Oefentoets Biologie: Genetica - multiple allelie | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 26 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

26

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Genetica

Bloemkleur.

Bekend is dat bij een bepaalde plantensoort de bloemkleur bepaald wordt door twee genen A en B die niet op eenzelfde chromosoom liggen.
Als in een plant van één van beide genen één of meer dominante allelen voorkomen, is de bloemkleur rood.
Alleen de dubbel homozygoot recessieve planten hebben witte bloemen.
Bij een kruising tussen een plant met rode bloemen en één met witte bloemen ontstaat een F1 die ook bestaat uit planten met rode en planten met witte bloemen, en wel in de verhouding rood : wit = 1 : 1

Welke van de onderstaande mogelijkheden geeft het genotype van de ouders weer?

Genetica

Blauwzuur bij klaver.

Sommige klaverplanten bevatten blauwzuur, waardoor zij tegen vraat beschermd worden.
Voor de productie van blauwzuur is het noodzakelijk dat twee dominante allelen E en F aanwezig zijn. Er worden twee klaverplanten gekruist, die géén van beide blauwzuur kunnen maken. De helft van de F1 -individuen blijkt wèl blauwzuur te kunnen maken, de andere helft niet.

Wat waren de genotypen van de beide ouders?

Genetica

Parkieten.

Bij parkieten is het allel E (blauwe kleur) dominant over e.
Het allel F (gele kleur) is dominant over f. De betrokken genen zijn niet gekoppeld.
Bij aanwezigheid van E en F is de parkiet groen gekleurd.
Bij afwezigheid van E en F is de parkiet wit gekleurd.
Een homozygoot groene parkiet wordt gekruist met een witte parkiet.
Een dier uit de F1 wordt gekruist met de witte ouder.

Hoe groot is de kans dat een nakomeling uit deze kruising wit zal zijn?

Genetica

Verschillende haarkleuren.

Bij de vorming van de haarkleur bij een bepaalde diersoort zijn twee allelenparen betrokken, die onafhankelijk van elkaar overerven.
Wanneer van die allelenparen uitsluitend recessieve allelen voorkomen (ppqq), is de haarkleur wit.
Wanneer van één van beide paren een dominant allel voorkomt, is de haarkleur geel.
Wanneer van elk allelenpaar tenminste één dominant allel voorkomt, is de haarkleur bruin.
Een bruin en een wit dier worden gekruist. E‚n van de nakomelingen is wit.

Wat is het genotype van het bruine ouderdier?

Genetica

Verschillende konijnen.
Zie figuur B 437 van de bijlage.

Bij het konijn komen drie allelen voor de vachtkleur voor.
Konijnen van het meest voorkomende type (wild) hebben een donkere vacht en bezitten het allel T.
Konijnen van het himalaya-type hebben het genotype ta ta .
Konijnen van het chinchilla-type hebben het genotype tb tb .
Konijnen met het genotype ta tb zijn lichtgrijs. Het allel T is dominant over de allelen ta en tb .
Een groot aantal konijnen van het wildtype paart onderling. Zij krijgen een grote nakomelingschap. Er treden geen mutaties op.

Welk fenotype kan of welke fenotypen kunnen bij deze nakomelingschap voorkomen?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Vachtkleur van kattenrassen.

Bij bepaalde kattenrassen komen van een bepaald gen diverse allelen (C, cs en cb ) voor die een geremde pigmentontwikkeling veroorzaken. Dit heeft gevolgen voor de vachtkleur. Het genotype cs cs veroorzaakt het fenotype Siamese kleuring. Het genotype cb cb veroorzaakt het fenotype Burmese kleuring. Katten met het genotype cb cs hebben het fenotype Tonkanese kleuring. Katten met het dominante allel C hebben een normale pigmentontwikkeling.
Twee normaal gepigmenteerde katten krijgen nakomelingen. Het eerste katje dat wordt geboren, heeft een Tonkanese kleuring.

Hoe groot is de kans dat het tweede katje uit deze worp een Siamese kleuring heeft?

Genetica

Vachtkleur.

Bij cockerspaniëls wordt de vachtkleur bepaald door twee niet gekoppelde allelenparen. Het allel E is dominant over e. Het allel F is dominant over f. Als bij een dier van elk allelenpaar minstens één dominant allel aanwezig is, dus E en F, dan is dit dier zwart. Als F en ee aanwezig zijn, dan is het dier leverkleurig. Als E en ff aanwezig zijn, is het dier rood.
Dieren met het genotype eeff zijn geel.
Een zwarte cockerspaniël wordt gekruist met een gele. Ze krijgen een gele pup (jong). Daarna paart deze zwarte hond met een zwarte hond met hetzelfde genotype.

Welke fenotypen zijn te verwachten onder hun nakomelingen?
En in welke verhouding?

Genetica

Vachtkleur.

