Oefentoets Biologie: Voeding - algemeen | HAVO 4/HAVO 5 | variant 2

Deze oefentoets bevat 53 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

53

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voeding

Voeding.

In onderstaande tabel is voor zeven verschillende personen (kolom 1 t/m 7) aangegeven de behoefte aan calorieën en enkele voedingsstoffen per dag.
In kolom 1 staat aangegeven de behoefte van een normale, volwassen man.

afbeeldingafbeelding

Welke kolommen van de hier bovenstaande tabel geven respectievelijk aan de normale behoefte aan calorieën en de genoemde voedingsstoffen van:

een baby van 3 maanden (X);
een volwassen vrouw die iets kleiner is dan een volwassen man (Y);
een volwassen vrouw die drie maanden zwanger is (Z)?




-

Voeding

Voedingsstoffen.

Enkele bestanddelen van het voedsel van de mens zijn: eiwitten, koolhydraten en vetten.

Welke van deze voedselbestanddelen kunnen stoffen leveren die zowel bij de assimilatie als bij de dissimilatie in cellen worden gebruikt?

Voeding

Voedsel.

Over het voedsel van de mens worden de volgende beweringen gedaan:

1. Overtollige aminozuren uit het voedsel kunnen als aminozuren worden opgeslagen in de lever.
2. Sommige eiwitten kunnen in de lever alleen worden opgebouwd als in het voedsel bepaalde aminozuren voorkomen.
3. De mens ondervindt schade aan de gezondheid wanneer in het voedsel gedurende lange tijd vetten ontbreken.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Voeding

Een stukje lever.

Iemand eet een stukje gebakken lever.

Welke van de voedingsstoffen eiwitten, koolhydraten en vetten krijgt hij met de gebakken lever binnen?

afbeeldingafbeelding

Voeding

Voedsel.

Drie bestanddelen van het voedsel van de mens zijn: eiwit, glycogeen en vet.

Welke van deze bestanddelen kunnen zowel van dierlijke als van plantaardige oorsprong zijn?

Voeding

Gewichtstoename.

Een echtpaar eet gedurende de maand december meer dan normaal en neemt daardoor sterk in gewicht toe. In die maand bevat hun voedsel een overmaat aan eiwitten, koolhydraten en vetten. Bij onderzoek blijkt dat hun sterke gewichtstoename grotendeels veroorzaakt is door het aanzienlijk dikker worden van de laag onderhuids vetweefsel.

Uit welke stoffen in hun voedsel kan direct of indirect het vet zijn gevormd dat zich nu onder hun huid bevindt?

Voeding

Samenstelling voedsel.

In het spijsverteringsstelsel van de mens ontstaat maltose (een koolhydraat) bij de vertering van zetmeel.
Sommige voedselbestanddelen zijn met behulp van indicatoren aan te tonen. In tabel 1 worden drie indicatoren genoemd met de daarbij optredende reacties met maltose, zetmeel, glycogeen en eiwitten.
afbeeldingafbeelding
Een hoeveelheid voedsel van onbekende samenstelling wordt getest op de aanwezigheid van maltose, zetmeel, glycogeen en eiwitten.
Dat voedsel wordt tevens behandeld met een onbekend mengsel enzymen. Na drie uur worden de omzettingen beëindigd. De dan aanwezige stoffen worden getest met de drie indicatoren.
De resultaten van deze twee series proeven staan in tabel 2.
afbeeldingafbeelding
De onderzoeker vraagt zich af of het onderzochte voedsel voedingsstoffen kan bevatten van dierlijke en/of van plantaardige oorsprong.

Wat kan worden gezegd over de oorsprong van het voedsel?





-

Voeding

Gebreksziekte.

Een voorbeeld van een gebreksziekte is scheurbuik.
Bij mensen, maar ook bij cavia's die geen verse groenten of fruit eten, ontwikkelt zich na enige tijd de ziekte scheurbuik.
Bij ratten die nooit zulke verse producten krijgen, ontwikkelt zich geen scheurbuik.

Hierover worden drie beweringen gedaan:

1. Ratten beschikken over andere processen in hun stofwisseling dan mensen en cavia's.
2. Ratten hebben een natuurlijke immuniteit tegen scheurbuik.
3. Ratten produceren zelf alle organische stoffen die in groenten en fruit voorkomen.

Welke van de gedane beweringen is of welke zijn juist?

Voeding

Cavia's en scheurbuik.

Het voedsel van vijfentwintig cavia's bestond alleen uit vetten, koolhydraten, eiwitten, zouten en water. Zij kregen allemaal scheurbuik.
Vijfentwintig andere cavia's kregen ook dit voedsel, maar hieraan was vers sinaasappelsap toegevoegd. Zij kregen geen scheurbuik.

Welke conclusie is op grond van deze gegevens juist?

Voeding

Tandplak.

Bacteriën die zich altijd in de mond en op de tanden en kiezen bevinden, krijgen bij een slechte mondhygiëne de gelegenheid een afdeklaag te vormen die hen van de lucht afsluit.
Het zuur dat zich ophoopt onder deze afdeklaag, kan het glazuur aantasten met gaatjes als gevolg.
De combinatie van bacteriën en afdeklaag wordt tandplak genoemd.
In deze bacteriën komen stofwisselingsprocessen voor die ook bij de mens voorkomen.

Leg uit waardoor de aanwezigheid van bacteriën en een afdeklaag tot de vorming van zuur leidt. Geef daarbij ook aan welk stofwisselingsproces daarbij optreedt en welk zuur waarschijnlijk ontstaat.

Voeding

1/2 Vitamines.
Zie figuur C 85 van de bijlage.

Over het belang van vitamines zijn de meningen verdeeld. Uitspraken als ‘vitamines genezen vele kwalen' of ‘wat extra vitamines kan nooit kwaad', worden door sommigen verdedigd, maar worden in het algemeen vanuit voedingsoogpunt niet ondersteund en zelfs tegengesproken.

In de afbeelding C 85 is voor een aantal bevolkingsgroepen in Nederland aangegeven hoeveel van bepaalde vitamines volgens de gangbare voedingsleer wordt aanbevolen. Daarnaast is aangegeven hoeveel van deze vitamines werkelijk door deze bevolkingsgroepen wordt geconsumeerd.
Op grond van de tabel zijn er enkele bevolkingsgroepen aan te wijzen voor wie extra opname van een bepaalde vitamine zinvol zou kunnen zijn.

Noem zo'n bevolkingsgroep en de vitamine waarom het gaat.

afbeeldingafbeelding

Voeding

2/2 Vitamines.
Zie figuur C 85 van de bijlage.

Kun je op grond van de gegevens uit de tabel zeggen dat je zelf voldoende vitamine C binnenkrijgt?
Licht je antwoord toe.

afbeeldingafbeelding

Voeding

1/6 Zaden.
Zie figuur B 2407 van de bijlage.

Zaden spelen een belangrijke rol als voedselbron voor de mens, doordat in zaden reservestoffen zijn opgeslagen in het endosperm of in de zaadlobben.
afbeeldingafbeelding

Soorten worden samengevoegd in een genus (geslacht), genera (geslachten) in een familie, families in een orde, orden in een klasse. Bij ieder van deze groepen horen kenmerken.

Is op grond van de informatie in de tabel de plaats waar de reservestoffen worden opgeslagen een kenmerk voor de soort, het genus, de familie of de klasse?





-

afbeeldingafbeelding

Voeding

2/6 Zaden.

Zaden kunnen na verspreiding kiemen.
Bij sommige zaden zijn energierijke stoffen niet alleen in het endosperm of de zaadlobben aanwezig, maar ook buiten de beschermende zaadhuid.
Deze stoffen buiten de zaadhuid bevorderen het verspreiden van de zaden.

Op welke wijze worden deze zaden waarschijnlijk verspreid? Leg het verband tussen de verspreidingswijze en de energierijke stoffen uit.

Voeding

3/6 Zaden.

Een veganist eet geen dierlijke producten zoals vlees, vis, melk en eieren.
Daardoor kan een veganist een tekort krijgen aan bepaalde voedingsstoffen.
Dit tekort kan voorkómen worden door bepaalde zaden in het voedingspakket op te nemen.

afbeeldingafbeelding

Welke van onderstaande zaden zijn hiervoor het meest geschikt?




