Oefentoets Biologie: Ziekten | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 8

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ziekten

Antibiotica.

Bij de bestrijding van een infectie door één bepaalde soort bacterie wordt vaak een mengsel van antibiotica gebruikt.

Waarom doet men dat?

Ziekten

Plaque.

Wat wordt met het begrip 'plaque' bedoeld?

Ziekten

Myxomatose.

Tijdens de ontwikkeling van de konijnenziekte myxomatose in Australië liep het sterftecijfer bij de konijnen in zeven jaar terug van 99,5% tot 25%.
Hieronder staan twee verklaringen daarvoor.

I. De konijnen worden resistent als ze de ziekte met veel moeite te boven komen en geven dat door aan de jongen;
II. Het percentage zeer virulente myxoma-virussen neemt in de loop der jaren af.

Welke verklaring is of welke zijn juist?

Ziekten

Koorts.

De lichaamstemperatuur bij de mens wordt gewoonlijk geregeld door homeostatische terugkoppelingsmechanismen.
Tijdens koorts is de temperatuur hoger dan normaal, meestal bij een bacteriële of virale infectie.

Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van koorts?

Ziekten

Antibioticumkuur.

Als de dokter je een antibioticum voorschrijft als je ziek bent, krijg je altijd te horen dat je de kuur helemaal moet afmaken.

Wat is de reden daarvoor?

Ziekten

Antibiotica.

Sommige van de meest effectieve antibiotica blokkeren de beweging van de ribosomen langs het RNA van prokaryoten.

Als b.v. het antibioticum erythromycine wordt gegeven, wat gebeurt er dan in cel van een bacterie?

Ziekten

Antibiotica.

Als bepaalde bacteriën worden behandeld met antibiotica, gaan sommige niet dood.

Wat is daarvoor de beste verklaring?

Ziekten

Naar de dokter.

Op een dag word je wakker met een pijnlijke keel en een loopneus. Je gaat naar de dokter. De dokter neemt een monster uit je keel, stuurt dat op naar het lab en belt je de volgende dag met de mededeling dat hij je geen antibiotica kan voorschrijven voor je klachten.

Waarom zegt hij dat waarschijnlijk?

Ziekten

1/2 SARS.
Zie figuur B 5516 en figuur A 1203 van de bijlage.

De ziekte SARS (Severe Acute Respiratory Syndrome) is te wijten aan een infectie aan de luchtwegen bij de mens met een voorheen onbekend corona-virus. De besmetting vindt plaats via hoestdruppels of direct contact. Het SARS-virus is een RNA-virus met een enkele streng RNA van 30.000 nucleotiden.
Het virusgenoom is in kaart gebracht, waarbij men gebruik gemaakt heeft van de eiwitten waarvoor het codeert (zie figuur B 5516).
In figuur A 1203 is de levenscyclus van een corona-virus afgebeeld.

- Welke betekenis kan een verandering in het gen voor het S-glycoproteïne hebben voor het vermogen van het virus om een cel te infecteren?
- Hoe kun je de verschillende eiwitten van dit virus van elkaar scheiden?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ziekten

2/2 SARS.
Zie figuur B 5517 van de bijlage.

Men werkt aan de ontwikkeling van verschillende vaccins tegen SARS.
De ene vorm bestaat uit injectie met een leeg virus (zie afbeelding figuur B 5517-links).
De andere vorm bestaat uit een DNA-vaccin, dat via de mond wordt ingenomen. Hierbij wordt een onschuldig verkoudheidsvirus (adenovirus) gebruikt, waarbij een gen voor het S-glycoproteïne is ingebouwd (zie afbeelding figuur B 5517-rechts). Dit vaccin wordt in de slijmvliescellen van de luchtwegen gebracht.

Welke antistoffen ontstaan bij de twee vaccinaties? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Ziekten

1/2 AIDS.
Zie figuur B 5518 van de bijlage.

AIDS ontstaat door een infectie met HIV, een RNA-virus. HIV infecteert alleen cellen waarvan de celmembraan CD4 -receptoren bezit, waaronder T-lymfocyten. In die T-lymfocyten kan HIV zich vermeerderen en zich verder verspreiden, waarbij de lymfocyten te gronde gaan.
In de afbeelding hiernaast is de ontwikkeling van het aantal T-lymfocyten met CD4 -receptoren en het aantal HIV-virussen in het bloedplasma te zien, vanaf de infectie tot de dood.
- Leg uit hoe HIV zich vermeerdert in de gastheercel.
- Welke betekenis heeft de CD4 -receptor voor de mogelijkheden van HIV om een cel te infecteren?

afbeeldingafbeelding

Ziekten

2/2 AIDS.
Zie figuur B 5518 van de bijlage.

Waardoor kan een afname in het aantal T-lymfocyten tot de dood leiden?

afbeeldingafbeelding

Ziekten

1/3 Scrapie.

Scrapie is een prionziekte, die schapen treft. Het ziekteverloop lijkt op dat van gekke koeienziekte bij vee. Enkele schapenrassen hebben meer weerstand tegen scrapie dan andere. De weerstand is gerelateerd aan het prioneiwit (PrP ) van het schaap. Van dit eiwit varieert de aminozuursamenstelling van ras tot ras, afhankelijk van de aanwezige allelen (zie afbeelding hieronder).

afbeeldingafbeelding

Welke verschillen in het gen voor PrP onderscheiden het A1 -allel van het A6 -allel?

Ziekten

2/3 Scrapie.

afbeeldingafbeelding

Welke genotypen vind je in de F2 als je een A1 A1 -ram paart met een A6 A6 -ooi?
Maak het kruisingsschema.

Ziekten

Prion.

Bij welke van de onderstaande ziektes is de oorzaak een prion?

Ziekten

1/2 Ziekteverwekkers.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Hierboven staan twee exemplaren van de voornaamste ziekteverwekkers afgebeeld.

Wat zijn dit volgens jou?


-