Oefentoets Biologie: Dierfysiologie - Inspanning | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 15 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

15

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Dierfysiologie

1/4 Hardlopende dieren.
Zie figuur B 5033 van de bijlage.

In de tekst hieronder worden hardlopende dieren met elkaar vergeleken.

Gaffelbok is sterk op de middenafstand.
Kampioen bij de zoogdieren op de middenafstand is de gaffelbok (Antilocapra americana). Door veel zuurstof op te nemen, kan deze antilope van de Noord-Amerikaanse prairie over lange afstanden op snelheid blijven.
Een jachtluipaard is weliswaar sneller, maar deze sprinter moet al na enkele honderden meters inhouden om uit te hijgen.
Een gaffelbok haalt 100 kilometer per uur, maar behoudt ook over langere afstanden een hoge snelheid.
De antilope loopt 11 kilometer in 10 minuten, en in theorie is het dier in staat over een afstand van kilometers een snelheid van zeventig kilometer per uur aan te houden. In de paardenraces zou het dier een uitstekend figuur slaan, zo concludeert Nature van 24 oktober.
Gaffelbokken hebben grote longen en de ingeademde lucht wordt makkelijk overgedragen aan het bloed, dat een hoog hemoglobinegehalte bevat. Bovendien is de antilope erg goed gespierd en heeft hij een sterk ontwikkeld hart.
Tegenover dergelijke prestaties staan meestal ook nadelen, of kosten, bijvoorbeeld de inspanning die het hart moet leveren om het stroperige bloed - door het vele hemoglobine - rond te pompen.
Volgens een commentator in Nature is juist een dier met een lange adem goed aangepast aan een gebied waar de wolf de belangrijkste vijand is. Wolven achtervolgen hun prooi over lange afstanden, katachtigen moeten het doorgaans van een verrassingsaanval hebben.

Het jachtluipaard kan een snelheid van meer dan 100 km per uur niet lang volhouden, doordat de pootspieren 'verzuren'.

Leg uit waardoor deze inspanning al snel tot verzuring leidt bij het jachtluipaard.


-

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

2/4 Hardlopende dieren.
Zie figuur B 5034 van de bijlage.

De gaffelbok kan een hoge snelheid langdurig handhaven.

Noem drie eigenschappen die dit dier volgens het artikel daartoe in staat stellen en leg bij iedere eigenschap uit waardoor die eigenschap bijdraagt aan het langdurig handhaven van een hoge snelheid.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

4/4 Hardlopende dieren.

Een gaffelbok die wat minder goed is in het langdurig rennen, verspeelt veel minder energie dan al zijn 'dravende' soortgenoten. Toch ontwikkelen zich in de natuur niet veel 'rustige' gaffelbokken .

Leg dit uit.

Dierfysiologie

1/10 Atleten op vet.

Lees de onderstaande tekst die bewerkt is naar een fragment uit het artikel 'Atleten op vet' van prof. Theunis Piersma in het tijdschrift '42', nr. 2, blz. 68-73. Beantwoord daarna de vragen die in de volgende schermen staan.

Rosse grutto's zijn wadvogels en omdat wadden - de zandige of modderige overgangen tussen land en zee waar je afwisselend moet lopen of zwemmen - schaars zijn en ongeschikt om te broeden, zijn wadvogels echte duursporters. Ze draaien er hun vleugel niet voor om wanneer ze drie dagen lang onafgebroken vliegend, vijfduizend kilometer moeten afleggen van hun broedgebieden op de Siberische toendra naar Nederland.
Rosse grutto's, die drie weken in de Waddenzee blijven, krijgen te maken met snerpend koude winterstormen. In het volkomen vlakke landschap van het wad bestaat de enige beschutting uit een dichte groep soortgenoten. Hoe kouder het wordt, hoe dichter de grutto's bij elkaar kruipen. Tijdens het zoeken naar voedsel lopen ze elkaar dan in de weg, maar tijdens de rust is er geen enkel probleem. Met hun hoge lichaamstemperatuur (41° C: vogels hebben altijd hoge koorts!) en matige isolatie geven wadvogels 's winters erg veel energie af. Wel vijf keer het minimale niveau: de energie die wordt afgegeven tijdens diepe rust onder warme omstandigheden. Op het eerste gezicht lijkt het afgeven van een vijf maal grotere hoeveelheid misschien niet zo veel, maar bij mensen is dat niveau alleen gemeten bij de best gemotiveerde en best getrainde wielrenners tijdens de Tour de France. Overwinterende wadvogels doen dus aan topsport, zou je kunnen zeggen.
Eigenlijk wil een rosse grutto meteen na aankomst in de Waddenzee doorvliegen naar Mauritanië, op de grens van de Sahara en de Atlantische Oceaan, nog eens vijfduizend kilometer verder. Maar om die tocht non-stop te kunnen maken moet hij voor vertrek alle brandstof opslaan in de vorm van wadpieren, zeeduizendpoten, krabben en nonnetjes. Rosse grutto's moeten opvetten.
Omgerekend naar menselijke maatstaven moeten rosse grutto's tijdens de drie weken in de Waddenzee elke dag zestig met boter en pindakaas besmeerde boterhammen proberen te vinden.
Bij aankomst uit Siberië is de rosse grutto broodmager, hij weegt zo'n 200 gram en heeft een ingevallen buik. Als het meezit, is hij na drie weken 150 gram zwaarder, heeft een rolronde bost en achter zijn poten hangt een bierbuikje. Het dier bestaat nu voor een derde uit vet! Opstijgen kost wat moeite, dat moet met een sprintje.
Een vliegende jumbojet gebruikt alleen kerosine, maar een marathonloper die loopt of een trekvogel die vliegt, gebruikt naast vet ook eiwit, de stof waaruit alle organen en spieren zijn gebouwd.

Zie volgende scherm

Dierfysiologie

2/10 Atleten op vet.
Zie figuur B 5044 van de bijlage.

Leg uit wat het verband is tussen de hoge lichaamstemperatuur van rosse grutto's en het afgeven van veel energie bij winterse omstandigheden.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

4/10 Atleten op vet.

Waarom zegt de schrijver aan het einde van de 2e alinea: "Overwinterende wadvogels doen dus aan topsport."?

Dierfysiologie

5/10 Atleten op vet.

Welke andere brandstof is er nog bij deze dieren, naast vet en eiwit?

Dat is .................

[invulveld]

Dierfysiologie

8/10 Atleten op vet.

Volgens Joost komt bij trekkende rosse grutto's geen anaerobe dissimilatie voor.
Zijn argument is dat daardoor een sterke verzuring zou optreden.
Volgens Marthe komt bij trekkende rosse grutto's wel anaerobe dissimilatie voor.
Haar argument is dat ze daardoor besparen op hun energievoorraad.

Wie heeft er gelijk?

Dierfysiologie

9/10 Atleten op vet.

Laat met een berekening zien dat de rosse grutto niet alleen vet opslaat tijdens het 'opvetten'.

Dierfysiologie

Een kikkervisje.

Het kikkervisje zwemt in een sloot, waarin zich ook een kikker bevindt. De kikker zit stil op de bodem van de sloot.

Verbruikt het kikkervisje in deze situatie minder zuurstof per seconde per gram lichaamsgewicht dan de kikker, evenveel zuurstof of meer zuurstof?