-

Voeding

4/6 Zaden.

Sommige veganisten geven voor hun voedingswijze een argumentatie die verband houdt met het wereldvoedselprobleem.
Het wereldvoedselprobleem houdt in dat er een tekort dreigt aan voedsel voor de mensheid.

Geef met behulp van biologische begrippen een argumentatie, waaruit blijkt dat een veganistische leefwijze het wereldvoedselprobleem zou kunnen verminderen.

Voeding

5/6 Zaden.

Tarwezaden bevatten een hoog gehalte aan zetmeel.
Zetmeel wordt uit glucose gevormd.

De omzetting van glucose in zetmeel in zaden heeft een functie in verband met het osmotische evenwicht tussen de cellen en hun omgeving.

Leg dit uit.



-

Voeding

6/6 Zaden.

Eiwitten behoren tot de reservestoffen die in zaden voorkomen. Een plant bouwt eiwitten op uit aminozuren.

Uit welke van de volgende stoffen die de plant uit het milieu opneemt, worden aminozuren gemaakt?

Voeding

1/3 Eiwitten remmen hongerhormoon.

Na een maaltijd met veel zuiveleiwitten duurt het langer voordat je weer honger krijgt, ontdekte drs. Wendy Blom. "Er zijn hormonen die er voor zorgen dat we honger krijgen of juist een verzadigd gevoel hebben", zegt Blom. "Al die hormonen samen bepalen het eetgedrag. Het hormoon waarnaar ik heb gekeken heet ghreline." De maag maakt ghreline aan als hij leeg is. Een hoge ghrelineconcentratie maakt dat we zin krijgen in eten. "Hoeveel we eten tijdens een maaltijd heeft niets met ghreline te maken", zegt Blom. "Ghreline bepaalt alleen wanneer we willen gaan eten."

Blom ontdekte dat maaltijden waarbij proefpersonen een flinke hoeveelheid zuiveleiwitten innemen de aanmaak van het hongerhormoon onderdrukken. Eiwitten uit vlees onderdrukken het hongerhormoon nauwelijks.

Blom ontdekte ook een verhoogde afgifte van glucagon na eiwitrijke maaltijden. Hoe hoger het glucagongehalte, hoe langer het duurde voor de ghrelinespiegel weer steeg. Blom wil met haar onderzoek niet zeggen dat afslankers het aandeel zuiveleiwit van hun maaltijden moeten opschroeven. Er blijkt een groot verschil in onderdrukking van ghrelineafgifte te zijn tussen eiwitten uit rundvlees en eiwitten uit zuivelproducten. Toch zijn beide soorten eiwitten afkomstig van runderen.

Enkele feiten over runderen zijn:

1. Runderen die voor de vleesproductie worden gehouden, behoren tot veelal andere rassen dan runderen die voor de melkproductie worden gebruikt.
2. Vlees dat we consumeren is grotendeels afkomstig van jonge runderen, melk van oudere.
3. In de melksecreterende cellen van de uiers zijn andere genen actief dan in de spiercellen.
4. Runderen die voor de vleesproductie dienen, krijgen veelal ander voer dan runderen die voor de melkproductie worden gebruikt.

Welke van deze feiten geeft de beste verklaring voor het verschil in eiwitsamenstelling tussen zuivel en vlees?




-

Voeding

2/3 Eiwitten remmen hongerhormoon.
Zie figuur B 4392 van de bijlage.

Blom beweert dat teveel eiwitten eten niet gezond is. Een van de argumenten hiervoor is dat een overschot aan eiwit niet in het lichaam kan worden opgeslagen. Van twee stoffen, ureum en aminozuren, wordt de concentratie bepaald in de aders S en T (zie de afbeelding).

De eerste meting vindt plaats na een eiwitarme maaltijd, de tweede meting na een eiwitrijke maaltijd.

In welk van deze bloedvaten zijn de ureum- en de aminozuurconcentratie het hoogst na een eiwitarme maaltijd?
- In welk van deze bloedvaten zijn de ureum- en de aminozuurconcentratie het hoogst na een eiwitrijke maaltijd?

afbeeldingafbeelding




-

afbeeldingafbeelding

Voeding

3/3 Eiwitten remmen hongerhormoon.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen endocriene en exocriene klieren.

Bevat de maagwand alleen endocriene, alleen exocriene of zowel endocriene als exocriene klieren?

Voeding

1/5 Gezonde voeding?
Zie figuur C 85 van de bijlage.

Over het belang van vitamines zijn de meningen verdeeld. Uitspraken als ‘vitamines genezen vele kwalen' of ‘wat extra vitamines kan nooit kwaad', worden door sommigen verdedigd, maar worden in het algemeen vanuit voedingsoogpunt niet ondersteund en zelfs tegengesproken.

In de afbeelding C 85 is voor een aantal bevolkingsgroepen in Nederland aangegeven hoeveel van bepaalde vitamines volgens de gangbare voedingsleer wordt aanbevolen. Daarnaast is aangegeven hoeveel van deze vitamines werkelijk door deze bevolkingsgroepen wordt geconsumeerd.
Op grond van de tabel zijn er enkele bevolkingsgroepen aan te wijzen voor wie extra opname van een bepaalde vitamine zinvol zou kunnen zijn.

Noem zo'n bevolkingsgroep en de vitamine waarom het gaat.

afbeeldingafbeelding

Voeding

1/4 Stofwisseling van ijzerionen.
Zie figuur B 2241 van de bijlage.

Hemoglobine bevat ijzerionen. In het schema van de afbeelding is weergegeven op welke wijze ijzerionen in het bloed terechtkomen. Verder zijn enkele organen genoemd die een rol spelen bij de stofwisseling van ijzerionen.
Gemiddeld wordt 12% van de ijzerionen uit het voedsel in het verteringskanaal geresorbeerd. Deze ijzerionen worden met de bloedstroom vervoerd, waarbij ze zijn gebonden aan het plasma-eiwit transferrine. De ijzerionen worden losgekoppeld van transferrine op plaatsen waar ze worden gebruikt. IJzerionen kunnen als onderdeel van verbindingen in de lever worden opgeslagen.
Slechts 12% van de ijzerionen die de mens met het voedsel opneemt, komt in het bloed terecht.

Langs welke weg gaat de overige 88% verloren?

afbeeldingafbeelding

Voeding

2/4 Stofwisseling van ijzerionen.

Met de urine verliest het lichaam nauwelijks ijzerionen. Dit hangt samen met de wijze waarop deze in het bloed worden getransporteerd.

Geef aan waardoor deze wijze van transporteren het verlies van ijzerionen met de urine beperkt houdt.

Voeding

3/4 Stofwisseling van ijzerionen.

Volgens het Voorlichtingsbureau voor de Voeding verliezen volwassen mannen per maand 27 mg van de ijzerionen die in hun lichaam aanwezig zijn. Dit verlies is bij volwassen vrouwen in de vruchtbare leeftijd gemiddeld 51 mg per maand.

Noem de oorzaak voor dit verschil tussen mannen en vrouwen.

De oorzaak zit in de/het [invulveld].

Voeding

4/4 Stofwisseling van ijzerionen.
Zie figuur B 2241 van de bijlage.

Een leerling maakt uit het schema van de afbeelding het volgende op: na resorptie vanuit de dunne darm worden de ijzerionen door het bloed rechtstreeks naar het beenmerg, de lever, de nieren en andere organen vervoerd. Dit is niet juist. In dit schema is namelijk geen rekening gehouden met de bloedsomloop.

Teken uitgaande van 'ijzerionen in het bloed' (zie de afbeelding B 2241), een nieuw schema voor het vervoer van ijzerionen via het bloed naar het beenmerg, de lever, de nieren en andere organen, waarbij wèl rekening is gehouden met de bloedsomloop.

afbeeldingafbeelding

Voeding

1/4 Tropenjaren.

