Oefentoets Biologie: Gedrag - Algemeen | VWO 3/VWO 4/VWO 5 - variant 2

Deze oefentoets bevat 19 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

19

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 3, VWO 4, VWO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

Stekelbaarsjes.
Zie figuur A 842 van de bijlage.

Professor Tinbergen heeft proeven gedaan waarbij hij het territoriumgedrag van stekelbaarsjes onderzocht. Hij maakte modellen en keek vervolgens of stekelbaarsmannetjes tegen deze modellen dreiggedrag vertoonden of niet.
In de afbeelding is voor de verschillende modellen die bij de proeven werden gebruikt, aangegeven wat de resultaten waren.
Naar aanleiding van dit experiment worden de volgende conclusies overwogen:

1. Dit stekelbaarsmannetje kan alleen rood als kleur waarnemen.
2. Het rood aan de onderkant van het model wekt bij dit stekelbaarsmannetje agressief gedrag op.
3. Behalve de kleur speelt ook de vorm van het model een rol bij het opwekken van agressief gedrag bij dit stekelbaarsmannetje.

Welke van deze conclusies kan of welke kunnen uit de resultaten van het beschreven experiment worden afgeleid?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

Conditionering.

Een onderzoeker conditioneert een ooglidreflex bij een proefpersoon. Hij maakt daarbij gebruik van een luchtstoot en een bromtoon. Hij noteert wat hij doet en hoe de proefpersoon daarop reageert. Per ongeluk raken zijn aantekeningen door elkaar. Hij vindt de volgende stukjes aantekening van zijn handelingen en waarnemingen:

1. Een bromtoon veroorzaakt bij de proefpersoon een ooglidreflex,
2. Een korte luchtstoot die uit een blaasbalgje op een oogbol van de proefpersoon wordt gericht, veroorzaakt bij de proefpersoon een ooglidreflex,
3. Herhaaldelijk wordt, direct voorafgaand aan een luchtstoot op een oogbol, een bromtoon gedurende 2 seconden ten gehore gebracht,
4. Herhaaldelijk wordt, direct na een luchtstoot op een oogbol een bromtoon gedurende 2 seconden ten gehore gebracht.

Welke handelingen heeft hij verricht en welke waarnemingen heeft hij gedaan bij een succesvolle conditionering en in welke volgorde?

eerst ® laatst

Gedrag

Gedrag.

Een hond vertoont een aantal afweerreflexen wanneer het dier per ongeluk iets zuurs (bijvoorbeeld azijn) binnen krijgt. Het dier gaat schudden met de kop, maakt wilde bewegingen met de tong en produceert veel speeksel.
In een experiment probeert een onderzoekster deze reflexen te conditioneren. Zij deed de volgende twee proeven en beschreef de resultaten.

proef 1: op tijdstip t = 0 bracht zij azijn op de tong van de hond; op tijdstip t = 5 sec. liet zij de hond een vanillinegeur ruiken. Zij herhaalde dit 427 maal. Vervolgens liet zij de hond alleen de vanillinegeur ruiken. De hond vertoonde hierbij geen van de beschreven afweerreflexen.
proef 2: op tijdstip t = 0 liet zij de hond een amylacetaatgeur ruiken en op tijdstip t = 5 sec bracht zij azijn op de tong van de hond. Zij herhaalde dit 20 maal. Vervolgens liet zij de hond alleen de amylacetaatgeur ruiken.
De hond vertoonde een verhoogde speekselafgifte.

Naar aanleiding van de resultaten van deze twee proeven worden de volgende beweringen gedaan:

1. Een stimulus kan uitsluitend tot een geconditioneerde afweerreflex leiden.
2. Vanillinegeur kan geen geconditioneerde reflex veroorzaken.
3. Amylacetaatgeur kan een geconditioneerde reflex veroorzaken.
4. De hond kan geen vanillinegeur ruiken.

Van welke van deze beweringen wordt de juistheid bevestigd door de resultaten van deze proeven?

Gedrag

Vogels.

In de voortplantingstijd zingt een volwassen vogelmannetje (Z) zonder partner in zijn territorium. De zang van Z wordt gehoord door vier andere vogels:

1. een volwassen vrouwtje van dezelfde soort zonder partner;
2. een volwassen mannetje van dezelfde soort met een eigen territorium;
3. een volwassen mannetje van een andere zangvogelsoort;
4. een volwassen mannetje van dezelfde soort zonder eigen territorium.

Geef voor elk van deze vogels aan met welk gedrag ze op de zang van het mannetje Z zullen reageren.

Gedrag

Oriëntatie-experiment.
Zie figuur A 507 van de bijlage.

In een experiment over de wijze waarop mannelijke stekelbaarsjes zich oriënteren, wordt gebruik gemaakt van een groot rond aquarium dat kan worden gedraaid. Op de bodem van het aquarium is een gradenverdeling getekend. In het midden van het aquarium wordt een schaaltje met zand geplaatst waarin nestmateriaal aanwezig is waarmee een stekelbaarsje een nest kan bouwen. Verder bevinden zich geen voorwerpen in het aquarium. Buiten het aquarium staat alleen een zogenoemd oriëntatiebaken. Dit is een rechtopstaand paaltje.
De opstelling is getekend in de afbeelding.

In dit aquarium laat een onderzoeker een mannelijk driedoornig stekelbaarsje zwemmen. Het stekelbaarsje gaat in het schaaltje een nest bouwen. Vervolgens wordt een vrouwelijk stekelbaarsje bij het mannetje in het aquarium geplaatst. Het vrouwtje legt eitjes in het nest, die door het mannetje worden bevrucht. Vervolgens wordt het vrouwtje weggehaald en het mannetje blijft achter om het legsel te verzorgen. Tot de broedzorg behoort het waaieren. Bij het waaieren staat het mannelijke stekelbaarsje gewoonlijk recht voor de nestopening: daarbij houdt hij zijn lichaam in het verlengde van het nest.

Twee onderzoekers formuleren ieder een hypothese over de vraag hoe een mannelijk stekelbaarsje zich bij het waaieren oriënteert:

- onderzoeker 1 zegt dat de stekelbaars zich bij het waaieren oriënteert op optische prikkels van het nest zelf;
- onderzoeker 2 zegt dat de stekelbaars zich bij het waaieren oriënteert op optische prikkels uit de omgeving van het nest.

Noteer de opzet van een experiment waarmee je met de boven beschreven opstelling kunt onderzoeken of de hypothese van onderzoeker 1 of die van onderzoeker 2 juist is.
Beschrijf een waarneming op grond waarvan je kunt concluderen dat de hypothese van onderzoeker 1 juist is.
En beschrijf een waarneming op grond waarvan je kunt concluderen dat de hypothese van onderzoeker 2 juist is.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

Jonge vinken.

Tien jonge, mannelijke vinken werden geïsoleerd van elkaar en van hun ouders grootgebracht. Deze tien vinken konden, zodra ze volwassen waren, geen vinkenzang ten gehore brengen. Na de periode van isolement kregen vijf van de inmiddels volwassen vinken herhaalde malen een bandopname te horen met zang van in de natuur levende vinken. Door het horen van deze vinkenzang konden ze na enige tijd zingen als een vink.
De vijf andere vinken kregen een bandopname te horen met zang van een andere zangvogelsoort. Deze vinken ontwikkelden geen vinkenzang. Hun zang bleef onderontwikkeld en leek ook niet op de zang van deze andere vogelsoort.

Leg uit dat op grond van deze gegevens blijkt dat erfelijke informatie een rol speelt bij het ontwikkelen van de soortspecifieke zang bij deze vinken.

Gedrag

Signalen.

In de voortplantingstijd produceert een bepaald vogelmannetje zonder partner in zijn territorium de voor de soort kenmerkende zang. De zang wordt gehoord door de volgende vogels:

1. een vrouwtje van dezelfde soort zonder partner,
2. een mannetje van dezelfde soort met een eigen territorium,
3. een mannetje van een andere soort.

Leg uit voor welke van deze vogels deze zang een prikkel voor agressief gedrag is en voor welke niet.

Gedrag

1/3 Broedzorg bij grutto's.
Zie figuur B 3885 van de bijlage.

Jonge grutto's zijn nestvlieders, dat wil zeggen dat ze kort na het uitkomen van de eieren het nest verlaten en zelfstandig voedsel beginnen te zoeken. Als de ouders alarmkreten slaken, verbergen de jongen zich tussen de vegetatie van de open weilanden waar ze leven.
Vanaf het moment dat de jongen worden geboren, vertonen de ouders vaak een speciaal gedrag: ze nemen plaats op hoge posten zoals weidemolentjes of hekpalen (zie de afbeelding). Dit gedrag vertonen de ouders vóór het uitkomen van de jongen niet.

Is het beschreven gedrag van de ouders, het op een hoge post gaan zitten, alleen afhankelijk van inwendige factoren, alleen van uitwendige factoren of van beide?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/3 Broedzorg bij grutto's.

In het open weiland hebben nestvlieders een grotere overlevingskans dan nestblijvers.

Leg uit waaruit dit voordeel bestaat.

Gedrag

3/3 Broedzorg bij grutto's.

Kort na de geboorte reageren de jonge grutto's op de alarmkreten van de ouders door zich in de vegetatie te drukken.

Is dit gedrag vastgelegd door erfelijke informatie?
Speelt in dit gedrag een sleutelprikkel een rol?

Gedrag

1/3 Meeuwen.
Zie figuur B 2610 van de bijlage.

Bepaalde soorten meeuwen broeden met grote aantallen paren bij elkaar op de grond in open terrein. Op een mogelijke predator voeren groepen meeuwen aanvallen uit (zie de afbeelding).
Het uitvoeren van aanvallen levert voor een individuele meeuw niet alleen voordelen op.

Noem een nadeel van het uitvoeren van aanvallen voor een individuele meeuw.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/3 Meeuwen.
Zie figuur A 534 van de bijlage.

Een onderzoeker deed experimenten over de frequentie van het uitvoeren van de aanvallen. Daartoe legde hij kippeneieren op verschillende afstanden van het centrum van een meeuwenkolonie. Hij legde in een rechte lijn vanuit het centrum van de kolonie om de 11 meter een ei.
Vervolgens telde hij bij iedere afstand gedurende een bepaalde periode het aantal aanvallen dat de meeuwen op predatoren (in dit geval kraaien) uitvoerden en het aantal kippeneieren dat door de predatoren werd opgegeten.

Deze gegevens bewerkte hij tot het diagram dat in de afbeelding A 534 is weergegeven.

Op grond van de gegevens in de afbeelding worden de volgende beweringen gedaan:

1. hoe groter het percentage uitgevoerde aanvallen des te minder eieren worden opgegeten,
2. als er weinig aanvallen worden uitgevoerd, kan elke kraai buiten de kolonie een kippenei veroveren,
3. op de grens van de kolonie neemt 60% van de meeuwen deel aan de aanvallen,
4. de kans dat een kraai in het centrum van de kolonie doordringt, is 40%.

Welke van deze beweringen is juist?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

3/3 Meeuwen.

Ter verklaring van het uitvoeren van aanvallen door meeuwen oppert een onderzoeker de volgende hypothese:

- door het uitvoeren van aanvallen beschermen meeuwen hun eieren en jongen.

Om zijn hypothese te toetsen, gaat hij een onderzoek opzetten.

Noem een controlemeting die hij in ieder geval in zijn onderzoek moet doen om zijn hypothese te toetsen.

Gedrag

1/4 Voorkeur zilvermeeuwen.
Zie figuur B 3909 van de bijlage.

Zilvermeeuwen, die broeden in een nest op de grond, rollen een ei dat naast het nest terecht is gekomen, terug in het nest. In een aantal experimenten werd onderzocht op welke prikkels een zilvermeeuw reageert bij dit ‘terugrolgedrag'. Telkens werden twee van de drie eieren uit het nest verwijderd en werden twee modeleieren op de rand van het nest geplaatst. Genoteerd werd welk modelei, het linker of het rechter ei, als eerste werd teruggerold.
Eerst werd in een serie onderzoeken de voorkeur van één bepaalde meeuw bepaald voor de plaats en het formaat van de twee modeleieren. Het formaat varieerde van groottecategorie 4 tot 16. Een normaal zilvermeeuwei valt in groottecategorie 8.
In de afbeelding zijn enkele resultaten van de eerste serie onderzoeken weergegeven. Aangegeven is de groottecategorie van het linker en rechter modelei op de rand van het nest, en welk van de twee als eerste door de meeuw werd teruggerold.

Op grond van deze resultaten worden drie beweringen gedaan over de voorkeur van de zilvermeeuw voor één van beide modeleieren:

1. de zilvermeeuw kiest bij het terugrollen eerst voor het grotere formaat modelei;
2. de meeuw rolt het rechter ei als eerste terug indien de verhouding tussen de formaten kleiner of gelijk aan 1,3 is;
3. zodra de verhouding tussen de formaten 1,5 of hoger is, wordt het grootste ei als eerste teruggerold.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/4 Voorkeur zilvermeeuwen.
Zie figuur B 3910 van de bijlage.

In een tweede onderzoek werd gekeken naar de reactie van de meeuw op een afwijkende vorm van het modelei. Daartoe werd een rechthoekig blokje X van een bepaald formaat gebruikt. De resultaten zijn in de afbeelding weergegeven.

Bepaal op grond van deze resultaten tot welke groottecategorie het modelei X door deze zilvermeeuw wordt gerekend.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

3/4 Voorkeur zilvermeeuwen.
Zie figuur A 1009 van de bijlage.

In een derde reeks onderzoeken werden modeleieren gebruikt van verschillende grootte, vorm, kleur en kleurpatroon. Als referentie werd een reeks bruine, gespikkelde modeleieren gebruikt in de groottecategorieën 4 tot 16.
De resultaten zijn in de afbeelding weergegeven. De plaats van de modeleieren op de horizontale as is een maat voor de voorkeur van de meeuw bij het terugrollen.

Op grond van deze resultaten worden twee conclusies getrokken:

1. de zilvermeeuw heeft, bij eieren van dezelfde kleur, een voorkeur voor gespikkelde eieren boven effen eieren bij het terugrollen;
2. de kleur, bruin of groen, van een modelei heeft meer invloed dan de vorm, rechthoekig of ovaal, op het terugrolgedrag van de zilvermeeuw.

Welke van deze conclusies is of zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

4/4 Voorkeur zilvermeeuwen.

Wat is, op grond van de beschreven experimenten, de sleutelprikkel voor het terugrolgedrag van de zilvermeeuw?

Gedrag

1/2 Duiven in de skinnerbox.
Zie figuur B 3938 van de bijlage.

Veel laboratoriumonderzoek naar het gedrag van dieren is verricht met gebruik van de skinnerbox, een kleine ruimte waarin de reactie van een dier op allerlei prikkels kan worden bestudeerd.
Bij een onderzoek naar het leergedrag van duiven werd de volgende proefopstelling gebruikt (zie de afbeelding): een skinnerbox met een lampje en een voedselautomaat.
Er werden drie groepen duiven gebruikt. Elke duif werd dagelijks enige tijd in de skinnerbox gezet. Daar werd op onregelmatige tijdstippen een lichtsignaal van 10 seconden gegeven. Het totale aantal lichtsignalen was bij elke duif gelijk.
Groep 1 kreeg daarnaast niets aangeboden;
Groep 2 kreeg bij elk lichtsignaal voedsel aangeboden;
Groep 3 kreeg even vaak voedsel aangeboden als groep 2, maar op een variabel moment na een lichtsignaal.
Genoteerd werd of de duif na het lichtsignaal in de richting van de lamp bewoog of juist ervan af. De gemiddelde resultaten van groep 2 zijn in het diagram van de afbeelding B 3939 weergegeven.

Welk type leerproces ligt aan het gedrag van groep 2 ten grondslag?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding