Oefentoets Biologie: Osmose_diffusie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 2
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
20
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
HAVO 4, HAVO 5
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Diffusie
Opname zuurstof en oppervlakgrootte.
De snelheid waarmee een organisme zuurstof in het bloed opneemt, is onder meer afhankelijk van de grootte van het oppervlak waar de zuurstof doorheen diffundeert.
Bij gewervelde dieren is dit oppervlak groot door de aanwezigheid van
Diffusie
Holtedieren & kooldioxide.
Holtedieren hebben een lichaam dat uit slechts twee cellagen bestaat.
Zij hebben geen speciale uitscheidingsorganen voor kooldioxide nodig omdat zij
Diffusie
Hoeveelheid zuurstof & weefselcellen.
De hoeveelheid zuurstof die de weefselcellen bereikt, is onder andere afhankelijk van de volgende factoren:
1. de snelheid waarmee de lucht in de longen wordt ververst, 2. de snelheid waarmee het bloed in de bloedvaten wordt getransporteerd, 3. de snelheid waarmee de zuurstof uit het bloed naar de weefselcellen diffundeert.
Welke van deze factoren zijn direct afhankelijk van energie die in het organisme wordt vrijgemaakt?
Osmose-diffusie
1/3 Bloed. Zie figuur B 484 van de bijlage.
Bloed van een zoogdier wordt zodanig behandeld dat fibrinogeen niet kan worden omgezet in fibrine. Rode bloedcellen uit dit bloed worden in verschillende NaCl-oplossingen gebracht. In het diagram is weergegeven welk percentage van de rode bloedcellen in de verschillende NaCl-oplossingen wordt gehemolyseerd. Onder hemolyseren verstaat men het vrijkomen van hemoglobine uit rode bloedcellen, nadat zij zijn gebarsten. Een analist vult drie reageerbuizen ieder met 1 ml behandeld zoogdierbloed. In iedere buis doet hij vervolgens 5 ml van een NaCl-oplossing met de volgende concentraties :
Na 60 minuten centrifugeert hij alle buizen, waardoor in elke buis een bezinkingslaag ontstaat met daarboven een vloeistof.
Hoe wordt de vloeistof genoemd die boven de bezinkingslaag in buis 3 aanwezig is?
afbeelding
Osmose-diffusie
2/3 Bloed.
Aangenomen wordt dat bij het begin van het experiment het aantal rode bloedcellen in iedere buis even groot was.
In welke buis zal na het centrifugeren het kleinste volume aan bezinksel aanwezig zijn?
Osmose-diffusie
3/3 Bloed.
Hoe groot is onder natuurlijke omstandigheden de concentratie van opgeloste deeltjes in rode bloedcellen?
Osmose-diffusie
1/2 Rode bloedcellen.
Het bloedplasma van de mens heeft een gemiddelde concentratie van opgeloste deeltjes die gelijk is aan die van een 0,9% NaCl-oplossing. Bij een experiment worden rode bloedcellen in een oplossing P gelegd met een onbekende concentratie van opgeloste deeltjes. De opgeloste deeltjes in oplossing P kunnen geen celmembraan passeren. Na enige tijd worden de rode bloedcellen onder de microscoop bekeken. Het blijkt dat ze gezwollen zijn.
Is de concentratie van opgeloste deeltjes in deze gezwollen rode bloedcellen kleiner dan, gelijk aan of groter dan die van een 0,9% NaCl-oplossing?
Osmose-diffusie
2/2 Rode bloedcellen.
Terwijl de gezwollen rode bloedcellen nog onder de microscoop liggen, wordt een oplossing Q onder het dekglaasje gebracht. Het volume van de cellen wordt daardoor kleiner.
Is de concentratie van opgeloste deeltjes in oplossing Q kleiner dan, gelijk aan of groter dan die in oplossing P?
Osmose-diffusie
1/2 Aardappelstaafjes.
Uit een verse aardappel wordt een aantal staafjes gesneden. De lengte van ieder staafje wordt gemeten. Daarna wordt elk staafje in een NaCl-oplossing gelegd. De oplossingen hebben alle een verschillende concentratie. Na 24 uur worden de lengten opnieuw gemeten. De meeste staafjes blijken van lengte te zijn veranderd, alleen staafje P dat in een 0,5 % NaCl-oplossing heeft gelegen, is even lang gebleven.
Is de turgor van de cellen van staafje P aan het eind van de proef kleiner dan, gelijk aan of groter dan aan het begin van de proef?
Osmose-diffusie
2/2 Aardappelstaafjes.
Staafje Q heeft in een 0,1% NaCl-oplossing gelegen.
Is in staafje Q aan het eind van de proef de concentratie opgeloste deeltjes in het vacuolevocht van de cellen kleiner dan, gelijk aan of groter dan die in staafje P aan het eind van de proef?
Osmose-diffusie
1/2 Aardappelreepjes. Zie figuur B 414 van de bijlage.
Reepjes aardappel, gesneden uit dezelfde verse aardappel, werden in glucose-oplossingen van verschillende concentraties gelegd. De reepjes hadden een gelijke lengte en dikte. Na een uur werd de lengteverandering van de reepjes gemeten.
