hanen bezetten hun territorium in de herfst.
Een territorium wordt bezet door één haan met maar één hen. Hanen verdedigen hun territorium tegenover andere hanen. Bij deze gevechten wordt de verliezende haan verdreven. Sneeuwhoenhanen verdedigen hun territorium zowel in de lente als in de herfst. Om het machogedrag bij hanen te onderzoeken, werd in vier sneeuwhoenpopulaties bij 342 hanen onderhuids een capsule geïmplanteerd, die gedurende drie maanden testosteron afgaf. Dit hormoon verhoogt de agressiviteit van de hanen. Het gevolg was niet alleen dat zij agressiever waren tegenover andere hanen, maar ook, dat zij grotere territoria gingen bezetten. Er werden ook vier controlegroepen geselecteerd. In de testosterongroepen daalde het aantal hanen. In de controlegroepen bleef het aantal hanen gelijk of groeide het aantal.

Aan welke voorwaarde moeten de controlegroepen voldoen wil het een echt wetenschappelijk experiment zijn?

Ecologie

5/5 Afname aantal sneeuwhoenders is nog onduidelijk.
Zie figuur A 903 van de bijlage.

In de afgebeelde diagrammen wordt de relatie weergegeven tussen het aantal broedparen en het gemiddeld testosterongehalte van de hanen in de populaties.

Welk diagram geeft dit op de juiste wijze weer?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/7 Vlinders.
Zie figuur B 6818 van de bijlage.

Twee vlindersoorten die in Nederland verdwenen waren, zijn sinds 30 juli 1990 weer terug: het Pimpernelblauwtje (Maculinea teleius) en het Donker pimpernelblauwtje (Maculinea nausithous).
Vlinderliefhebbers lieten op die datum 156 exemplaren los in een natuurgebied, 86 Pimpernelblauwtjes en 70 Donker pimpernelblauwtjes. Sindsdien verschijnen deze blauwtjes elke zomer weer in behoorlijke aantallen, niet verspreid over het gehele natuurgebied, maar alleen op de plek waar ze uitgezet zijn.
De moeilijkheid om zich te verspreiden over een groter gebied, zit hem vooral in het tweegangenmenu van de rupsen van deze blauwtjes. De vrouwtjes leggen hun eitjes op de bloemen van de Grote pimpernel en de rupsen leven enkele weken van de zaden van deze plant. Daarna willen ze andere kost, te weten mierenlarven. Maar die mierenlarven worden door agressieve werksters uit de mierenkolonie bewaakt.
De rupsen hanteren geraffineerde trucs om veilig in die nesten te komen. Ze laten zich op de grond vallen en scheiden geurstoffen af die lijken op de geurstoffen van mierenlarven. Elke blauwtjessoort is daarbij gespecialiseerd in een eigen gastheersoort: de rups van het Pimpernelblauwtje legt zich toe op de Ruwknoopmier, de rups van het Donker pimpernelblauwtje belaagt de Rode steekmier. De rupsen hebben het formaat en het gedrag van een mierenlarf. Op hun rug zit een zoete stof. Daar komen de mieren op af, betasten de rupsen en brengen ze daarna naar hun nest. In het nest zijn de rupsen beschermd tegen kou en vijanden.
Bovendien hebben ze daar volop voedsel.
De rupsen hebben huidplooien om hun kop, waardoor ze kunnen eten zonder dat de werksters iets in de gaten hebben. De rupsen groeien als kool, verpoppen en de nieuwe vlinders verlaten de volgende zomer vroeg op een ochtend het mierennest, vóór de werksters actief zijn.
Het Pimpernelblauwtje nam vanaf 1990 de eerste drie jaar in aantal toe, daarna ging het snel bergafwaarts. In 1996 was de stand zelfs terug bij het uitgangspunt van 1990 om uiteindelijk in 2001 een stabiele omvang te bereiken van driehonderd exemplaren.

bewerkt naar: Willy van Strien, 'Kieskeurige vlinder vliegt niet uit', de Volkskrant, 6 oktober 2001

Het Pimpernelblauwtje en het Donker pimpernelblauwtje zijn op een bepaald niveau in dezelfde groep geplaatst. Is dat op het niveau van genus (geslacht), populatie of soort?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/7 Vlinders.

Teken het voedselweb, voor zover dat in de tekst wordt beschreven, waarin de rupsen van beide vlinders voorkomen.

Ecologie

3/7 Vlinders.
Zie figuur B 3732 van de bijlage.

Bepaalde informatie omtrent een ecosysteem kan worden weergegeven als een piramide van biomassa (zie de afbeelding).

Welk van de niveaus in de afbeelding is of welke zijn van toepassing op de rupsen van het Pimpernelblauwtje?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/7 Vlinders.

Noem twee prikkels die bij de mier broedzorggedrag opwekken.

Ecologie

5/7 Vlinders.
Zie figuur B 3735 van de bijlage.

Het onderzoek begon in 1990 en eindigde in 2001.

Zie figuur B 3735 van de bijlage.

Teken op de uitwerkbijlage een grafiek waarin je voor de duur van deze periode de omvang van de populatie van het Pimpernelblauwtje uitzet tegen de tijd.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

6/7 Vlinders.

Het aantal populaties van het Pimpernelblauwtje is op dit moment beperkt tot één.
Natuurbeheer wil dat de blauwtjes ook andere gebieden koloniseren.

