Oefentoets Biologie: Spijsvertering - Spijsvertering | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 10 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

10

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Spijsvertering

Alvleesklier.

Bepaalde cellen van de alvleesklier produceren het hormoon insuline.
Insuline speelt een rol bij de regeling van de hoeveelheid glucose in het bloed.

Waardoor wordt de hoeveelheid insuline, die op een bepaald moment aan het bloed afgegeven wordt, geregeld?

Spijsvertering

Insuline.

Insuline heeft invloed op de omzetting van glucose in glycogeen en op de opname van glucose in cellen.

Hoe veranderen deze processen bij verhoging van het insulinegehalte van het bloed?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Glucose.

De glucoseconcentratie in het lichaam van de mens wordt in normale situaties op een waarde van ongeveer 70 mg glucose per 100 mL bloed gehouden.
Vier organen zijn: een beenspier, de dunne darm, het hart en de lever.

Welk van deze organen is direct betrokken bij het constant houden van de glucoseconcentratie in het bloed?

Spijsvertering

Diabetes.
Zie figuur B 2806 van de bijlage.

Bij iemand met een bepaalde vorm van diabetes (suikerziekte) maakt de alvleesklier te weinig insuline. Tot in de jaren '70 werden patiënten onderworpen aan een glucosebelastingstest. Bij een glucosebelastingstest krijgt een nuchtere persoon op verschillende tijdstippen glucose toegediend. Vervolgens wordt het verloop van het glucosegehalte in zijn bloed bepaald.
Een persoon die geen diabetes heeft, krijgt op tijdstip nul een glas water waarin 50 gram glucose is opgelost te drinken.

In het diagram in de afbeelding is in een grafiek het verloop van het glucosegehalte van zijn bloed te zien. In hetzelfde diagram is in een grafiek het verloop te zien van het glucosegehalte van het bloed van iemand met diabetes na toediening van slechts 20 gram opgeloste glucose.
Het diagram staat ook op de bijlage.
Op tijdstip P wordt aan de diabetespatiënt nog eens 20 gram opgeloste glucose toegediend en aan de gezonde persoon 50 gram opgeloste glucose.

Schets in het diagram op de bijlage een mogelijk verder verloop van de twee grafieken vanaf tijdstip P tot 3 uur.




-

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

1/6 Jeugddiabetes.

Tekst:
Bij jeugddiabetes valt het afweersysteem van de patiënt de eigen zogeheten bètacellen van de eilandjes van Langerhans aan.
Deze cellen, die het hormoon insuline produceren, sterven langzaam af. Hierdoor kan de glucoseconcentratie te veel gaan schommelen. Om de effecten daarvan tegen te gaan zijn insuline-injecties noodzakelijk. Op den duur kunnen de bloedvaten aangetast worden, wat onder andere complicaties kan geven voor de nieren. Dit maakt dialyse en niertransplantatie noodzakelijk.

Een van de problemen na transplantatie is dat de donornieren naderhand ook weer achteruitgaan door de diabetes.
Daarom wordt bij diabetespatiënten een niertransplantatie sinds 1986 gecombineerd met een alvleeskliertransplantatie.
In de meeste gevallen zijn de patiënten dan niet meer afhankelijk van insuline-injecties en dialyse. Een aantal van de patiënten verliest echter na enige tijd de alvleesklier doordat het lichaam het vreemde orgaan afstoot.
Deze patiënten waren beter af geweest als alleen de eilandjes van Langerhans getransplanteerd waren.
De eilandjes van Langerhans maken namelijk slechts één procent uit van het totale gewicht van de alvleesklier.
Bij een transplantatie van de gehele alvleesklier wordt dus in feite 99 procent teveel getransplanteerd.

Het isoleren van de eilandjes van Langerhans gebeurt met verteringsenzymen die de eilandjes losmaken van het omringende alvleesklierweefsel.
Daarna worden ze gezuiverd en ten slotte onder plaatselijke verdoving in de poortader geïnjecteerd.
Ze blijven steken in de kleine bloedvaten van de lever. Hebben ze zich daar eenmaal genesteld, dan kunnen ze insuline afgeven aan het bloed.

bewerkt naar: Kreutzer, Biologie voor de bovenbouw, 5H, 1994

Wat is voor de eilandjes van Langerhans de prikkel voor het afgeven van insuline aan het bloed?




-

Spijsvertering

2/6 Jeugddiabetes.

De alvleesklier heeft behalve het produceren van hormonen nog een andere belangrijke functie.

Noem deze functie.

Spijsvertering

3/6 Jeugddiabetes.

Gelet op de functie van de eilandjes van Langerhans is injectie van deze eilandjes in de poortader efficiënter dan in enig ander bloedvat.

Leg dit uit.

Spijsvertering

4/6 Jeugddiabetes.
Zie figuur A 839 van de bijlage.

Als de nieren niet goed meer werken, kan dialyse een oplossing zijn. Hierbij wordt het bloed van de patiënt door een kunstnier geleid.

De afbeelding A 839 toont een schema van de werking van een kunstnier.
In de kunstnier stroomt het bloed door honderden heel dunne buisjes.
De wanden van deze buisjes bestaan uit een zeer dun vlies dat sommige stoffen doorlaat en andere niet.
De buisjes zijn omgeven door spoelvloeistof.
Deze vloeistof neemt de afvalstoffen uit het bloed op.
Een dialysebehandeling duurt een aantal uren.

Wat is de biologische term voor een zeer dun vlies dat sommige stoffen wel doorlaat en andere niet?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

5/6 Jeugddiabetes.
Zie figuur A 839 en figuur B 3625 van de bijlage.

In de afbeelding met het schema van de werking van een kunstnier is te zien dat de stroomrichting van de spoelvloeistof tegengesteld is aan die van het bloed (dit heet het tegenstroomprincipe).

In de afbeelding B 3625 wordt de afgelegde weg van de bloedstroom en de vloeistofstroom aangegeven met een lijn met pijlen. De concentratie van afvalstoffen is verticaal uitgezet.

Welke afbeelding is juist?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Spijsvertering

6/6 Jeugddiabetes.
Zie figuur A 839 van de bijlage.

Tot voor kort ging men bij dialyse als volgt te werk: Circa zes weken voordat een patiënt voor het eerst gedialyseerd wordt, wordt in een arm tussen een slagader en een ader een verbinding gemaakt (zie schema van de werking van een kunstnier nummer 9).
Hierdoor wordt de bloeddruk in die ader aanzienlijk hoger dan normaal.
Voor dialyse worden injectienaalden bevestigd aan P en Q.
Via deze naalden wordt de verbinding met de bloedbaan gemaakt.
Het bloed stroomt vervolgens in de richting van de pijlen door de kunstnier.

Welk bloedvat moet of welke bloedvaten moeten met de naalden P en Q aangeprikt worden?

afbeeldingafbeelding