Oefentoets Biologie: Ecologie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 18
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
20
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
HAVO 4, HAVO 5
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Ecologie
4/4 Vegetatiezones.
De vegetatie rond het meer veranderde toen het meer droogviel. Sommige plantensoorten werden verdrongen door andere soorten (I); sommige soorten veranderden geleidelijk en uit deze soorten ontwikkelden zich weer nieuwe soorten (II).
Kan een verschil in tolerantie een oorzaak zijn van proces I? Kan een verandering in tolerantie een gevolg zijn van proces II?
afbeelding
Ecologie
1/4 Hazen en ganzen.
Tekst: Van het eiland Schiermonnikoog wordt de kwelder, een gebied dat ontstaat door afzetting van klei door de zee, steeds groter. In de loop van de tijd ontstaan er hoger en lager gelegen delen in de kwelder. Op de kwelder ontstaat een vegetatie die begraasd wordt door hazen, konijnen, rotganzen, brandganzen en grauwe ganzen. Vooral tussen hazen en rotganzen hebben onderzoekers interessante relaties ontdekt. In het voorjaar van de jaren negentig van de vorige eeuw graasden rond de 2000 rotganzen op de kwelder. In de winter waren de rotganzen er niet. De hazen eten bij voorkeur van struikachtige planten als zeealsem en gewone zoutmelde. Zeealsem groeit vooral op de middelhoge kwelder, gewone zoutmelde vooral op de laaggelegen delen. De groeiplaats blijkt samen te hangen met de zouttolerantie.
bron: R van der Wal, Rotgans zonder haas het haasje, De onvrije natuur, 11-16
Schets in één diagram zowel een mogelijke tolerantiegrafiek van zeealsem voor de factor zoutgehalte van de bodem als een mogelijke tolerantiegrafiek van gewone zoutmelde voor de factor zoutgehalte van de bodem.
Ecologie
2/4 Hazen en ganzen.
Als de laaggelegen kwelder ouder wordt, overwoekert gewone zoutmelde de favoriete voedselplanten van de rotgans (gewoon kweldergras, schorrezoutgras en zeeweegbree). De vegetatie op de kwelder krijgt een ander aanzien.
Geef de naam van het verschijnsel dat de vegetatie op de kwelder in de loop van de tijd verandert. Deze naam is [invulveld]
Ecologie
3/4 Hazen en ganzen. Zie figuur B 3744 van de bijlage.
Doordat de hazen 's winters veel gewone zoutmelde aten, veranderde de situatie: de grassen kregen weer een kans. Dit was gunstig voor de in de lente terugkerende rotgans. Onderzoekers formuleerden de hypothese dat de aanwezigheid van hazen gunstig is voor rotganzen. Zij toetsten die hypothese met behulp van een experiment waarvan de resultaten zijn weergegeven in de afbeelding. Het aantal rotganzen werd bepaald door wekelijks het aantal ganzenkeutels te tellen.
Leg met behulp van de afbeelding en de informatie uit de tekst uit welke werkwijze de onderzoekers bij hun experiment hebben toegepast.
afbeelding
Ecologie
4/4 Hazen en ganzen. Zie figuur B 3745 van de bijlage.
In de afbeelding is te zien dat de populatiedichtheid van de rotgans, in aanwezigheid van hazen, na verloop van tijd toch begint te dalen. Een leerling bestudeert de afbeelding en concludeert hieruit dat dit komt doordat hazen het oprukken van zoutmelde niet langer dan circa 22 jaar kunnen tegenhouden en daarna tekort schieten.
Is die conclusie juist? Leg je antwoord uit.
afbeelding
Ecologie
1/5 De Kardinaalsmuts. Zie figuur B 2698 van de bijlage.