Noem twee biotische factoren uit de tekst die het voor het Pimpernelblauwtje mogelijk maken zich ook op andere plaatsen te vestigen.

Ecologie

7/7 Vlinders.

Irma Wynhoff doet onderzoek aan de verspreiding van de blauwtjes. Doorslaggevend is volgens haar een stabiel, vlindervriendelijk terreinbeheer. Van juni tot begin september mag er niet worden gemaaid. Toen dit per vergissing wel een keer gebeurde, verbleven er alleen nog maar Pimpernelblauwtjes in het oorspronkelijke gebied.
Met behulp van DNA- en eiwitonderzoek toonde de onderzoekster aan dat de oorspronkelijke populatie maar weinig genetische variatie bezat.

Wat is het gevolg van die geringe genetische variatie?

Ecologie

1/3 Kikkers.

Uit een opgejaagde kikkerpopulatie vangt men 52 dieren. Deze dieren krijgen een dun elastisch ringetje om een poot. Vervolgens worden ze weer losgelaten in de populatie. Na een week vangt men op dezelfde wijze opnieuw kikkers: 43 dieren. Daarvan blijken er 13 geringd te zijn.

Bereken de populatiegrootte.

Ecologie

2/3 Kikkers.

Het ringetje dat de kikkers om de poot krijgen, blijkt aan de strakke kant. De kikkers zijn trager geworden en hebben hier met name last van bij het springen en zwemmen.

Is de werkelijke populatie in dit geval juist geschat of is deze groter of is deze kleiner dan de berekende waarde? Leg je antwoord uit.

Ecologie

3/3 Kikkers.

In sommige kikkerpopulaties komen bij dieren jonger dan twee jaar veel meer vrouwtjes dan mannetjes voor. Het aantal mannetjes en het aantal vrouwtjes dat ouder is dan twee jaar, is in deze populaties ongeveer gelijk.
Er blijken bepaalde jonge dieren te zijn die genotypisch mannetje zijn maar fenotypisch vrouwtje. Deze vrouwtjes veranderen vanaf een bepaald tijdstip in mannetjes. Het omgekeerde verschijnsel, dat genotypische vrouwtjes eruit kunnen zien als mannetje, komt niet voor.
Het verschijnsel werd voor het eerst in 1882 door de Duitse bioloog Pflüger beschreven. Toen Pflüger voor het eerst de ongelijke verdeling van mannetjes en vrouwtjes bij dieren jonger dan twee jaar ontdekte, gaf hij een meer voor de hand liggende verklaring voor dit verschijnsel.

Wat was een meer voor de hand liggende verklaring?

Ecologie

Fazantenpopulatie.
Zie figuur B 5152 van de bijlage.

Stel dat bij een fazantenpopulatie die in een bepaald gebied wordt uitgezet, de populatiegroei verloopt als een S-curve.

In welk deel van die curve nadert de ecologische nataliteit dan de maximale nataliteit?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Konijnen.
Zie figuur B 5175 van de bijlage.

In de grafiek hiernaast kun je het verloop van de aantallen konijnen in de Amsterdamse Waterleidingduinen tussen 1990 en 2002 zien.

Met welk percentage (afgerond op hele procenten) neemt het aantal tussen 1990 en 2000 af?

[invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Loopkevers.

De nagellak op de loopkevers slijt snel af.

Leidt dit tot een te hoge of een te lage schatting van het aantal?

Ecologie

Bevolkingsgroei.

De groei van de menselijke bevolking in een land wordt onder andere bepaald door de mate van industrialisatie in zo'n land.
Als de industrialisatie toeneemt, neemt de groeisnelheid van de menselijke bevolking af.

Welk van de volgende fantasielanden is het sterkst geïndustrialiseerd?

Ecologie

10/13 De leuke tegen de leukste.

Stel dat jij Vigfusdottir zou zijn. Je krijgt de opdracht om je standpunt te verdedigen, maar je te verplaatsen naar het niveau van Asgeirdottir.

Wat moet je dan zeggen?

Ecologie

1/2 Kikkers.

Uit een opgejaagde kikkerpopulatie vangt men 52 dieren. Deze dieren krijgen een dun elastisch ringetje om een poot. Vervolgens worden ze weer losgelaten in de populatie. Na een week vangt men op dezelfde wijze opnieuw kikkers: 43 dieren. Daarvan blijken er 13 geringd te zijn.

Bereken de populatiegrootte.

Ecologie

1/2 De Magot in Europa.
Zie figuur B 3753 van de bijlage.

De Magot is de enige apensoort die in Europa voorkomt. Hij leeft op het bij Groot-Brittannië horende Gibraltar (zie de afbeelding). Verder komt deze apensoort in Noord-Afrika voor. Het is niet meer met zekerheid vast te stellen of de magots van Gibraltar inheems zijn of dat ze door de mens zijn uitgezet. Fossiele resten van magotachtige apen heeft men echter op verschillende plaatsen in Europa gevonden. Als de oorspronkelijke Gibraltar-apen de laatste nakomelingen zijn van deze 'Europese apen', kunnen we de huidige dieren toch niet meer inheems noemen. De Engelsen hebben de magotkolonie op de rots van hun zeevesting Gibraltar namelijk herhaaldelijk vanuit Afrika moeten aanvullen.

In de tekst wordt het begrip kolonie gebruikt.

Geef de andere biologische term voor kolonie die hier in de tekst kan worden gebruikt.

afbeeldingafbeelding