Oefentoets Biologie: Genetica - dihybried | HAVO 4/HAVO 5 | variant 1

Ontdek de digitale toets over erfelijkheid en genetica, gericht op middelbare scholieren, met onderwerpen zoals oogkleur, bloedgroepen en dihybride kruisingen. Test je kennis en vaardigheden in het begrijpen van genotypen en fenotypen in verschillende organismen. - 14 vragen

Aantal vragen

14

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Oogkleur en erfelijkheid bij kruisingen

9/11 Oogkleur volgens www.biodoen.nl
Zie figuur B 7122 van de bijlage.

Bij de onderstaande kruising is het fenotype van de ouders bekend (en dus niet het genotype), maar wel dat beide ouders homozygoot zijn voor beide genen:

afbeeldingafbeelding x afbeeldingafbeelding (groen x bruin)

Welke bewering is juist? Je kunt meerdere antwoorden aanklikken.

afbeeldingafbeelding

Kans op nakomelingen met bruine ogen

10/11 Oogkleur volgens www.biodoen.nl
Zie figuur B 7122 van de bijlage.

Bij de onderstaande kruising is het genotype van de ouders bekend:

Bb GG x Bb gg

Welke bewering is juist?

afbeeldingafbeelding

Kans op nakomelingen met blauwe ogen

11/11 Oogkleur volgens www.biodoen.nl
Zie figuur B 7122 van de bijlage.

Bij de onderstaande kruising is het genotype van de ouders bekend:

Bb Gg x Bb Gg

Welke bewering is juist?

afbeeldingafbeelding

Genotypen van tarweplanten bij kruisbestuiving

Tarwe.

Van een tarweplant met het genotype Aabb wordt een stempel bestoven met stuifmeel afkomstig uit een tarweplant met het genotype aabb.

De genotypen die men in het kiemwit van de zaden die ten gevolge van deze bestuiving en de daarop volgende bevruchting zijn ontstaan, kan verwachten zijn

Vaderschapsvaststelling en bloedgroepen

Resus.

Een man komt voor de rechtbank in een vaderschapszaak. Hij heeft bloedgroep B en is resuspositief. De moeder heeft bloedgroep B en is resusnegatief. Haar kind heeft bloedgroep A en is resusnegatief.

Wat is de juiste conclusie over de man?

Genetica van de dagkoekoeksbloem

Dagkoekoeksbloem.
Zie figuur B 5428 van de bijlage.

Bij de dagkoekoeksbloem (Melandrium rubrum) zijn de geslachtschromosomen van vrouwelijke planten XX en van mannelijke planten XY. Het gen voor bladvorm is X-chromosomaal. Het dominante allel E veroorzaakt brede bladeren, het recessieve allel e smalle bladeren. Stuifmeelkorrels met allel e gaan dood.
Een vrouwelijke plant die homozygoot is voor brede bladeren, wordt gekruist met een mannelijke smalbladige plant.

Welk deel van de nakomelingen zal mannelijk zijn en welk deel van deze mannelijke nakomelingen heeft brede bladeren?

afbeeldingafbeelding

Bloedgroepen en erfelijkheid

Bloedgroepen.

Welk van de volgende ouderparen kan een kind hebben dat bloedgroep O, resuspositief is?

Homozygotie in Varkens: Dihybride Kruisingen

Varkens.

Bij varkens is het allel voor lange oren dominant over dat voor korte oren.
Het allel voor krulstaart is dominant over dat voor een rechte staart.
De genen voor oorlengte en staartvorm zijn niet gekoppeld.
Er wordt een aantal dihybride kruisingen uitgevoerd van een varken met lange oren en een krulstaart, dat voor beide betrokken eigenschappen homozygoot is, met een ander varken dat korte oren en een rechte staart heeft. Er ontstaat een F1 . Individuen van deze F1 worden vervolgens verder gefokt en er ontstaat een F2 .

Welk deel van deze F2 is, naar verwachting, homozygoot voor beide eigenschappen?
Dat is deel.

Erfelijkheid van Leeuwenbekjes

Leeuwenbekjes.

Men kruist twee variëteiten van de leeuwenbek. De ene draagt rode bloemen en heeft een behaarde stengel en de andere heeft witte bloemen en een kale stengel. De F1 -planten hebben rose bloemen, terwijl de stengels behaard zijn.

Welke van de volgende beweringen is juist?

Genotypen van de cavia-ouders

Caviakruising.

Een zwarte, kortharige cavia wordt gekruist met een zwarte, langharige cavia. het fenotype van de nakomelingen en hun aantallen zijn hieronder weergegeven: zwart, kort: zwart, lang: wit, kort: wit, lang = 33: 29: 8: 11.
Van het gen voor haarkleur is het allel voor zwart haar (A) dominant over het allel voor wit haar (a). Van het gen voor haarlengte is het allel voor kort haar (B) dominant over het allel voor lang haar (b).
De twee genen zijn niet gekoppeld.

Wat zijn de genotypen van de ouders?

Kruising en genexpressie bij Drosophila

Kruising van Drosophila's.

Men kruist een heterozygoot Drosophila-wijfje ( BbLl) met een grijs lichaam en lange vleugels met een mannetje (bbll) met een zwart lichaam en korte vleugels.
Grijs lichaam (B) en lange vleugels (L) zijn dominante allelen.
De nakomelingen zien er als volgt uit:

vrouwtjes mannetjes
grijs lichaam, korte vleugels 45 47
grijs lichaam, lange vleugels 5 6
zwart lichaam, korte vleugels 7 4
zwart lichaam, lange vleugels 48 42

Wat kan men hieruit concluderen?

Genotypen van de ouders in dierengenetica

Dierengenetica.

Bij een diersoort is het allel voor zwart haar (E) dominant over dat voor rood haar (e). Het allel voor krullend haar (F) is dominant over dat voor sluik haar (f).
In de F1 is de verhouding zwart, krullend: zwart, sluik: rood, krullend: rood, sluik 1:1:1:1.

Wat zijn de genotypen van de ouders?

Overerving van erwtenkleur en -vorm

Erwten.
Zie figuur B 5466 van de bijlage.

Stel dat bij de erwten van Mendel kleur en vorm gekoppeld zouden overerven en wel voor 100%, wat zou men dan uitgaande van een P met zaadvaste gele, ronde en groene, hoekige erwten, in de F2 vinden?

afbeeldingafbeelding

HLA-factoren en genetische koppeling

HLA-factoren.

Tegenwoordig wordt regelmatig weefsel- of orgaantransplantatie toegepast: weefsel of een orgaan van een donor wordt overgebracht in het lichaam van een patiënt van wie het desbetreffende weefsel of orgaan niet meer functioneert. Een belangrijk probleem hierbij is de afweer die optreedt in het lichaam van de patiënt, waardoor afstoting van het ontvangen weefsel of orgaan kan optreden. Bij het herkennen van de eigen lichaamscellen en bij deze afweer tegen lichaamsvreemde elementen spelen de zogeheten HLA-factoren een belangrijke rol.
HLA-factoren zijn membraaneiwitten. De HLA-moleculen en de genen voor deze eiwitten worden verdeeld in de groepen A, B, C en D. Zowel groep A, als B, als C, als D omvat meer dan twee allelen die met nummers worden aangegeven, bijvoorbeeld A1, A2, A3, enzovoort.

Vastgesteld is dat bij willekeurige ouderparen met twee kinderen die geen ééneiige tweelingen zijn, de kans dat deze kinderen precies dezelfde HLA-factoren hebben, 25% is.

Zijn genen voor HLA-factoren gekoppeld of niet, of is dat op grond van dit gegeven niet te bepalen?