Tekst: Planten en dieren in het duingebied onderhouden verschillende voedselrelaties met elkaar, maar de Kardinaalsmuts weet wel erg veel eindjes aan elkaar te knopen. Voor de Zwarte bonenluis, een bladluizensoort, is deze struik een belangrijke redder in de winter: op de slapende knoppen komen de eitjes probleemloos de winter door. In maart-april boren de larfjes uit deze eitjes meteen vaatbundels aan om aan sap te komen. In korte tijd ontstaat uit ieder larfje een stammoeder, die in zich een groot aantal embryo's draagt, zonder dat er een mannetje aan te pas is gekomen. Mieren melken zwarte bonenluizen en vreten de rupsen van stippelmotten. In de tweede helft van mei verschijnen in de kardinaalsmuts namelijk veel spinsels met daarin eieren van een stippelmotje. De rupsen die uit de eieren in de spinsels ontstaan, doen zich tegoed aan de bladeren van de kardinaalsmuts, maar worden zelf ook gegeten door vogels, sluipwespen en roofwantsen. In oktober vormt de kardinaalsmuts roze vruchten met opvallende oranje zaden. Vogels eten deze zaden graag als ze geen rupsen meer kunnen vinden. In de winter wordt de kardinaalsmuts ook nog eens geschild door konijnen die de bast tot konijnenhoogte afknagen waardoor er een witte kale stam overblijft. Ook dat overleeft de plant door de aanmaak van nieuwe vaatbundels uit diep in het hout gelegen groeiweefsel.
Teken een voedselnet waarin de organismen die in de tekst zijn onderstreept, verwerkt zijn. Plaats de pijlen die de voedselrelaties tussen deze organismen weergeven.
afbeelding
Ecologie
2/5 De Kardinaalsmuts. Zie figuur B 2710 van de bijlage.
In de vaatbundels bestaat een sapstroom met water en vooral voedingszouten en een sapstroom met water en vooral organische stoffen. In de afbeelding is een doorsnede van een blad schematisch weergegeven. In de vaatbundel zijn twee delen met vaten aangegeven.
Welke van de getekende vaten 1 en 2 worden door de luizen aangeboord? Verklaar je antwoord.
afbeelding
Ecologie
3/5 De Kardinaalsmuts. Zie figuur A 179 van de bijlage.
Tekst 2: De Kardinaalsmuts komt in Nederland vooral in de kalkrijke duinen voor: het gebied van Zeeland tot Bergen in Noord-Holland. In het kalkarme deel van het duingebied van Bergen tot Den Helder en op de Waddeneilanden komt de Kardinaalsmuts niet voor. Voor bijvoorbeeld Struikheide geldt het omgekeerde: deze plantensoort vind je vooral in het noordelijk duingebied en niet ten zuiden van Bergen (zie de afbeelding). In het duingebied verandert bij het duinreservaat 'de Verbrande Pan' tussen Egmond en Bergen zowel het kalkgehalte als de vegetatie heel duidelijk en zie je beide plantensoorten soms tegelijk.
Teken met gebruik van hetzelfde assenstelsel twee mogelijke grafieken met betrekking tot de tolerantie voor kalk: de ene grafiek moet het tolerantiegebied van de Kardinaalsmuts voor kalk weergeven en de andere het tolerantiegebied van Struikheide voor kalk. Het verloop van de grafieken moet overeenkomen met de gegevens in de tekst hierboven. Benoem de horizontale as van het diagram. Zet bij de verticale as de overlevingskans in %. Stel daarbij de maximale overlevingskans op 100%. Geef duidelijk aan welke grafiek van Kardinaalsmuts is en welke van Struikheide.
afbeelding
Ecologie
4/5 De Kardinaalsmuts.
Leg uit wat de functie is van de roze kleur van de vruchten voor de overlevingskans van de Kardinaalsmuts (als soort).
Ecologie
5/5 De Kardinaalsmuts.
Ontstaan de cellen voor de vorming van de nieuwe vaatbundels bij een kardinaalsmuts door meiose of door mitose? En de cellen van het vruchtvlees?
Ecologie
1/3 Sapspechten. Zie figuur B 1392 van de bijlage.
In de Verenigde Staten van Amerika leven in bossen bepaalde soorten spechten. Deze spechten hakken in bomen gaten tot in het hout. Uit deze gaten komt vocht naar buiten, dat deze spechten oplikken. Deze spechten worden in verband met hun voedingswijze 'sapsuckers' (sapspechten) genoemd. Het opgelikte vocht is hun belangrijkste voedsel. Het vocht dat naar buiten komt, is bovendien voedsel voor insecten. Deze insecten worden ook door de sapspechten gegeten.
In de tekst worden bomen, spechten en insecten genoemd waartussen voedselrelaties bestaan.
Teken een voedselweb waarin je de voedselrelaties tussen deze organismen weergeeft. Geef bij de organismen aan of ze producenten, consumenten of reducenten zijn.
afbeelding
Ecologie
2/3 Sapspechten.
Is er in de relatie tussen de sapspechten en de insecten sprake van competitie? En is er in deze relatie sprake van predatie?
Ecologie
3/3 Sapspechten.
De spechten hakken de gaten tot in het hout. In een bepaald seizoen blijken uit het hout van de bladverliezende loofbomen organische voedingsstoffen te stromen die via de houtvaten omhoog worden vervoerd.
In welk seizoen is dit het geval?
Ecologie
1/3 Vossen en konijnen. Zie figuur A 585 van de bijlage.
In een bepaald gebied komen zowel vossen als konijnen voor in jaarlijks wisselende aantallen. Van 1970 tot en met 1985 werd elk jaar het gemiddelde aantal konijnen en het gemiddelde aantal vossen vastgesteld. Het diagram in de afbeelding geeft de resultaten van deze tellingen weer waarbij de linker Y-as het aantal konijnen weergeeft en de rechter het aantal vossen.
Aan welke voorwaarde moet zijn voldaan om alle konijnen in dit gebied tot een populatie te kunnen rekenen?
afbeelding
Ecologie
2/3 Vossen en konijnen. Zie figuur A 585 van de bijlage.
Uit het diagram in de afbeelding blijkt dat er elk jaar meer konijnen zijn dan vossen. Een vos is veel groter dan een konijn. Toch is de jaarlijks geproduceerde biomassa van vossen in dit gebied kleiner dan de jaarlijks geproduceerde biomassa van konijnen.
Noem twee oorzaken waardoor de totale biomassa van vossen geringer is dan de totale biomassa van door vossen opgegeten konijnen.
afbeelding
Ecologie
3/3 Vossen en konijnen. Zie figuur A 586 van de bijlage.
Ondanks de schommelingen in populatiegrootte houden de vossen en konijnen in dit gebied elkaar in evenwicht. Er is in de relatie tussen vossen en konijnen theoretisch sprake van een negatieve terugkoppeling waardoor al te grote schommelingen in beide populaties worden voorkomen.
In de afbeelding zijn vier schema's weergegeven.
Welk van deze schema's geeft dit terugkoppelingssysteem juist weer?
afbeelding
Ecologie
1/2 Opwellingsgebieden. Zie figuur B 1382 van de bijlage.
In de oceanen bestaan opwellingsgebieden. Dit zijn plaatsen waar zeewater uit de diepte aan het oppervlak komt door een sterke opwaartse stroming zoals in de afbeelding schematisch is weergegeven. Dit opwellende water bevat grote hoeveelheden voedingszouten. Voor de kust van Peru ligt een dergelijk opwellingsgebied. In Peru wordt vogelmest (guano) die in grote hoeveelheden op eilanden voor de kust wordt aangetroffen, gebruikt om akkers te bemesten. Het vóórkomen van deze grote hoeveelheden vogelmest is te danken aan dit opwellingsgebied.
Leg uit waardoor het bestaan van een opwellingsgebied voor de kust tot zoveel vogelmest leidt.
afbeelding
Ecologie
2/2 Opwellingsgebieden.
In het algemeen verschillen de levensomstandigheden in de buurt van de oceaanbodem zeer sterk van die aan het oppervlak.
Zie de onderstaande tabel. Geef aan de hand van het antwoordvak onder deze tabel twee abiotische factoren die bij de bodem en aan het oppervlak zeker verschillend zullen zijn. Vul naast elke factor in hoe deze is bij de bodem en aan het oppervlak, bijvoorbeeld laag - hoog, veel - weinig en dergelijke.
afbeelding
Ecologie
1/4 Stippelmotten. Zie de figuren B 6820 en C 342 van de bijlage.
In Nederland komen verschillende soorten stippelmotten van het genus (geslacht) Yponomeuta voor. De rupsen van deze vlinders worden doorgaans op slechts één plantensoort aangetroffen. Men spreekt dan van voedselspecialisatie. De verschillende soorten stippelmotten hebben verschillende soorten voedselplanten, waaronder de appel en de pruim. Rupsen van stippelmotten zorgen soms voor aanzienlijke schade aan fruitbomen.
In de afbeelding is te zien wat de voornaamste voedselplanten van de verschillende stippelmotsoorten zijn.
Is Yponomeuta padellus een voedselspecialist? Leg je antwoord uit.