Bij het hondenras cockerspaniël wordt de vachtkleur bepaald door twee allelenparen: E, e en F, f. De allelenparen zijn niet gekoppeld. De aanwezigheid van het allel E samen met het allel F veroorzaakt een zwarte vacht. Met allel E en zonder allel F heeft een cockerspaniël een rode vacht, maar een hond zonder allel E en met allel F heeft een leverkleurige vacht. Honden met alleen de recessieve allelen hebben een gele vacht.
Uit een kruising tussen een leverkleurige hond en een rode hond wordt een geel jong geboren.

Hoe groot is de kans dat bij een volgende kruising tussen deze leverkleurige en deze rode hond het eerstgeboren jong zwart is?

Genetica

Kammen bij hoenders.
Zie figuur A 111 van de bijlage.

Bij hoenders komt de eigenschap rozenkam (P) en de eigenschap erwtenkam (Q) voor. Deze eigenschappen zijn niet gekoppeld en liggen niet op een geslachtschromosoom. Een combinatie van de allelen P en Q levert een zogenaamde walnootkam op. Dieren die voor beide eigenschappen homozygoot recessief zijn, hebben een normale kam.

Welke van de onderstaande kruisingen resulteert in een F1 waarin zowel dieren met een walnootkam als dieren met een normale kam voorkomen?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Kruising van hoenders.
Zie figuur A 111 van de bijlage.

Bij hoenders komt de eigenschap rozenkam (P) en de eigenschap erwtenkam (Q) voor.
Deze eigenschappen zijn niet gekoppeld en liggen niet op een geslachtschromosoom. Een combinatie van de allelen P en Q levert een zogenaamde walnootkam op. Dieren die voor beide eigenschappen heterozygoot recessief zijn, hebben een normale kam.

Bij welke kruising heeft ongeveer 75% van de nakomelingen een walnootkam?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een kruising bij haver.

Bij een bepaald haverras wordt de kleur van de kafjes bepaald door twee onafhankelijke allelenparen Q en q, en R en r. De kafkleur kan zwart, geel of wit zijn.
Bij aanwezigheid van het allel Q zijn de kafjes altijd zwart.
Bij aanwezigheid van het allel R en afwezigheid van het allel Q zijn de kafjes geel.
Bij afwezigheid van zowel het allel Q als het allel R zijn de kafjes wit.
Een homozygote plant met zwarte kafjes wordt gekruist met een plant met witte kafjes.
Hieruit ontstaat een F1 met alleen planten met zwarte kafjes. Uit onderling kruisen van planten uit de F1 ontstaat de F2 .
In de talrijke F2 komen planten voor met zwarte kafjes, met gele kafjes en met witte kafjes voor.

In welke verhouding komen deze fenotypen in de F2 zwart : geel : wit?

Genetica

1/4 Vachtkleur van het konijn.
Zie figuur A 862 van de bijlage.

Voor de meeste eigenschappen (bijvoorbeeld vachtkleur) geldt dat daarbij sprake is van dominante en recessieve genen. Bij de kleur en de tekening van de vacht van konijnen bestaat een zeer grote variatie. Een deel van deze variatie is het gevolg van het optreden van drie allelen voor vachtkleur. Dat dit het geval is, blijkt onder andere uit het resultaat van kruisingen tussen wildgrijze, brandneus- en albinokonijnen (zie de afbeelding).

Leg uit dat het allel brandneus dominant dan wel recessief is ten opzichte van het allel vachtkleur albino.

afbeeldingafbeelding

Genetica

2/4 Vachtkleur van het konijn.

Men laat een wildgrijs konijn uit de F1 van kruising S paren, met een wildgrijs konijn uit de F1 van kruising T.

Kunnen uit deze paring albinokonijnen ontstaan en zo ja, in welke verhouding ten opzichte van de andere fenotypen?

afbeeldingafbeelding

Genetica

3/4 Vachtkleur van het konijn.

In een bepaalde populatie konijnen komen wildgrijze, brandneus- en albinokonijnen voor.

Hoeveel verschillende genotypen voor vachtkleur kunnen in deze populatie voorkomen?

Genetica

4/4 Vachtkleur van het konijn.

Niet alle genotypen van brandneuskonijnen uit de F2 van kruising U zijn gelijk aan dat van brandneuskonijnen uit de F2 van kruising S.

Hoeveel procent van de brandneuskonijnen uit de F2 van kruising U heeft hetzelfde genotype als de brandneuskonijnen uit de F2 van kruising S?

Genetica

1/2 Paardenkruisingen.

Bij paarden wordt veelal gefokt met één bepaalde hengst die verschillende merries dekt. Zo werden in een stal in Raalte vijf merries gedekt door de hengst Mitchel. Bij de vorming van de kleur van de vacht zijn verschillende allelen betrokken.
een allel VA dat zorgt voor een lichtbruine (voskleurige) vacht met blonde staart en manen;
een allel Va dat zorgt voor een bruine vacht met zwarte staart en manen;
een allel v dat zorgt voor een zwarte vacht met zwarte staart en manen.
Het allel VA is dominant over het allel Va en is ook dominant over het allel v. Het allel Va is alleen dominant over het allel v.
De hengst Mitchel heeft een bruine vacht met zwarte staart en manen.
In het schema hieronder is het resultaat ingevuld van de kruising van Mitchel met de vijf merries:

afbeeldingafbeelding

De kruising van Mitchel met één van de vijf merries bevestigt dat allel Va dominant is over allel v.