'Tropenjaren tellen dubbel' is een gezegde. In de negentiende eeuw waren er twee opvattingen over de mogelijkheid tot aanpassing van blanken aan het klimaat in de tropen.
Veel Nederlanders hadden moeite met de tropische omstandigheden in het toenmalige Nederlandsch-Indië.
Volgens de arts Junghuhn kwam dat doordat zij lichamelijk niet tot aanpassing aan de hitte in staat waren.
Volgens de arts Swaving was aanpassing best mogelijk, maar hielden de Nederlanders er een verkeerde leefwijze op na.

bron: Annemarie de Knecht-van Eekelen, 'Het tropische klimaat eene vijandige magt', Synaps 16, 1996

Het fenotype (F) van een persoon ontstaat onder invloed van erfelijke factoren (genotype: G) en milieufactoren (M): G + M = F

Volgens welke van de twee artsen is het genotype van overwegende invloed op de totstandkoming van het fenotype? Leg je antwoord uit.

Voeding

2/4 Tropenjaren.

Stel een werkplan op voor een onderzoek dat had kunnen aantonen of de arts Swaving gelijk had.

Voeding

3/4 Tropenjaren.

Een andere arts, Eijkman, deed onderzoek naar de lichaamstemperatuur van blanke Nederlanders die in het toenmalige Nederlandsch-Indië matig zware arbeid verrichtten. Hij vergeleek die met de in Nederland gevonden waarden bij een overeenkomstige groep. Deze bleken in beide gebieden gelijk. Vier mogelijke veranderingen van het lichaam zijn:

1. verlaging van de hartslag;
2. vernauwing van de bloedvaten;
3. verlaging van de urineproductie;
4. verhoging van de zweetproductie.

Welke van deze vier veranderingen droeg het meest bij tot het op peil houden van de lichaamstemperatuur van blanke Nederlanders in Nederlandsch-Indië?

Voeding

4/4 Tropenjaren.

Velen dachten dat bij blanken in Nederlandsch-Indië de bloedsamenstelling veranderde waardoor ze gauw moe werden.

Waaraan zouden die blanken dan een tekort hebben gehad?

Voeding

1/7 De beschermende werking van calcium.
Zie figuur B 4684 van de bijlage.

Calcium (Ca2+ ) is een bijzondere voedingsstof. Veel van het ingenomen calcium blijft in de darm achter en wordt niet in het bloed opgenomen. Calcium speelt een belangrijke rol bij bijvoorbeeld de botopbouw. In de afbeelding wordt de hoeveelheid calcium weergegeven die in de ontlasting (feces) wordt aangetroffen in relatie tot de hoeveelheid calcium die men per dag met het voedsel binnenkrijgt.
Het calcium dat niet wordt opgenomen, vervult in de darm een belangrijke functie. Deze functie hangt samen met het feit dat calcium in neutraal milieu (pH = 7) een onoplosbaar zout vormt met negatief geladen ionen zoals fosfaationen of vetzuren. In zuur milieu blijven calcium en de negatief geladen ionen in oplossing. Het calciumfosfaat, Ca3 (PO4 )2 , kan galzuren binden.
Galzuren en vetzuren kunnen de cellen van de wand van de dunne darm beschadigen. Deze cellen worden dan gevoeliger voor bacteriële infecties. Het verloop van de infectie is vrij onschuldig; vrijwel iedereen herstelt, na enkele dagen last te hebben gehad van diarree.

Hoeveel mg calcium wordt, uitgaande van de resultaten in de afbeelding, maximaal per dag in het bloed opgenomen?

afbeeldingafbeelding

Voeding

2/7 De beschermende werking van calcium.

Het calcium vormt in neutraal milieu met fosfaten een onoplosbaar zout.

Van welk van de onderstaande verbindingen kan de fosforgroep in het zout afkomstig zijn?

Voeding

3/7 De beschermende werking van calcium.
Zie figuur C 413 van de bijlage.

Men krijgt last van een bacteriële darminfectie als zuren de slijmlaag van de darmwand aantasten. Galzuren hebben daarnaast een negatief effect op de groei en ontwikkeling van de lichaamseigen bacteriën die zich in de dikke darm bevinden. Deze lichaamseigen bacteriën gaan onder normale omstandigheden de uitbreiding van het aantal ziekteverwekkende bacteriën tegen. Over het nut van calcium in de darm, werden de volgende hypothesen geformuleerd:

1. Calciumfosfaat zal de galzuren en vetzuren neerslaan.
2. Calciumfosfaat zal de groei van lichaamseigen bacteriën in de darm stimuleren.

In een experiment werden de hypothesen getoetst. Ratten kregen normaal voer (20 mmol Ca/kg voer) of met calcium verrijkt voer (180 mmol Ca/kg voer). De concentratie vrije galzuren en vrije vetzuren in de ontlasting werd gemeten. Ook het aantal lichaamseigen bacteriën in de ontlasting werd bepaald. De resultaten zijn in de afbeelding C 413 weergegeven.

- Welke conclusie trek je uit de weergegeven resultaten in diagram 1?
- Welke conclusie trek je uit de weergegeven resultaten in diagram 2?
- Welk van deze conclusies onderschrijven de gestelde hypothesen?




-

afbeeldingafbeelding

Voeding

4/7 De beschermende werking van calcium.
Zie figuur A 1041 van de bijlage.

Behalve bij ratten zijn soortgelijke experimenten met een verzwakte dikke darmbacterie, een bepaalde Escheria coli-stam, bij mensen uitgevoerd. Ook deze bacteriën kunnen infecties veroorzaken. De proefpersonen kregen gedurende veertien dagen voeding met gewone melk of met melk waaruit veel calcium was verwijderd (placebo). Op de tiende dag werden de deelnemers geïnfecteerd met de verzwakte E. coli-stam.

De afbeelding A 1041 toont het verloop van het natgewicht van de feces als maat voor de diarree. In beide groepen is de fecale output op de eerste dag met 180 gram toegenomen, dat komt ongeveer neer op een verdubbeling van de hoeveelheid feces.

Wat stelt de waarde 0 op de Y-as voor?

afbeeldingafbeelding

Voeding

5/7 De beschermende werking van calcium.
Zie figuur A 1041 van de bijlage.

Op basis van welk uit de afbeelding af te lezen resultaat komt men tot de conclusie dat calcium in het voedsel sneller tot herstel van een bacteriële infectie zorgt?

afbeeldingafbeelding

Voeding

6/7 De beschermende werking van calcium.

Een andere darmziekte die werd onderzocht, is darmkanker. Dikke darmkanker komt vaak voor bij mensen in welvarende landen en weinig bij inwoners van landen met een arme bevolking, zoals in delen van Oost-Azië.

De leefwijze kan het risico op het ontwikkelen van darmkanker vergroten. Men heeft vastgesteld dat de inname van calcium omgekeerd evenredig is met het risico op darmkanker. En men heeft vastgesteld dat de inname van rood vlees het risico op darmkanker doet toenemen. Dit laatste wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van heem (= onderdeel van hemoglobine) in rood vlees. In het dekweefsel van de dikke darm zijn regelfactoren aanwezig die de snelheid van de celdeling controleren, zodat er steeds voldoende epitheelcellen bijgemaakt worden. Heem verstoort dit regelmechanisme en veroorzaakt hierdoor een verhoogde delingsactiviteit van dikkedarmwandcellen.

Er zijn in de vorige eeuw veel mensen vanuit Oost-Azië naar Amerika geëmigreerd. Oost-Aziaten kunnen melk niet verdragen, omdat zij lactose-intolerant zijn. Wel gingen zij er toe over om meer rood vlees te eten, iets dat zij in hun vaderland weinig deden. Het vlees konden zij wel goed verteren.

Leg uit waardoor een hoge concentratie heem in de dikke darm de kans op het ontstaan van dikke darmkanker doet toenemen.

Voeding

7/7 De beschermende werking van calcium.

Op basis van een bevolkingsonderzoek onder Oost-Aziatische immigranten in Amerika heeft men geconcludeerd dat de veranderde leefwijze van deze immigranten invloed heeft op het ontwikkelen van dikke darmkanker.

Wat zal het resultaat van dit bevolkingsonderzoek zijn geweest waarop men deze conclusie heeft gebaseerd?

Voeding

3/6 Loodvergiftiging.

Gockel ondervroeg de wijnboeren.
Hij ontdekte dat zij in slechte wijnjaren loodacetaat toevoegden om de wijn een zoetere smaak te geven.
Loodacetaat zou dus de oorzaak kunnen zijn.

Gockel moest dus bewijzen dat de koliek van Poitou veroorzaakt werd door loodacetaat in wijn.

Beschrijf op welke wijze Gockel dit onderzoek zou kunnen doen.

Voeding

4/6 Loodvergiftiging.

Vooral in periodes van koude jaren waren er veel mensen die leden aan de koliek van Poitou.

Leg het verband uit tussen koude jaren en het vóórkomen van de koliek van Poitou.

Voeding

5/6 Loodvergiftiging.
Zie figuur B 5805 van de bijlage.

De medicus A.M.G. Rutten heeft in zijn "Ondergang in bedwelming: Drugs en giften in het West-Romeinse rijk" (Erasmus publishing: 1997), beschreven hoe in het oude Romeinse Rijk met drank en drugs werd omgegaan.

Wijn was een genotmiddel dat, na te zijn gekruid met plantaardige roesmiddelen of gemengd met loodzouten, door alle rangen en standen massaal werd geconsumeerd.

Plinius (23 - 79 na Chr.) schrijft dat op de ontaarde parties "glazen en bekers met erotische afbeeldingen zijn versierd, alsof zuipen alleen niet toereikend is de wellust op te wekken; ze geraken tot waanzin en komen tot vechten waaruit soms de dood voortvloeit."

Zo kan die wijn de oorzaak zijn van sommige vreemde verschijnselen, zoals bij de keizer Caligula (12 - 41 na Chr., zie afbeelding), die een van zijn paarden tot Senator wilde laten benoemen.

Leg het verband tussen zijn gedrag en loodacetaat uit.

afbeeldingafbeelding

Voeding

6/6 Loodvergiftiging.

De alcohol kan niet verantwoordelijk zijn geweest voor de mentale degeneratie en andere uitvalsverschijnselen omdat men de wijn meestal 4 tot 8 keer verdund dronk. Het moeten dus de toegevoegde partydrugs zijn geweest.

Een moderne partydrug is Gamma Hydroxy Boterzuur (GHB). Het is een gevaarlijke drug, die eigenlijk een verdovingsmiddel is. Volgens geruchten is het sterk genoeg om een olifant mee plat te leggen, maar heeft het desondanks zijn intrede gedaan in het uitgaansleven. GHB beïnvloedt de neurotransmitterhuishouding in onze hersenen. Het beïnvloedt voornamelijk de afgifte van serotonine en van acetylcholine. GHB verhoogt van beide neurotransmitters de afgifte.

Wat is het gevolg van de verhoging van de afgifte van neurotransmitters?

Voeding

1/4 Siervruchten.
Zie figuur B 5807 van de bijlage.

In de herfst kun je langs de weg en in etalages grote siervruchten zien liggen: pompoenen (Cucurbita maxima), courgettes (Cucurbita pepo), kalebassen (Cucurbita lagenaria) en Turkse mutsen (Cucurbita maxima). Alle vier groeien deze vruchten onder aan de plant op de grond.

- Tot hoeveel soorten behoren de vier planten met deze vruchten? Leg je antwoord uit.
- En tot hoeveel genera (geslachten)? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Voeding

4/4 Siervruchten.

Waar haalt de plant de mineralen vandaan, die in de vruchten worden gevonden?

Voeding

Mineralen.

Langs welke weg komen mineralen in levende organismen terecht?

Voeding

Quételet-index.
Zie figuur B 5829 van de bijlage.

Eén van de methodes om te bepalen of iemand overgewicht heeft, is de Quételet-index.
Hierbij wordt een verhouding berekend tussen het lichaamsgewicht in kg en de lichaamslengte in meters.

Welke van de onderstaande verhoudingen is de Quételet-index?

afbeeldingafbeelding

Voeding

De Atitlánfuut.

Aan het eind van de jaren zestig werd roofbaars in het meer uitgezet. Dit leidde aanvankelijk niet tot problemen. Voor de indianen betekende het eten van die vis een aanzienlijke aanvulling op hun eenzijdige maïsmenu.

Noem een voedingsstof uit de roofbaars die een aanzienlijke aanvulling betekende op het éénzijdige maïsmenu van de indianen.

Spijsvertering

1/5 Zwemmen gevaarlijk.
ZWEMMEN NA HET ETEN IS GEVAARLIJK.

Zwemmen direct na het eten is ongezond en gevaarlijk. Je kunt maagkramp krijgen of steken in je zij en misschien wel verdrinken. In "Old wives' tales" van Peter Engel en Merrit Malloy (In vertaling: 'Van spinazie word je sterk', uitgeverij BZZToH) wordt dan ook geadviseerd na het eten een uur te wachten alvorens een duik te nemen in het water.

In het vorig jaar bij Bert Bakker verschenen 'Lexicon van hardnekkige misverstanden' van Walter Krämer en Götz Trenkler wordt het advies een sprookje genoemd. "Het verhaal werd vijftig jaar geleden op de wereld gezet door het Amerikaanse Rode Kruis. In een brochure over zwemmen en gezondheid werd afgeraden te water te gaan na het eten, omdat je daarvan maagkramp kon krijgen en mogelijkerwijs zelfs kon verdrinken."

De Amerikaanse sportarts Arthur Steinhaus vroeg begin jaren zestig zwemmers en zwemsters naar eetgewoonten en training. Hij ontdekte dat veel sport- en hobbyzwemmers regelmatig flink aten om daarna baantjes te trekken. Niemand kreeg last van maagkramp en niemand verdronk, aldus Steinhaus. In recentere brochures van het Rode Kruis staat de waarschuwing niet meer, aldus Krämer en Trenkler.

Maar Engel en Malloy zitten iets dichter bij de waarheid dan Krämer en Trenkler. "Als er voedsel in je maag zit", staat in 'Old wives' tales', krijg je vlugger maagkrampen. Dat zit zo: om de spijsvertering te bevorderen, pompt het hart een grote hoeveelheid bloed naar de maag. Tijdens lichaamsbeweging pompt het hart bloed naar de spieren en neemt de bloedstroom naar de maag aanzienlijk af. Zonder bloedtoevoer krijgen de maagspieren een gebrek aan zuurstof en verkrampen ze, zoals elke spier die niet voldoende zuurstof krijgt. De spijsvertering en de lichaamsbeweging zijn verwikkeld in een gevecht om hulp van het lichaam."

En dat is nog maar de helft van de waarheid. Maagkrampen zijn nog tot daaraan toe, een hartstilstand is ernstiger. "Het hart is in staat slechts een bepaalde hoeveelheid bloed uit te pompen", zegt dr. G. van de Bos, arts/fysioloog aan de Vrije Universiteit Amsterdam. "In rust is dat 5 liter bloed per minuut, maar bij topsport kan dat oplopen tot 25 of zelfs 30 liter per minuut.
"Om het voedsel te verteren, hebben de darmen bloed nodig. Daarin worden immers de voedingsstoffen opgenomen. Als de darmen en de spieren tegelijkertijd van het hart bloed willen hebben, moet het hart kiezen. In het uiterste geval kan het hart het dan opgeven. Nu zullen de risico's niet al te groot zijn bij een kleine en lichte maaltijd, maar een royale lunch met behoorlijk wat vet en direct daarop zware lichamelijke inspanning - sauna, flink stuk fietsen, zwemmen - kan fataal worden. Vooral ouderen die te zwaar zijn, moeten uitkijken", zegt Van de Bos.

Engel en Malloy adviseren een uur te wachten alvorens in het water te duiken. Van de Bos zegt dat het ongeveer twee uur duurt voordat het voedsel is verteerd en het spijsverteringssysteem weer leeg is. Maar zo lang hoeft er niet te worden gewacht. "Je voelt het zelf ook wel", zegt hij. "Het is een kwestie van je gezond verstand gebruiken. Ik kwam vroeger nog wel eens bij boeren. Tussen de middag aten die toen nog warm. Na de maaltijd gingen ze altijd even achter de pet, zoals dat heette. Ze zaten dan een tijdje te soezen voordat ze weer aan het werk gingen op het land. Heel verstandig."

(De Volkskrant, 10 maart 1998).

(Stepnet, proef 2, 18 november 1998).

Zie volgende scherm

Voeding

Geplaagd door de wind.

Welke stof komt in plantaardig voedsel voor en leidt tot de grote gasproductie bij de koe?