Van de verkregen resultaten werd het afgebeelde diagram gemaakt. Aan het eind van de proef worden drie aardappelreepjes met elkaar vergeleken:
- de aardappelreepjes die respectievelijk in de 1%, de 2% en de 5% glucose-oplossing hebben gelegen.
Welke van deze reepjes is het slapst?
afbeelding
Osmose-diffusie
2/2 Aardappelreepjes.
Een vers gesneden reepje aardappel werd een uur in een glucose-oplossing van 3% gelegd. Het reepje werd daarna in een ruime hoeveelheid van een bepaalde vloeistof gelegd waardoor het zijn oorspronkelijke gewicht terugkreeg en behield.
In welke vloeistof werd het aardappelreepje gelegd?
Osmose-diffusie
1/4 Zilte schijnspurrie en Stomp kweldergras.
Tekst: Op verschillende plaatsen langs wegen worden de laatste jaren plantensoorten aangetroffen die vroeger alleen langs de zeekust voorkwamen. De oorzaak daarvan is het overvloedig strooien van pekel in de winter. Pekelzout is voornamelijk NaCl. Het gaat in dit geval om de plantensoorten Zilte schijnspurrie (Spergularia salina) en Stomp kweldergras (Puccinellia distans). Planten van beide soorten groeien op kale plaatsen in zilte terreinen. Kale plaatsen zijn vaak het gevolg van betreding, waardoor de grond wordt verdicht.
bewerkt naar: Nederlandse Oecologische Flora, deel 1, E. J. Weeda e.a., Hilversum, 1985, 202
Zilte schijnspurrie en Stomp kweldergras zijn geen nauw verwante soorten.
Geef aan waaruit dat blijkt.
Osmose-diffusie
2/4 Zilte schijnspurrie en Stomp kweldergras.
Kweldergras blijkt in laboratoriumomstandigheden ook goed te groeien in een bodem zonder zout. In de vrije natuur komt kweldergras op niet zoute bodems nauwelijks voor. Els denkt dat kweldergras op niet-zoute bodems concurrentie ondervindt van andere grassen, bijvoorbeeld van raaigras. Els wil deze veronderstelling onderzoeken en voert daartoe een experiment uit. Zij heeft de beschikking over de volgende materialen:
- zaden van raaigras, - zaden van kweldergras, - potten, - potgrond, - water.
Beschrijf een werkplan dat Els voor dit experiment kan gebruiken.
Osmose-diffusie
3/4 Zilte schijnspurrie en Stomp kweldergras.
Beschrijf een mogelijk resultaat van dit experiment dat de veronderstelling van Els bevestigt.
Osmose-diffusie
4/4 Zilte schijnspurrie en Stomp kweldergras.
Door het strooien van pekel komen zoutminnende planten, zoals Zilte schijnspurrie, meer voor. Toch worden de meeste bermplanten nadelig beïnvloed door deze pekel.
Leg met behulp van het begrip osmotische waarde uit wat de invloed van de pekel is op de meeste bermplanten.
Osmose-diffusie
1/2 Osmose in plantencellen. Zie figuur B 2620 van de bijlage.
Een onderzoeker beschikt over twee plantencellen. De osmotische waarde van het vacuolevocht is bij deze cellen gelijk. Hij onderzoekt de volumeverandering van deze cellen, die optreedt als de cellen in bepaalde oplossingen worden gelegd. Hij legt deze cellen eerst in een oplossing die een iets lagere osmotische waarde heeft dan het vacuolevocht. Vervolgens brengt hij op tijdstip t = 0 de cellen over in gedestilleerd water. Beide cellen hebben op tijdstip t = 0 hetzelfde volume. Hij meet de volumeverandering van de cellen 1 en 2 vanaf t = 0 en zet zijn resultaten uit in twee grafieken (zie de afbeelding).
Kan het verschil in volumeverandering tussen cel 1 en cel 2 worden verklaard door een verschil in elasticiteit van de celwanden? Zo ja, is de wand van cel 1 meer of minder elastisch dan die van cel 2?
-
afbeelding
Osmose-diffusie
2/2 Osmose in plantencellen.
Is de stevigheid van cel 1 op tijdstip P kleiner dan, gelijk aan of groter dan die op tijdstip t = 0?
afbeelding
Osmose-diffusie
1/2 Een plantencel. Zie figuur B 1444 van de bijlage.
De afbeelding geeft een plantencel weer waarbij het celmembraan heeft losgelaten van de celwand. Drie plaatsen zijn aangegeven met X, Y en Z. Op de plaatsen Y en Z bevindt zich de zoutoplossing die deze toestand veroorzaakt. In de getekende toestand neemt het volume van de cel nog af. Zoutdeeltjes zijn van plaats Z naar plaats Y gegaan.
Is deze verplaatsing gebeurd door actief transport, door diffusie of door osmose?
afbeelding
Osmose-diffusie
2/2 Een plantencel. Zie figuur B 1444 van de bijlage.
Is in de getekende toestand de concentratie van opgeloste deeltjes op plaats X lager dan, gelijk aan of hoger dan die op plaats Z?