Welke kruising bevestigt die dominantie?

Genetica

2/2 Paardenkruisingen.

Iemand beweert dat de genoemde allelen voor vachtkleur X-chromosomaal zijn.

Bij welke kruising blijkt dat die bewering onjuist is?

afbeeldingafbeelding

Genetica

1/2 Hoenders.
Zie figuur A 111 van de bijlage.

Bij hoenders komen vier soorten kammen voor (zie de afbeelding). De overerving van de kamvorm berust op twee genenparen, het paar P en p en het paar R en r, die onafhankelijk van elkaar overerven.

In de tabel hieronder is een overzicht gegeven van de fenotypen met de bijbehorende genotypen.

afbeeldingafbeelding

Bij welke combinatie van genotypen van de ouders kunnen alle vier de kamvormen bij de nakomelingen voorkomen?

afbeeldingafbeelding

Genetica

2/2 Hoenders.

Femke wil graag kippen fokken. Zij vindt kippen met een walnootkam het mooist en koopt daarom een haan en een hen met een walnootkam. Het eerste nest met kuikens is voor haar een grote teleurstelling, omdat daarin ook kuikens voorkomen met erwtenkam, rozenkam en normale kam. Ze gaat klagen bij de persoon van wie ze de haan en de hen heeft gekocht. Deze had haar verteld dat deze hen en deze haan uit hetzelfde nest afkomstig waren en dat alle andere nakomelingen van hun ouders ook een walnootkam bezaten.

Noem de genotypen van de hen en de haan die Femke had gekocht en noteer hoe groot de kans is dat Femke een kuiken van deze haan en deze hen met een walnootkam krijgt.

Genetica

1/11 Oogkleur volgens www.biodoen.nl
Zie figuur B 7121 van de bijlage.

Op bovenstaande website kun je lezen dat de oogkleur bij de mens overerft met multipele allelen, met twee dominante allelen, voor bruine ogen, OB , en groene ogen, OG , en één recessief allel voor blauwe ogen, o.

afbeeldingafbeelding

Er van uitgaande dat deze theorie over de overerving van oogkleur juist is, moet je de volgende vragen beantwoorden.

Zie volgende scherm

Genetica

2/11 Oogkleur volgens www.biodoen.nl
Zie figuur B 7121 van de bijlage.

Bij de onderstaande kruising is alleen het fenotype van de ouders bekend, en dus niet het genotype:

afbeeldingafbeelding x afbeeldingafbeelding (bruingroen x groen)

Welke bewering is juist?

afbeeldingafbeelding

Genetica

3/11 Oogkleur volgens www.biodoen.nl
Zie figuur B 7121 van de bijlage.

Van de onderstaande kruising is alleen het fenotype van twee nakomelingen bekend, en dus niet het genotype:

afbeeldingafbeelding en afbeeldingafbeelding (bruingroen en blauw)

Welke bewering is juist?

afbeeldingafbeelding

Genetica

4/11 Oogkleur volgens www.biodoen.nl
Zie figuur B 7121 van de bijlage.

Bij de onderstaande kruising is het genotype van de ouders bekend:

OB OG x OG o

Welke bewering is juist?

afbeeldingafbeelding

Genetica

5/11 Oogkleur volgens www.biodoen.nl
Zie figuur B 7121 van de bijlage.

Bij de onderstaande kruising is het genotype van de ouders bekend:

OB o x OG o

Welke bewering is juist?

afbeeldingafbeelding

Genetica

6/11 Oogkleur volgens www.biodoen.nl
Zie figuur B 7121 van de bijlage.

Bij de onderstaande kruising is het genotype van de ouders bekend:

OB OB x OB o

Welke bewering is juist?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Leven van radioactieve straling.
Zie figuur B 4685 van de bijlage.

Bij mensen, maar ook bij dieren, zorgt melanine voor de kleur van onder andere huid, haren en ogen. Een verstoring in één van de stappen in de aanmaak van melanine, resulteert in het bekende albino fenotype. Bij een grijs kattenras komt albinisme voor als een individu homozygoot recessief is voor het albinogen (genotype aa). In dit geval hebben de katten een witte vachtkleur. Bij de vachtkleur van dit ras speelt echter ook een ander gen (het gen 'white' W) een rol. Katten met het genotype Ww en WW zijn wit. De twee genen (a en W) zijn autosomaal en niet gekoppeld.

Kunnen uit een kruising tussen twee grijze katten, witte nakomelingen ontstaan?
Kunnen uit een kruising tussen twee witte katten, grijze nakomelingen ontstaan?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding