Oefentoets Biologie: Ziekten | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 8

Ontdek de digitale toets over de halfwaardetijd van malaria medicijn en de effectiviteit van antibiotica tegen Staphylococcus aureus, gericht op studenten in de biologie en geneeskunde. Deze toets behandelt belangrijke concepten in de farmacologie en microbiologie, inclusief de werking van antibiotica en virussen. - 20 vragen

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Halfwaardetijd van malaria medicijn

Medicijn tegen malaria.
Zie figuur B 5513 van de bijlage.

Een nieuw medicijn tegen malaria wordt onderzocht. De grafiek hiernaast laat het resultaat zien van het onderzoek, waarbij een aantal gezonde vrijwilligers het medicijn in hun bloed kregen ingespoten.
De concentratie van het geneesmiddel als functie van de tijd na de inspuiting wordt getoond.

Wat is de halfwaardetijd van het geneesmiddel in het bloed?
Die halfwaardetijd is uur.

afbeeldingafbeelding

Gevoeligheid van Staphylococcus aureus voor antibiotica

1/2 Antibiotica.
Zie figuur B 5514 en figuur B 5515 van de bijlage.

Vijf verschillende antibiotica (A, B, C, D en E) werden getest op hun effect op de pathogene bacterie Staphylococcus aureus.
Hierbij werden vijf papieren schijfjes gedompeld in oplossingen met 2 mg antibiotica en vervolgens op een agarbodem gelegd waarop zich Staphylococcus-bacteriën bevonden (zie afbeelding B 5514 hiernaast).
Het is bekend dat de vijf antibiotica verschillen in de concentratie waarop zij kunnen worden toegediend aan patiënten zonder bijwerkingen te veroorzaken.
Afbeelding B 5515 laat de concentratie zien waarbij een antibioticum bijwerkingen begint te geven.

Voor welk antibioticum zijn de Staphylococcus-bacteriën het meest gevoelig?
Dat is voor antibioticum .

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Effectiviteit van Antibiotica tegen Staphylococcus

2/2 Antibiotica.
Zie figuur B 5514 en figuur B 5515 van de bijlage.

Welk antibioticum is, in een dosis van 2 mg, het meest effectief als geneesmiddel tegen Staphylococcus-bacteriën?

Dat is antibioticum .

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Gebruik van mengsels van antibiotica

Antibiotica.

Bij de bestrijding van een infectie door één bepaalde soort bacterie wordt vaak een mengsel van antibiotica gebruikt.

Waarom doet men dat?

Wat is plaque in virologie?

Plaque.

Wat wordt met het begrip 'plaque' bedoeld?

Verklaring van Myxomatose bij Konijnen

Myxomatose.

Tijdens de ontwikkeling van de konijnenziekte myxomatose in Australië liep het sterftecijfer bij de konijnen in zeven jaar terug van 99,5% tot 25%.
Hieronder staan twee verklaringen daarvoor.

I. De konijnen worden resistent als ze de ziekte met veel moeite te boven komen en geven dat door aan de jongen;
II. Het percentage zeer virulente myxoma-virussen neemt in de loop der jaren af.

Welke verklaring is of welke zijn juist?

Oorzaken van koorts bij infecties

Koorts.

De lichaamstemperatuur bij de mens wordt gewoonlijk geregeld door homeostatische terugkoppelingsmechanismen.
Tijdens koorts is de temperatuur hoger dan normaal, meestal bij een bacteriële of virale infectie.

Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van koorts?

Reden om een antibioticumkuur af te maken

Antibioticumkuur.

Als de dokter je een antibioticum voorschrijft als je ziek bent, krijg je altijd te horen dat je de kuur helemaal moet afmaken.

Wat is de reden daarvoor?

Effect van antibiotica op bacteriële cellen

Antibiotica.

Sommige van de meest effectieve antibiotica blokkeren de beweging van de ribosomen langs het RNA van prokaryoten.

Als b.v. het antibioticum erythromycine wordt gegeven, wat gebeurt er dan in cel van een bacterie?

Resistentie van bacteriën tegen antibiotica

Antibiotica.

Als bepaalde bacteriën worden behandeld met antibiotica, gaan sommige niet dood.

Wat is daarvoor de beste verklaring?

Antibiotica en Virale Infecties

Naar de dokter.

Op een dag word je wakker met een pijnlijke keel en een loopneus. Je gaat naar de dokter. De dokter neemt een monster uit je keel, stuurt dat op naar het lab en belt je de volgende dag met de mededeling dat hij je geen antibiotica kan voorschrijven voor je klachten.

Waarom zegt hij dat waarschijnlijk?

SARS-virus en infectieprocessen

1/2 SARS.
Zie figuur B 5516 en figuur A 1203 van de bijlage.

De ziekte SARS (Severe Acute Respiratory Syndrome) is te wijten aan een infectie aan de luchtwegen bij de mens met een voorheen onbekend corona-virus. De besmetting vindt plaats via hoestdruppels of direct contact. Het SARS-virus is een RNA-virus met een enkele streng RNA van 30.000 nucleotiden.
Het virusgenoom is in kaart gebracht, waarbij men gebruik gemaakt heeft van de eiwitten waarvoor het codeert (zie figuur B 5516).
In figuur A 1203 is de levenscyclus van een corona-virus afgebeeld.

- Welke betekenis kan een verandering in het gen voor het S-glycoproteïne hebben voor het vermogen van het virus om een cel te infecteren?
- Hoe kun je de verschillende eiwitten van dit virus van elkaar scheiden?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Antistoffen bij SARS-vaccinaties

2/2 SARS.
Zie figuur B 5517 van de bijlage.

Men werkt aan de ontwikkeling van verschillende vaccins tegen SARS.
De ene vorm bestaat uit injectie met een leeg virus (zie afbeelding figuur B 5517-links).
De andere vorm bestaat uit een DNA-vaccin, dat via de mond wordt ingenomen. Hierbij wordt een onschuldig verkoudheidsvirus (adenovirus) gebruikt, waarbij een gen voor het S-glycoproteïne is ingebouwd (zie afbeelding figuur B 5517-rechts). Dit vaccin wordt in de slijmvliescellen van de luchtwegen gebracht.

Welke antistoffen ontstaan bij de twee vaccinaties? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

HIV-infectie en de rol van CD4-receptoren

1/2 AIDS.
Zie figuur B 5518 van de bijlage.

AIDS ontstaat door een infectie met HIV, een RNA-virus. HIV infecteert alleen cellen waarvan de celmembraan CD4 -receptoren bezit, waaronder T-lymfocyten. In die T-lymfocyten kan HIV zich vermeerderen en zich verder verspreiden, waarbij de lymfocyten te gronde gaan.
In de afbeelding hiernaast is de ontwikkeling van het aantal T-lymfocyten met CD4 -receptoren en het aantal HIV-virussen in het bloedplasma te zien, vanaf de infectie tot de dood.
- Leg uit hoe HIV zich vermeerdert in de gastheercel.
- Welke betekenis heeft de CD4 -receptor voor de mogelijkheden van HIV om een cel te infecteren?

afbeeldingafbeelding

Afname T-lymfocyten en gevolgen voor gezondheid

2/2 AIDS.
Zie figuur B 5518 van de bijlage.

Waardoor kan een afname in het aantal T-lymfocyten tot de dood leiden?

afbeeldingafbeelding

Verschillen tussen A1- en A6-allel van PrP

1/3 Scrapie.

Scrapie is een prionziekte, die schapen treft. Het ziekteverloop lijkt op dat van gekke koeienziekte bij vee. Enkele schapenrassen hebben meer weerstand tegen scrapie dan andere. De weerstand is gerelateerd aan het prioneiwit (PrP ) van het schaap. Van dit eiwit varieert de aminozuursamenstelling van ras tot ras, afhankelijk van de aanwezige allelen (zie afbeelding hieronder).

afbeeldingafbeelding

Welke verschillen in het gen voor PrP onderscheiden het A1 -allel van het A6 -allel?

Genotypen bij Scrapie kruising

2/3 Scrapie.

afbeeldingafbeelding

Welke genotypen vind je in de F2 als je een A1 A1 -ram paart met een A6 A6 -ooi?
Maak het kruisingsschema.

Kwetsbaarheid van schapenrassen voor scrapie

3/3 Scrapie.

Verschillen in genotypenfrequentie bij drie schapenrassen staan in de afbeelding hieronder.

afbeeldingafbeelding

Welk ras is het meest kwetsbaar voor scrapie?

Dat is .

Prionziekten en hun oorzaken

Prion.

Bij welke van de onderstaande ziektes is de oorzaak een prion?

Ziekteverwekkers: Virussen en Bacteriën

1/2 Ziekteverwekkers.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Hierboven staan twee exemplaren van de voornaamste ziekteverwekkers afgebeeld.

Wat zijn dit volgens jou?

-