Ordening
Ordening.
Bij welk rijk kunnen de organismen bladgroenkorrels in de cellen hebben?
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 1, HAVO 2, HAVO 3
NVON
cc-by-sa-40
Ordening.
Bij welk rijk kunnen de organismen bladgroenkorrels in de cellen hebben?
Ordening.
Bij welke groep van planten vindt de voortplanting plaats door middel van sporen die ontstaan in hoopjes aan de onderkant van de bladeren?
Ordening.
I. De zaadplanten worden verdeeld in de naaktzadigen en de bedektzadigen.
II. Bij de zaadplanten zitten de zaden altijd opgesloten in vruchten.
Ordening.
Vier voorbeelden van gewervelde dieren zijn:
- hagedissen,
- kikkers,
- padden,
- salamanders.
Welke van deze dieren behoren tot de reptielen?
Ordening.
Bij welke groep van de gewervelde dieren worden de slangen ingedeeld?
Ordening.
Welk dier is geen reptiel?
Ordening.
I. Paddestoelen behoren tot het rijk van de schimmels.
II. Schimmels planten zich voort door middel van zaden.
Ordening.
Bij een bepaald rijk hebben de organismen de volgende kenmerken:
- om de cellen bevinden zich celwanden;
- in elke cel bevindt zich een kern;
- in de cellen komen geen bladgroenkorrels voor.
Bij welk rijk hebben de organismen deze kenmerken?
Ordening.
Welke dieren hebben eieren met een schaal en broeden deze niet uit?
Ordening.
Welke kenmerken zijn van toepassing op hagedissen?
Ordening.
I. De meeste sponzen in het huishouden kwamen vroeger uit de zee; nu uit de fabriek.
II. Het skelet van sponzen bestaat uit kalkplaatjes.
Ordening.
Bij welke afdeling worden de slangsterren ingedeeld?
Zeesterren.
I. Zeesterren nemen kleine voedseldeeltjes op uit het water via de zeefplaat.
II. Het watervaatstelsel staat in dienst van de voortbeweging.
Ordening.
I. De stekelhuidigen hebben een skelet van kalkplaatjes waarop stekels of knobbels staan; zij zijn veelzijdig symmetrisch.
II. Zeesterren, slangsterren en zee-egels hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat ze vijf armen hebben.
Ordening.
Drie dieren zijn:
- een kwal,
- een regenworm,
- een zeester.
Welke van deze dieren behoort tot de afdeling van de stekelhuidigen?
Ordening.
Zie figuur B 1158 van de bijlage.
Tot welke afdeling van het dierenrijk behoort het dier uit de figuur?
afbeelding
Ordening.
Zie figuur B 1162 van de bijlage.
Heeft het afgebeelde dier geen skelet, een inwendig skelet of een uitwendig skelet?
afbeelding
Ordening.
Met welke organen halen voorns zuurstof uit het water?
Ordening.
Welke van onderstaande kenmerken hebben vissen wel en reptielen niet?
Ordening.
Eigenschappen van sommige dieren zijn:
1. gladde huid zonder schubben,
2. longademhaling,
3. huid met hoornschubben,
4. kieuwademhaling,
5. eierleggend,
6. koudbloedig,
7. een wervelkolom.
Bij een snoek horen de eigenschappen: